Ga direct naar:

Faunaschade Preventie Kit - Module Das
Bij12

Faunaschade Preventie Kit
Module Das

Versie: 3.3 - Printdatum: 24 May 2017

1. Inleiding

De ‘Faunaschade Preventie Kit Das’ laat zien met welke preventieve maatregelen u gewasschade door dassen kunt voorkomen of beperken.

De omvang van de Nederlandse dassenpopulatie is de laatste decennia sterk veranderd. In de jaren 80 van de vorige eeuw werd een dieptepunt bereikt met slechts 1.200 dassen in heel Nederland. Sinds de jaren 90 trad herstel op. In 2015 bestond de dassenpopulatie uit circa 6000 dieren.

Dassen kunnen nuttig zijn, omdat ze insecten(larven) en muizen op hun dieet hebben staan. Ze kunnen echter ook schade veroorzaken aan gewassen, zoals granen en grasland. Verreweg de grootste schade wordt echter veroorzaakt aan maïs, vooral in afrijpende maïs (70 procent van alle tegemoetkomingen in dassenschade). Maar ook platgedrukte maïsstengels kunnen bij de latere grondbewerking problemen opleveren.

Daarnaast kan er schade optreden aan grasland. Schade ontstaat wanneer dassen mestputjes graven en dassenwissels inslijten, maar vooral wanneer ze zoeken naar voedsel. Wanneer regenwormen onvoldoende beschikbaar zijn, zoeken dassen naar engerlingen onder de graszode, die daarbij ontworteld of opgetild wordt.

Putten, kuilen of pijpen in de wei kunnen een risico zijn voor vee. Pijpen of (bij)burchten kunnen daarnaast een gevaar opleveren voor landbouwvoertuigen als ze tijdens (oogst)werkzaamheden inzakken.

 

Naar boven

2. Preventieve maatregelen

U helpt schade door dassen te voorkomen door een juiste mix van preventieve middelen. Hieronder vindt u enkele methoden waarmee u dassen kunt weren en percelen minder aantrekkelijk kunt maken. Weren is het treffen van maatregelen als de dieren nog niet aanwezig zijn.

2.1. Afscherming

Rasters zijn een zeer effectieve manier om niet vliegende diersoorten te weren van landbouwpercelen. De kosten zijn echter relatief hoog en daardoor vooral geschikt voor meerjarige en kapitaalintensieve teelten (bijvoorbeeld fruitpercelen, boomteelt). Het afsnijden van de verbinding tussen burcht en foerageergebied is volgens de Flora- en faunawet niet toegestaan. Belangrijke foerageergebieden moeten dus toegankelijk blijven voor de das.

Elektrisch draadraster
Elektrisch draadraster is geschikt om niet vliegende diersoorten te weren, maar niet honderd procent dassenproof. Een das kan namelijk een schok op de koop toe nemen om bij het voedsel te komen. Elektrische draadrasters zijn goedkoper dan gaasrasters, zijn eenvoudiger te plaatsen en te verplaatsen, maar vragen meer toezicht en onderhoud. De schrikdraadapparaten zijn bovendien diefstalgevoelig. De onderste draad wordt bij voorkeur op 10 cm boven het maaiveld aangebracht.

Elektrisch netwerk/Euronet
EuronetFijnmazig elektrisch netwerk blijkt een goed toepasbare en effectieve methode om dassen van landbouwpercelen te weren. U kunt de netten na enige oefening vrij simpel aanbrengen en opruimen. De kosten voor aanschaf en onderhoud liggen vrij hoog, waardoor deze methode vooral in aanmerking komt voor de wat kapitaalintensievere teelten. De netten met bijbehorende schrikdraadapparaten zijn diefstalgevoelig en daardoor niet overal toepasbaar.

 

 

Gaasraster
Gaasrasters hebben een permanente karakter en zijn daardoor vooral geschikt voor meerjarige teelten (bijvoorbeeld fruitpercelen, boomteelt). Voorbeeld van gaasraster voor dassen:

  • rasterpalen: 1,80 meter lang, diameter 10/12 cm
  • hoek- en schoorpalen: 2,50 meter lang, diameter 12/14 cm
  • gepuntlast verzinkt gaas: zwaar vierkant vlechtwerk van 1,20 meter hoog (bijvoorbeeld zwaartype 120).

Gebruik:

  • gebruik elke 4 meter een paal
  • breng gaas aan de wildzijde van de palen aan
  • vouw de onderste 30 cm van het gaas om in een hoek van 90 graden naar de wildzijde
  • graaf het raster 0,20-0,30 meter in en span het gaas mechanisch aan
  • puntdraden op 0,20 m beneden het maaiveld en 0,03 m boven het maaiveld
  • spandraden op 0,60 m boven het maaiveld
  • bevestig het gaas aan draden met binddraad en ringkrammen (minimaal elke 40 cm)

 

2.2. Teeltechnische maatregelen

Engerlingen-/emeltenbestrijding
EmeltbestrijdingDe das eet ook graag engerlingen (larven van mei-, juni- en rozenkevers) en emelten (larven van de langpootmug. Hierbij wordt de graszode ontworteld of opgetild.

Door engerlingen en emelten aan te pakken kunt u schade in uw gewas voorkomen. In grasland kunt u deze goed bestrijden door de bodem aan te rollen of aan te drukken met trekkerbanden. Dit kunt u het beste doen als de larven hoog in de bodem zitten, in de nazomer. Daarnaast kunt engerlingen en emelten biologisch bestrijden (bijvoorbeeld met parasitaire nematoden), maar ook met chemische bestrijdingsmiddelen.


Keuze opvolgend gewas
Opvolgende gewassen keuzeOndergewerkte gewassen of gewasresten (o.a. maïskolven) kunnen aantrekkelijk zijn voor dieren en hierdoor schade in het opvolgende gewas veroorzaken. Met uw keuze voor het opvolgende gewas kunt u het risico op vraat in dat gewas verkleinen. Pas daarom uw teeltplan aan. Wacht met een opvolgende gewas tot de resten van het vorige gewas opgegeten of verteerd zijn. Dieren hebben dan niks meer op het perceel te zoeken, wat het risico op vraat aan het opvolgende gewas verkleint.

Bijvoorbeeld: maïskolven zijn aantrekkelijk voor dassen. Door oude maïskolven te verwijderen wordt voorkomen dat dassen ze opgraven. Dat verkleint het risico op schade. Het achterblijven van kolven kan trouwens voorkomen worden door rassen te kiezen met een hoog waarderingscijfer voor stengelstevigheid en tijdig te oogsten.

2.3. Overige maatregelen

Nader te specificeren
nader te specificerenNader te specificeren middelen zijn alle, op de markt als veilig te gebruiken en toegelaten (arbeids)middelen, die grondgebruikers willen uitproberen. Het gaat om middelen waarvan de werking in de praktijk tot nog toe niet of onvoldoende is bewezen en die niet in de Faunaschade Preventiekit (FPK) zijn opgenomen, maar waarvan de grondgebruiker wél een effectieve preventieve werking verwacht. Denk bijvoorbeeld aan afleidend voeren. Het Faunafonds kan op eigen initiatief of op voorstel van derden onderzoek naar de effectiviteit van het middel laten doen, al dan niet in samenwerking met de betreffende grondgebruiker. Op deze manier stimuleert het Faunafonds de inzet van innovatieve wildwerende maatregelen. Voor de verdere voorwaarden voor onderzoek zie de onderzoeksagenda 2016 van BIJ12 Faunafonds.

Wilt u een nieuw middel uittesten, dan kunt u dat vooraf met een Faunafondsconsulent bespreken. De kleine lettertjes, artikel 4.4, zijn ook van toepassing op nader te specificeren middelen.

Naar boven

 

3. Soorten faunaschade

Bij verschillende gewassoorten kunnen dassen over het algemeen twee soorten schade aanrichten: vraatschade en graafschade.

In onderstaande infographics ziet u wanneer faunaschade voornamelijk optreedt. Schade kunt u voorkomen met de preventieve middelen uit paragraaf 2.

3.1 Schade aan akkerbouwgewassen

Extra informatie
Granen: naast vraatschade aan aren in de zomer, treedt soms ook schade op door het graven van bijburchten in graanakkers

Maïs: naast vraatschade aan kolven in de zomer en herfst, treedt soms ook schade op door het graven van bijburchten in maïsakkers en door het opgraven van zaaigoed.

 

3.2 Schade aan grasland

Extra informatie
Dassen wroeten alleen grasland om als ze foerageren naar de aanwezige engerlingen.

 

3.3 Schade aan fruit

Extra informatie
Vooral laaghangend fruit is kwetsbaar voor dassen.

 

3.4 Schade aan overige gewassen

Naar boven

 

4. Algemeen

Het Faunafonds kan onder voorwaarden tegemoetkomen in de schade die beschermde inheemse diersoorten veroorzaken aan bedrijfsmatig geteelde landbouwgewassen of gehouden landbouwhuisdieren.

4.1 Wat te doen bij schade

Voor dassenschade van enige omvang kunt u een tegemoetkoming in de schade aanvragen bij het Faunafonds. Deze aanvragen worden getoetst aan de beleidsregels van het Faunafonds.

Het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag doet u via de website Faunaschade. Via dit portaal kunt u schade melden en aansluitend een aanvraag tot tegemoetkoming indienen.

Let op: aan het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag zijn behandelkosten van 300 euro verbonden. De aanvraag kan pas worden ingediend nadat deze kosten via de betaalfunctie (iDEAL) in de applicatie zijn betaald. Op verzoek van bepaalde provincies wordt het behandelbedrag door het Faunafonds terugbetaald.

Heeft u vragen over het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag of over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen, neem dan tijdig contact op met het Faunafonds. Het Faunafonds is bereikbaar via het algemene telefoonnummer van BIJ12: 085 – 486 22 22 of infofaunafonds@bij12.nl.

4.2 Ontheffing

Voor het verontrusten van dassen of het verstoren van hun burcht is een ontheffing nodig. De FBE kan u hierin adviseren:

  • als u een machtiging voor een ontheffing wilt aanvragen, neem dan bij dreigende of optredende schade direct contact op met de FBE in de provincie waarin uw percelen liggen
  • als er nog geen ontheffing aan de FBE is verleend voor de betreffende diersoort, vraag deze dan direct zelf aan bij de provincie
  • neem dezelfde dag nog preventieve maatregelen (voor zover die zijn toegestaan zonder ontheffing)

Voor verdere informatie over de provinciale FBE’s verwijzen we u naar www.faunabeheereenheid.nl.

4.3 Meer informatie

Wilt u meer weten over faunaschade en de voorkoming ervan? Raadpleeg dan de Faunaschade Preventie Kits (‘Bevers en beverratten’, Duiven, Eenden, Ganzen, Haasachtigen, Hertachtigen, Hoenderachtigen, Kleine zangvogels, Koeten, Kraaiachtigen, Meeuwen, Roofvogels, Woelmuizen, Wilde zwijnen, ‘Wolven, vossen en marterachtigen’ en Zwanen). Maatregelen voor andere soortgroepen en de daarbij eventueel geldende richtlijnen vanuit het Faunafonds zijn te vinden in de Handreiking Faunaschade 2009.

4.4 Kleine lettertjes

Aan de informatie zoals weergegeven in de ‘Faunaschade Preventie Kit Eenden’ kunnen geen rechten worden ontleend. Weersomstandigheden, teeltkeuzes, enzovoort kunnen leiden tot schadesituaties die niet zijn beschreven. De grondgebruiker blijft in alle gevallen primair verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van schade. Alle FPK’s vormen een weergave van gedeelde praktijkervaringen en niet van alle middelen waarvan de werking wetenschappelijk is aangetoond.

Naar boven

 

5. Over het Faunafonds

De unit Faunafonds houdt zich bezig met wettelijke taken op het gebied van faunaschade veroorzaakt door beschermde inheemse diersoorten. In de praktijk betekent dit dat het Faunafonds een kennis- en adviescentrum is voor faunaschade. Het Faunafonds reikt handvatten aan om faunaschade te voorkomen en te bestrijden. Als desondanks schade ontstaat, kunnen agrariërs in bepaalde gevallen bij het Faunafonds terecht voor een tegemoetkoming in de schade. Het Faunafonds is onderdeel van BIJ12, de gemeenschappelijke uitvoeringsorganisatie van de twaalf provincies.

Colofon: Mede samengesteld door Van Bommel FAUNAWERK en Communicatiebureau de Lynx (logo, illustraties, infographics en print css).

Voor het beste printresultaat gebruikt u bij voorkeur Google Chrome.
U kunt een pdf van deze pagina ook hier downloaden. (3.3MB)

Deel deze pagina op social media

BIJ12 elders op het internet