De bunzing, hermelijn en wezel

Leeswijzer Dit document is opgebouwd uit vier inhoudelijke hoofdstukken die los van elkaar, maar ook in samenhang met elkaar te lezen zijn. Het is niet noodzakelijk om dit document van voor tot achter te lezen. Elk hoofdstuk heeft zijn eigen ingang. Afhankelijk van uw primaire vraag kunt u direct door naar één van deze vier hoofdstukken en zo nodig kunt u teruggrijpen op één van de andere hoofdstukken. Hieronder lichten we de inhoud per hoofdstuk toe.

Bunzing

Bunzing (Mustela pitorius)
De bunzing (figuur 1.1) is een klein, langgerekt zoogdier met een flexibel lichaam met een staart tot ongeveer een derde van de lichaamslengte. De soort heeft een stompe kop met een duidelijk herkenbaar masker met korte oren. De keel, hals, poten, buik en staart hebben een zwartgekleurde vacht, terwijl het lichaam lichter gekleurde onderharen heeft. Deze kunnen crème, grijzig, donkerbruin of rossig zijn. De lengte van een volwassen bunzing is tussen de 28 en 45 centimeter, waarbij de mannetjes groter zijn dan de vrouwtjes. Het geslachtsverschil uit zich het sterkste in het gewicht: vrouwtjes wegen meestal tussen de 300-900 gram, terwijl mannetjes tussen de 500 en 1800 gram wegen (Zoogdiervereniging, 2023a). De mannetjes zijn het zwaarst tijdens het paarseizoen, de vrouwtjes voordat ze hun jongen werpen. Bunzingen kunnen 5 à 6 jaar oud worden, maar leven meestal korter.

Figuur 1.1: Een bunzing (Universidade de Évora, 2023).

Hermelijn (Mustela erminea)

De hermelijn (figuur 1.2) is een langgerekte marterachtige met een lange staart, die aan het eind een zwartgekleurde pluim heeft. De rug is bruin en de buik wit gekleurd. De demarcatielijn, de scheidingslijn tussen de witte buik en bruine rug, loopt gestroomlijnd, in tegenstelling tot de wezel waar de demarcatielijn rommelig verloopt. In Nederland kleurt een deel van de hermelijnen ’s winters geheel of gedeeltelijk wit, op de zwarte pluimstaart na (Zoogdiervereniging, 2023b). De kop-romp lengte ligt tussen de 21 en 29 centimeter en het gewicht ligt tussen de 140 en 445 gram. Bij hermelijnen zijn de mannetjes altijd langer en zwaarder dan de vrouwtjes. Mannetjes worden gemiddeld ouder (1,4 jaar) dan vrouwtjes (1,1 jaar) (Erlinge, 1983).

Figuur 1.2: Een hermelijn (Spoelmans-Nature, 2015).

Wezel

Wezel (Mustela nivalis vulgaris)
De wezel (figuur 1.3) wordt soms ook wel omschreven als een lange, snelle muis die zich met sprongen verplaatst. Het lichaam is slank en langgerekt met korte poten en een korte staart die geheel bruin gekleurd is. Ze lijken veel op hermelijnen, maar zijn kleiner en hebben een rommelige demarcatielijn die uniek is per individu (Zoogdiervereniging, 2023c). De staart van de wezel is in vergelijking met de hermelijn korter en heeft geen zwarte pluim. De lengte van de kop-romp is ongeveer 13-23 centimeter, het gewicht ligt tussen de 40 en 150 gram. Bij wezels zijn de mannetjes altijd langer en zwaarder dan de vrouwtjes. 70 tot 90% van de wezels haalt hun eerste levensjaar niet en de gemiddelde leeftijd ligt tussen de 0,76 en 1,1 jaar (King, 1980). In Nederland komt alleen de ondersoort ‘Mustela nivalis vulgaris’ voor.

1.2.1 Bunzing

Leefgebied

Bunzingen zijn solitaire dieren, die alleen tijdens het paarseizoen samen zijn. Bunzingen hebben net zoals de andere kleine marterachtigen intraseksuele territoria, waarbij de leefgebieden tussen de verschillende geslachten elkaar overlappen, maar de gelijke geslachten vrijwel niet. In de praktijk betekent dit dat het territorium van één mannetje het territorium van meerdere vrouwtjes overlapt, maar tussen mannetjes en vrouwtjes onderling niet. De omvang van het leefgebied kan tientallen tot soms enkele duizenden hectares zijn, afhankelijk van het voedselaanbod. Als het voedselaanbod te beperkt is, kan de soort een nomadisch bestaan leiden. Uit Nederlandse onderzoeken zijn schattingen van de grootte van leefgebieden tussen de 84 en 830 hectare (Müskens, Broekhuizen, 1998), 28 hectare (Wolfs, 1988), 30 hectare (Volkers, 1980), 52 hectare (Braakhekke, 1979) en 140-590 hectare (de Lyon, Martens, 1981) bekend. Bunzingen besteden 85% van hun tijd in een kerngebied dat 20% van hun leefgebied beslaat (Blandford, 1987) en patrouilleren de grenzen van hun leefgebied nauwelijks. Keutels worden hoofdzakelijk in verblijfplaatsen gevonden, niet langs de grenzen van hun leefgebied. De bunzing is vooral ‘s nachts actief en loopt dan gemiddeld 3 tot 4 kilometer, maar is ook in staat om grotere afstanden (tot 8 kilometer) af te leggen (Blandford, 1987). Door het flexibele en compacte lichaam van de bunzing is deze goed in staat om in holen te jagen. Voor zover bekend is er geen verschil tussen de geslachten in prooivoorkeur. Er zijn ook waarnemingen gedaan van bunzingen in stedelijk gebied (NDFF).

Voortplanting

De paring vindt plaats vanaf eind februari tot en met april, met de meeste activiteit in maart. Tijdens het paarseizoen gaan de mannetjes over tot een nomadisch bestaan, dat bestaat uit het zoeken en paren met vrouwtjes en het vechten met andere mannetjes. In april zoeken de vrouwtjes naar een nest om hun jongen in te werpen, de worp zelf vindt hoofdzakelijk plaats in mei. De draagtijd duurt circa 6 weken, waarbij gemiddeld tussen de 4 en 10 jongen worden geboren. In juli betreden de vrouwtjes met hun jongen de buitenwereld om hun te leren jagen. De dispersie, waarbij de jongen zelfstandig worden, begint eind augustus en bereikt de piek in september. In oktober is sprake van hoge activiteit om aan te vetten voor de winter, hierna neemt de activiteit van bunzingen significant af (Birks, 2015). Door de lagere overlevingskans en verminderde activiteit gedurende de winter zijn de aantallen van bunzingen in deze periode het laagst.

Predatie en concurrentie

Er zijn in Nederland nauwelijks soorten die actief op de bunzing prederen (Poole, 1970). Dit komt door de sterke geur van de bunzing en de sterke wil om zichzelf fel te verdedigen. Literatuur geeft hoofdzakelijk steenarenden en grotere uilensoorten aan als mogelijke vijanden, maar dan nog zullen bunzingen waarschijnlijk weinig door deze soorten worden gepakt (Brehm, 1915; Toschi, 1965; Fozzer, 1981). Bunzingen worden wel weggeconcurreerd door de Amerikaanse nerts (Barrientos, 2015) en gedood door soorten zoals vossen, wasbeerhonden en honden. Er zijn indicaties dat bunzingdichtheden afnemen in gebieden waar steenmarters toenemen (Krystufek, 2000), voor zover bekend is dit alleen onderzocht in Belarus, waar de landelijke bunzingpopulatie door komst en toename van de Amerikaanse nerts (waterrijke gebieden), wasbeerhond (beboste gebieden) en de steenmarter (bebouwde gebieden) is ingestort (Sidorovich, 2018).

1.2.2 Hermelijn

Leefgebied

Evenals bunzingen zijn hermelijnen solitaire dieren die alleen tijdens het paarseizoen samen komen. De omvang van het leefgebied kan enorm verschillen en is afhankelijk van het voedselaanbod: van enkele tot zelfs honderden hectares groot. Uit onderzoek in omringende landen zijn vooral leefgebieden van tussen de 2 en 40 hectare bekend, waarbij de mannetjes altijd grotere leefgebieden bezitten (King, Powell, 2007). Onderzoek naar de leefgebiedengrootte van hermelijnen is nog niet uitgevoerd in Nederland. Hermelijnen kennen zoals de andere kleine marterachtigen intraseksuele leefgebieden. Deze vallen tijdens het paarseizoen uiteen wanneer de mannetjes beginnen rond te trekken op zoek naar vrouwtjes. Het bereik van de mannetjes kan dan met een factor 50 toenemen (Erlinge, Sandell, 1986). Vrouwtjes behouden wel hun leefgebied en worden gedurende deze periode ook feller en agressiever tegenover andere vrouwtjes (Erlinge, Sandell, 1986).

Geslachtsverschillen

Het compacte lichaam van de hermelijn geeft de soort de gelegenheid om in de holen van kleine prooidieren te jagen, zoals konijnen. Mannetjes jagen met name op de grotere prooien zoals konijnen en woelratten, terwijl vrouwtjes op kleinere prooien zoals aardmuizen kunnen jagen. Een bijkomend voordeel van deze strategie is dat de vrouwtjes in staat zijn om op prooien te jagen waar de mannetjes niet bij kunnen; ze kunnen dus concurrentie met elkaar vermijden.

Voortplanting

Bij hermelijnen is sprake van een verlengde draagtijd: de jongen die worden geboren zijn van eicellen die het jaar daarvoor zijn bevrucht. De actieve draagtijd zelf duurt 10 weken en de jongen worden vanaf eind april tot en met mei geboren. Het aantal jongen dat wordt geboren kan variëren tussen de 1 en 20 (King, Powell, 2007). De vruchtbare periode, wanneer er kan worden gepaard, begint in mei en eindigt in juli (King, Powell, 2007).

In deze periode zoeken de mannetjes dan ook de vrouwtjes op terwijl zij de jongen verzorgen. Hierdoor is 99% van de vrouwtjes die het nest verlaten al drachtig, waardoor ook in tijden met lage overlevingskansen er toch een grote kans is op nieuw nageslacht (King, Moors, 1979). Meerdere mannetjes kunnen het nest betreden en paren met zowel het vrouwtje als haar dochters, op een leeftijd soms zo vroeg als 17 dagen (King, Powell, 2007). Door de polygame levenstijl is het mogelijk dat één nest hermelijnen meerdere vaders heeft. Door de korte levensduur van hermelijnen is de kans minimaal dat er sprake is van inteelt (King, Powell, 2007). Met de strategie van bevruchting in het nest heeft een vrouwtjeshermelijn geen mannetje nodig om in een nieuw gebied een nieuwe populatie te vormen, wat de soort een groot voordeel geeft in het (opnieuw) koloniseren van gebieden. De moeder verlaat met haar jongen het nest in juni en juli. Na twee tot drie weken zijn de jongen in staat om zelfstandig te jagen, waarna de dispersie plaats kan vinden. In Nederland vindt de dispersie met name plaats in augustus. De meeste vrouwtjes blijven rondhangen in de omgeving waar zij zijn geboren, de mannetjes trekken meestal verder waarbij zij soms enorme afstanden kunnen afleggen. In één geval werd een mannetje 65 kilometer van zijn geboorteplek aangetroffen (King, Powell, 2007). Door de lage overlevingskans gedurende de winter zijn dichtheden van hermelijnen in deze periode het laagst.

Predatie

Hermelijnen worden gepredeerd door alle grotere roofdieren, roofvogels en uilen. Dit is een belangrijke reden waarom hermelijnen een korte levensduur hebben. Mulder (1990) documenteerde het verdwijnen van hermelijnen in het Noord-Hollandse duingebied na de intrede van vossen. Omdat hermelijnen zich meer in het open begeven, zijn zij ook meer kwetsbaar voor predatie door roofvogels en uilen. Hiervoor hebben zij de zwarte pluim aan hun staart om roofvogels en uilen te verwarren, waardoor hun overlevingskans toeneemt (Powell, 1982).

1.2.3 Wezel

Leefgebied

Wezels zijn net zoals de andere kleine marterachtigen solitaire dieren die net zoals de andere kleine marterachtigen intraseksuele leefgebieden hebben. Deze vallen tijdens het paarseizoen uiteen wanneer de mannetjes rondtrekken op zoek naar vrouwtjes (Erlinge, 1974). Vrouwtjes behouden wel hun leefgebied en worden gedurende deze periode ook feller en agressiever tegenover andere vrouwtjes. De grootte van het leefgebied is sterk afhankelijk van de prooidierdichtheid en kan daardoor in optimale gebieden minder dan 1 hectare zijn, terwijl het in matige gebieden richting de 200 hectare kan zijn (King, Powell, 2007). De leefgebieden van de mannetjes zijn altijd groter dan die van de vrouwtjes, meestal twee keer groter of meer. In een Nederlandse zenderstudie werd de grootte van het leefgebied van mannetjes vastgesteld op 3,5 tot 8,4 hectare (Lemmers et al, 2022). Er zijn ook waarnemingen gedaan van wezels in stedelijk gebied (NDFF).

Geslachtsverschillen

Het compacte lichaam van de wezels geeft de soort de gelegenheid om in de holen van muizen te jagen. Mannetjes kunnen in de holen van woelratten jagen, vrouwtjes kunnen ook de holen van aardmuizen bereiken (Erlinge, 1975). Gezenderde wezels in Erlinge (1975) hebben ook uitgewezen dat mannetjes meer op de grond jagen, terwijl vrouwtjes meer in holen jagen. Een bijkomend voordeel van deze strategie is dat de vrouwtjes in staat zijn om op prooien te jagen waar de mannetjes niet bij kunnen; ze kunnen dus concurrentie met elkaar vermijden. Wezels zijn opportunisten die sterk afhankelijk zijn van de pieken in populatiedichtheden van muizen. Tijdens een goed muizenjaar kunnen vrouwtjes twee keer jongen werpen en kunnen vrouwtjes uit het eerste nest hetzelfde jaar nog bevrucht worden en zelf een nest starten, waardoor de populatie enorm kan toenemen (King, Moors, 1979). Het geldt wel ook omgekeerd: wezelpopulaties  lijden zwaar in slechte muizenjaren, waarbij in het meest extreme scenario sprake is van lokaal uitsterven (King, Moors, 1979).

Voortplanting

De paartijd van wezels kan al in februari beginnen. Na een draagtijd van 34 tot 37 dagen worden de eerste jongen geboren in april (King, Powell, 2007). In zeer goede muizenjaren kunnen wezels een tweede nest krijgen of de net volwassen vrouwtjes al voortplanten (King 1980; McDonald, Harris 2002). In zeer goede muizenjaren worden jongen nog geboren in juli en augustus. Van geboorte tot zelfstandigheid duurt bij wezels minimaal 9 weken, de dispersie kan dus al plaats vinden in juni. In Nederland loopt de dispersie vaak uit tot in augustus. Erlinge (1974) suggereert dat voor een stabiele wezelpopulatie er minstens 10 woelmuizen per hectare moeten voorkomen. Door de lage overlevingskans gedurende de winter zijn dichtheden van wezels in deze periode het laagst.

Predatie en concurrentie

Wezels zijn zeer kwetsbaar voor alle andere roofdieren, roofvogels en uilen. Hermelijnen domineren over wezels, waardoor wezels minder geschikt leefgebied gebruiken om ruimtelijke overlap met hermelijnen te voorkomen (King, Moors, 1979; Erlinge, Sandell, 1988).

1.3.1 Bunzing

Bunzing
De bunzing is een generalist die prima in staat is om zich aan te passen aan de lokaal beschikbare voedselvoorzieningen. In het enige in Nederland uitgevoerde onderzoek naar het dieet van de bunzing (Brugge, 1977) komt naar voren dat het dieet voornamelijk bestaat uit haasachtigen (30%), knaagdieren (24,5%), amfibieën, vogels (20%) en andere zoogdieren. Uit een studie naar het dieet van 18 verschillende populaties in Europa (Lodé, 1997b) komt naar voren dat de belangrijkste (in Nederland voorkomende) prooidieren de rosse woelmuis, veldmuis, bosmuis, bruine rat, konijn, bruine kikker en gewone pad zijn. In slechte muizenjaren kunnen bunzingen grote voedselvoorraden aanleggen die hoofdzakelijk gevuld worden met kikkers en padden (Novikov, 1962; Bang, Dalhstrom, 1974). Bunzingen kunnen zich lokaal specialiseren op bepaalde prooisoorten (bijv. konijnen in Engeland; Birks, 2015), alsook gedurende bepaalde seizoenen (amfibieën in het voorjaar; Lodé, 1997).

1.3.2 Hermelijn

In vergelijking met de bunzing is de hermelijn minder opportunistisch. Zijn dieet bestaat hoofdzakelijk uit konijnen, woelratten en aardmuizen (Erlinge, 1981; Erlinge, Sandell, 1986). Vogels vormen ook een onderdeel van het dieet. De afhankelijkheid van een beperkt aantal prooisoorten kan significant negatieve effecten op hermelijnpopulaties hebben. Zo leidde de sterke afname van konijnenpopulaties door myxomatose in het Verenigd Koninkrijk ook tot de afname van hermelijnenpopulaties (Dunn, 1977; McArthur, Levins, 1964). Tijdens slechte muizenjaren passen de mannetjes zich aan op het prederen van grotere prooien, terwijl de vrouwtjes blijven jagen op muizen.

1.3.3 Wezel

De meest bejaagde soorten door de wezel zijn de aardmuis, rosse woelmuis, veldmuis en de bosmuis (Erlinge, 1975; Dunn, 1977). De aanwezigheid van woelmuizen is essentieel voor de aanwezigheid van wezels (Zub et al. 2008). Wezels hebben een sterke afkeer voor spitsmuizen als prooi en prederen deze alleen wanneer er geen beter alternatief is (Erlinge, 1975).

1.4 Functionele leefomgeving en bijbehorende elementen

In deze paragraaf wordt ten eerste toegelicht wat bij de kleine marterachtigen onder de functionele leefomgeving wordt verstaan. De paragrafen daarna behandelen de verblijfplaatsen van de soorten en hun leefgebied.

Functionele leefomgeving

Bij veel beschermde soorten wordt er gesproken over een functionele leefomgeving. Dit is de omgeving waar alle basisvoorzieningen en alle delen van het leefgebied aanwezig zijn om de levenscyclus van de soort te voltooien. Voor de kleine marterachtigen is het belangrijk dat deze basisvoorzieningen binnen de actieradius van de soorten liggen en te allen tijde goed bereikbaar zijn (zonder barrières). Bij de bunzing, hermelijn en wezel vallen onder de basisvoorzieningen de delen van het leefgebied met voortplantings- en rustplaatsen, het jacht-/foerageergebied, verbindende elementen en voldoende beschuttingsmogelijkheden. Deze onderdelen vormen voor de soorten de functionele leefomgeving.

Afhankelijk van het seizoen kunnen de kleine marterachtigen verschillende onderdelen in hun leefgebied gebruiken. Een element of een gebied kan dus op een bepaald moment in het jaar voor de soort(en) van essentieel belang zijn voor de overleving, terwijl er op een ander moment wel voldoende alternatieven aanwezig zijn. Ongeacht op welk moment het element van essentieel belang is voor de soort, het element moet te allen tijde als geheel én in relatie tot de levenscyclus van de soort beschouwd worden als essentieel.

1.4.1 Verblijfplaatsen en leefgebied

Bunzing

Vaste voortplantings- of rustplaatsen

Bunzingen gebruiken rustplaatsen boven de grond en uitgegraven holen (verblijfplaatsen) onder de grond. Deze kunnen uit meerdere kamers bestaan, maar zijn vrij simpel en opportunistisch bezet. Ze maken gebruik van elk hol waar ze doorheen passen. In een onderzoek van Weber (1989) wordt gesuggereerd dat bij een selectie van een rustplaats in de zomer de nabijheid van een voedselbron meer prioriteit heeft dan de kwaliteit van een rustplaats. Nesten zijn vaak in konijnenburchten waarvan de oorspronkelijke bewoners eerst zijn opgegeten, maar er zijn ook waarnemingen van bunzingnesten onder houten terrassen van woningen (Birks, 2015). Oude vossenburchten en dassenburchten worden ook door bunzingen gebruikt. Ze kunnen hun eigen holen graven, wanneer nodig. Minder geliefde maar ook gebruikte nestplaatsen zijn onder stenen, boomholtes, holtes/kieren tussen de wortels van bomen en opgestapelde bomen/takken.

Functionele leefomgeving

Bunzingen komen vooral voor in openingen van gemixte en bladverliezende bossen die gekenmerkt worden door grote bladeren (Walton, 1977). Ze houden niet van dichte bebossing en vermijden over het algemeen naaldbossen (Osinga et al., 2022). Ze komen op zowel droge als natte grond voor, maar hebben een voorkeur voor natte gebieden (Brink, 1967; Burnard et al., 1978) en nieuw bos waar nog successie plaatsvindt (Kharchenko, Minoranskii, 1967). Bossen in een later stadium van successie worden over het algemeen vermeden. Bunzingen hebben een voorkeur voor zowel natuurlijke (uiterwaarden) als door de mens geschapen (agrarische) halfopen landschappen (Osinga et al. 2022). ’s Winters trekken bunzingen meer naar bewoonde gebieden (Walton, 1970), met name naar schuren waarin veel bruine ratten kunnen zitten (Birks, 1998). Ze zijn in staat om in bomen te klimmen, maar doen dit zelden omdat zij slecht zijn in springen en het inschatten van afstanden (Novikov, 1962; Poole, 1970). Er bestaat conflicterende literatuur of bunzingen wel of niet een voorkeur voor zwemmen hebben (Schäff, 1911; Didier, Rode, 1935; Jäger, 1937, Brink, 1967). Hun voorkeur voor aquatische dieren zoals amfibieën zou daar wel op duiden, maar bij een diepere kijk naar de amfibiesoorten die zij hoofdzakelijk prederen, gaat het met name om soorten zoals de bruine kikker die op het land actief zijn. Feit is dat hun vacht niet goed ontwikkeld is om een aquatische leefstijl te hebben (Miller, 1933). Wateren zijn dus geen geschikte leefgebieden van de bunzing, maar de oevers langs de wateren wel. Uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn waarnemingen bekend van bunzingen binnen de bebouwde kom, soms ook in stadscentra. Ook binnen de bebouwde kom lijkt de belangrijkste vereiste de aanwezigheid van voldoende prooidieren. Er is meer onderzoek nodig naar het leefgebiedgebruik van de bunzing binnen de bebouwde kom, omdat hier zeer weinig over bekend is.

Binnen het eigen leefgebied van de bunzing is de meeste activiteit beperkt tot de gebieden waar de beste foerageermogelijkheden zijn. Het is dus mogelijk dat een bunzing een paar weken actief is in één gebied en vervolgens vertrekt naar een ander deel van het leefgebied. Als voorbeeld kan worden gedacht aan foerageeractiviteiten bij poelen waar amfibieën aanwezig zijn, om vervolgens te verplaatsen naar een deel van het leefgebied waar meer knaagdieren actief zijn.

Hermelijn

Vaste voortplantings- of rustplaatsen

Verblijfplaatsen van hermelijnen zijn onder andere aangetoond in tunnels onder mossen, mosbollen, houtstapels, onder (boom)wortels, openingen in omgevallen bomen, openingen tussen boomwortels en in boomholtes. Hermelijnen kunnen ook gebruik maken van ratten- en woelratholen en irrigatiebuizen. In Ierland werden in een onderzoek vijftien ondergrondse verblijfplaatsen gevonden (van ratten, konijnen en muizen), drie in houtstapels en steenhopen en één zelfs in een boom (Sleeman, 1990). Verblijfplaatsen worden voor zowel voortplanting als rusten gebruikt.

Functionele leefomgeving

Hermelijnen komen voor in allerlei gebieden, waaronder weilanden, klein cultureel landschap, duinen, langs beken en rivieren in beboste gebieden. Hermelijnen verkiezen nat hooiland als leefgebied en vermijden liever droge gebieden (Erlinge, 1979). In Nederland is de aanwezigheid van prooidieren zoals konijnen en woelratten belangrijk.

Wezel

Vaste voortplantings- of rustplaatsen

Over het algemeen geldt dat voor een wezel elk holletje of opening waar hij doorheen past en die goed geïsoleerd, droog en in dekking ligt, geschikt kan zijn als verblijfplaats. Zo kan voor een wezelvrouwtje een holletje met een diameter van 2,5 centimeter voldoende zijn. Verblijfplaatsen zijn aangetoond in holtes in bomen, tussen de wortels van bomen (Murphy, Dowding, 1994), in houtstapels, greppels en geïsoleerd struikgewas in open leefgebied (King, Powell, 2007), evenals in de holen van (woel)muizen. De verblijfplaats wordt ook bedekt met de vacht van de gedode prooidieren. De verblijfplaatsen zelf betreffen hoofdzakelijk holen van muizen. Er is vaak wisseling van verblijfplaats, maar wezels keren regelmatig ook terug naar eerder gebruikte verblijfplaatsen. De verblijfplaatsen zijn meer aanwezig op locaties met struikbedekking dan in open locaties. Holen van bruine ratten kunnen ook als verblijfplaats worden gebruikt.

Wezels maken ook gebruik van mollentunnels: voor de wezels zelf is het de perfecte manier om zich veilig te verplaatsen tussen verschillende locaties. Wezels gebruiken de mollenkamers ook als verblijfplaats, de mollen zelf doden zij niet (King, Powell, 2007). Voor zover bekend hebben wezels geen voorkeur voor voortplanting in een specifieke verblijfplaats. In een Nederlandse studie (Lemmers et al, 2022) werden 38 verblijfplaatsen vastgesteld, waarbij de meeste verblijfplaatsen aanwezig waren in bosranden, bossen en houtwallen.

 

Functionele leefomgeving

Wezels komen met name voor in cultuurlandschap, maar ook in bossen, duinen, natuurlijke graslanden zoals uiterwaarden, weide en akkerland. Wezels zijn bijna altijd actief in minder dan de helft van hun leefgebied, waar het meeste voedsel aanwezig is. In Polen zijn de dichtheden van wezels meestal hoger in waterrijke gebieden dan droge gebieden (Zub et al. 2008). Dit komt door de hogere dichtheid aan (grote) woelmuizen in waterrijke gebieden (Sidorovich, Solovey, 2007). Echter zijn de dichtheden van wezels lager in gebieden met een hoge waterstand, waar de aanwezigheid van goed geïsoleerde verblijfplaatsen minder is (Zub et al. 2008). Dichtheden van wezels zijn lager in gebieden waar hermelijnen actief zijn en nemen significant in aantallen toe waar hermelijnen verdwijnen (Sidorovich, Solovey, 2007). Wezels wijken meestal niet verder dan vijf meter van beschutting af en zijn vooral bezig om in beschutting hun prooi te zoeken (Erlinge, 1974; Macdonald et al, 2004). Dit omdat zij kwetsbaar zijn voor predatie door roofdieren, roofvogels en uilen. De aanwezigheid van dekking is essentieel voor wezels en lijkt alleen minder of niet relevant te worden in omgevingen waar nauwelijks tot geen sprake is van predatiedruk door andere roofdieren, huisdieren, roofvogels en menselijke verstoring (de Jong, Westra, 2022). Door seizoensgebonden verschillen in dekking en voedselbeschikbaarheid kunnen wezels een nomadisch bestaan leven waarbij de selectie van hun leefgebied kan verschillen van seizoen tot seizoen (Zub et al. 2008). Wezels zijn specialisten die sterk afhankelijk zijn van de pieken in populatiedichtheden van muizen.

1.4.2 Migratie

Migratie is de seizoensgebonden beweging tussen verschillende leefgebieden. Bij alle soorten is sprake van migratie van mannetjes in het voorjaar, wanneer zij op zoek gaan naar vrouwtjes. Bij afwezigheid van voldoende prooidieren migreren zowel mannetjes als vrouwtjes naar andere gebieden. Ze kunnen dan een nomadische leefstijl aannemen. Door het nomadisch bestaan en het snel kunnen profiteren van gunstige voedselomstandigheden zijn gebieden die een migratiefunctie vervullen van groot belang voor kleine marterachtigen. Deze kunnen uit natuurlijke elementen bestaan zoals een houtwal met ondergroei of door mensen gebouwde elementen zoals schuttingen binnen de bebouwde kom. Deze elementen zijn dan van essentieel belang binnen het leefgebied van kleine marterachtigen.

1.4.3 Dispersie

Dispersie is de verspreiding van dieren die op zoek zijn naar een nieuwe vestigingsplaats. Vaak vindt dispersie plaats bij juvenielen of subadulten als ze zelfstandig zijn geworden en op zoek zijn naar een eigen leefgebied (actieve dispersie). Evenals de gebieden die een functie vervullen voor migratie, zijn gebieden die dispersie mogelijk maken van essentieel belang binnen het leefgebied van kleine marterachtigen. Daarnaast kan dit ook essentieel zijn voor de aanwezige populatie. Bij beperkte dispersiemogelijkheden of wanneer dit onmogelijk is, kunnen nieuwe gebieden namelijk niet (opnieuw) worden gekoloniseerd. Dit maakt de soorten gevoeliger voor regionale uitsterving.

De dispersie van de bunzing vindt plaats vanaf eind augustus tot en met oktober, met de hoogste piek in september. Voor de hermelijn en de wezel vindt de dispersie met name plaats tijdens juli en augustus. In een zeer goed muizenjaar kan de dispersie van het tweede nest van de wezel plaatsvinden in oktober.

1.5 Verspreiding en dichtheid

In deze paragraaf wordt de verspreiding en dichtheid aan meldingen van de bunzing, hermelijn en wezel weergegeven.

 

1.5.1 Bunzing

Figuur 1.4 geeft de waarnemingen weer van de bunzing in de periode 2012-2023 en 2018-2023. Het schaalniveau en de waarnemingsperiode waarop de kaart gebaseerd is, laten niet toe om op basis van deze kaart de aan- of afwezigheid van de soort in een concreet gebied aan te tonen. Uit de gegevens valt op te maken dat de bunzing verspreid over het vasteland is waargenomen, waarbij meer waarnemingen zijn gemaakt in met name waterrijke gebieden.

 

1.5.2 Hermelijn

Figuur 1.5 geeft de waarnemingen weer van de hermelijn in de periode 2012-2023 en 2018-2023. Het schaalniveau en de waarnemingsperiode waarop de kaart gebaseerd is, laten niet toe om op basis van deze kaart de aan- of afwezigheid van de soort in een concreet gebied aan te tonen. Uit de gegevens valt op te merken dat de hermelijn voorkomt op het vasteland en Texel, maar ook dat er duidelijk sprake is van een afname of zelfs het verdwijnen van waarnemingen in bepaalde regio’s op het vasteland. Uit de gegevens valt op te maken dat waarnemingen van de hermelijn met name zijn gemaakt in waterrijke gebieden.

1.5.3 Wezel

Figuur 1.6 geeft de waarnemingen weer van de wezel in de periode 2012-2023 en 2018-2023. Het schaalniveau en de waarnemingsperiode waarop de kaart gebaseerd is, laten niet toe om op basis van deze kaart de aan- of afwezigheid van de soort in een concreet gebied aan te tonen. Uit de gegevens valt op te merken dat de soort verspreid is over het gehele vasteland.

1.6 Populaties

Alle kleine marterachtigen zijn solitair levende dieren die elkaar alleen opzoeken tijdens het paarseizoen. Per soort kunnen meerdere ruimtelijk gescheiden of lokale subpopulaties in een gebied aanwezig zijn die met elkaar in verbinding staan waardoor uitwisseling van individuen plaats vindt. Dit wordt een metapopulatie genoemd. In een metapopulatie kunnen één of meerdere grotere populaties voorkomen, maar een metapopulatie kan ook bestaan uit een veelvoud aan kleine populaties die ieder op zich geen levensvatbare populatie zouden zijn. De uitwisseling van individuen tussen subpopulaties is dus van essentieel belang voor een metapopulatie. Iedere subpopulatie kan in het betreffende gebied tijdelijk uitsterven waarna het gebied later weer gekoloniseerd kan worden vanuit de andere subpopulaties waarmee het in contact staat. Hierdoor kunnen ook gebieden met suboptimaal leefgebied belangrijk zijn voor de populatie in zijn geheel. Verbindingen zijn hierbij essentieel voor de migratie en dispersie tussen gebieden. Een voorbeeld is weergegeven in figuur 1.7.