Algemene kenmerken
Uiterlijke kenmerken
Het konijn (Oryctolagus cuniculus) is een zoogdier met een lengte van 34 tot 45 centimeter (Smith et al., 2018) en een lichaamsgewicht van 1,2 tot 2,5 kilogram (Lange et al., 2003). Konijnen zijn doorgaans grijsbruin (zie figuur 1.1), maar rossige, zandkleurige, zwarte of grijze kleurvariaties komen ook voor, met name op de Waddeneilanden of in andere geïsoleerde populaties. De staart van een konijn is kort (4 tot 6 centimeter), donker van boven en wit van onder en wordt bij het lopen omhooggehouden. De gespierde achterpoten maken hoge snelheden mogelijk tot 50 à 60 kilometer per uur en hoge sprongen van 50 tot 70 centimeter. Ook is het konijn wendbaar, waardoor hij snel van richting kan veranderen en zo aan roofdieren kan ontsnappen.
Onderscheid met andere soorten
Het onderscheid met gedomesticeerde konijnen kan, zeker bij hybridisatie
, soms lastig zijn. Wilde konijnen zijn slanker, hebben een meer hoekige snuit en lijken atletischer. Tamme konijnen zijn vaak “ronder”, hebben een bredere kop, kortere snuit en zijn vaak molliger of zwaarder (tot 9 kilogram). De vacht van tamme konijnen heeft een grotere diversiteit in kleuren (zwart, wit of gevlekt) en in vachtlengte (kort- of, langharig of enkel langharig bij de kop (het ‘leeuwenkopje’)).
Tamme konijnen kunnen hangoren hebben of oren die in verhouding veel korter of juist extreem lang zijn.
Verwarring tussen konijnen en hazen is eveneens mogelijk, maar hazen zijn groter, hebben een hoekige kop en langere poten. De oren van een haas zijn een stuk langer (9 tot 12 centimeter) dan die van een wild konijn (6,5 tot 8 centimeter) en hebben donkere uiteinden. Wel heeft een konijn een dun donker randje rondom het oor aan de buitenzijde. Ook de positie van de staart is een opvallend verschil. De haas houdt zijn staart meestal omlaag, terwijl bij het konijn de witte onderzijde van de staart zichtbaar is.

Figuur 1.1: Een konijn in grasland (bron: buiten-beeld.nl).
Zintuigen
Het konijn heeft een uitstekend gehoor dankzij de grote oren die onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen en 180 graden naar buiten kunnen draaien. Het konijn kan hogere tonen waarnemen dan de mens. Dankzij de zijwaarts geplaatste ogen heeft het konijn een vrijwel volledig panoramisch zicht, met slechts een kleine dode hoek direct vóór en achter hem. De gezichtsscherpte is beperkt. Konijnen zijn vooral goed in het waarnemen van beweging. Snorharen van circa 7 centimeter compenseren het mindere zicht direct voor de neus van het konijn en werken als tast- en bewegingssensoren.
Leefwijze
Konijnen zijn vooral actief gedurende de schemering en de nacht en minder actief rond het middaguur. Dit kan enigszins verschillen, afhankelijk van seizoen (o.a. zonsopkomst en ondergang), de reproductiecyclus (Diez et al., 2005; Diez et al., 2013) en predatierisico (Descalzo et al., 2021). In de winter leven konijnen teruggetrokken om energie te besparen, maar ze houden geen winterslaap.
Konijnen kunnen zowel solitair als in groepsverband leven, waarbij het laatste de norm is. Uit een studie in Engeland bleek dat meer dan 89% van de mannelijke en 96% van de vrouwelijke konijnen onderdeel uitmaakten van een groep met tenminste één ander konijn van hetzelfde geslacht (Cowan & Bell, 1986). Een sociale groep bestaat doorgaans uit 1 tot 3 volwassen mannetjes en 1 tot 6 volwassen vrouwtjes (Bell, 2021), maar afhankelijk van de konijnendichtheid kan de verhouding tussen het aantal mannetjes en vrouwtjes anders zijn (Smith et al., 2018). Tussen de vrouwtjes kan genetische verwantschap bestaan, maar de groep bestaat niet uitsluitend uit nauw verwante familieleden. Er geldt een rangorde onder de konijnen.
Juveniele
dieren, die nog laag in de rangorde van de sociale groep staan, zwerven in het eerste levensjaar uit naar naburige groepen. Vooral jonge rammen, van rond de 5 maanden, verlaten vaak hun groep om op zoek te gaan naar nieuwe groepen. Het gaat dan in de regel om verplaatsingen van enkele honderden meters afstand (Cowan, 1991).
Verblijfplaatsen
Een sociale groep gebruikt één burcht met één of meerdere ingangen, vluchtpijpen en wentels. Hieronder worden de begrippen nader toegelicht. Bij hoge dichtheden kunnen jonge dieren bovengronds wonen.
Burchten
Konijnenburchten zijn ondergrondse gangenstelsels die bescherming bieden tegen predatie en weersinvloeden (zie figuur 1.2). Daarnaast bieden ze ruimte bieden voor voortplanting en ondersteunen ze de sociale structuur binnen een konijnengroep. Konijnenburchten variëren in grootte van enkele vierkante meters tot grote burchten van tientallen vierkante meters en kunnen tot wel 24 verschillende ingangen hebben (Rogers, et al., 1994). In open weilanden kunnen burchten bijvoorbeeld twee keer zo veel ingangen hebben als burchten in struikrijke gebieden (Palomares, 2003). In een burcht kunnen meerdere nestkamers aanwezig zijn. Deze liggen diep in de burcht onder de grond. Ze worden voorzien van gras, bladeren en haren om warmte te bieden.
Burchten kunnen pijpen en kamers hebben die verticaal tot een diepte van meer dan twee meter gaan, vanaf de ingang gemeten. Pijpen kunnen horizontaal wel 5 tot 10 meter vanaf de ingang doorlopen. In taluds kunnen pijpen vanaf de ingang ook naar boven lopen. Pijpen en kamers zullen nooit onder het grondwaterniveau aanwezig zijn.
Konijnen gebruiken voor burchten vaak locaties die goed vergraafbaar zijn en die meer dekking bieden en/of die droger zijn dan de omgeving. Burchten zijn dan ook vaak te vinden in duinen of in taluds van infrastructuur (wegen, spoorlijnen, dijken, etc.). Ze komen ook voor rondom en onder gebouwen, in leidingstroken of onder verharding waar al grondroering heeft plaatsgevonden of waar meer zandige grond is toegepast. In meer open gebieden, zoals stadsparken of begraafplaatsen, kunnen konijnen hun burchten goed verstoppen in dichte beplanting.
Ingangen hebben een diameter van minimaal 10 tot 15 centimeter en zijn staand-ovaal van vorm. Meer naar binnen toe vernauwd de pijp zich. Voor de ingangen ligt uitgeworpen grond in lange zandbanen, soms met een geul waar het konijn doorheen loopt. Burchten worden continu onderhouden, tunnels opnieuw uitgebouwd, gangen verbreed of ingangen aangepast. Voor een goede luchtkwaliteit in de burcht zijn er ventilatiegangen.

Figuur 1.2: Een konijnenburcht met verschillende ingangen (foto: Saxifraga-Hans Dekker).
Vluchtpijpen
Naast konijnenburchten met een gangenstelsel zijn er ook holen die bestaan uit een enkele pijp. Konijnen kunnen dergelijke pijpen binnen een uur graven. Deze worden vaak niet permanent bewoond en hebben geen voortplantingsfunctie, maar dienen als vluchtpijp waarin kan worden geschuild voor predatoren.
Wentels
Konijnen worden geboren en gezoogd in speciale nestkamers. Deze nestkamers kunnen in de hoofdburcht aanwezig zijn of als losse gang, een zogenoemde wentel, die in de omgeving van een burcht liggen. Wentels bestaan uit een korte gang van maximaal twee meter diep met aan het eind een nestkamer, die tijdelijk door één – vaak subdominant – vrouwtje wordt gebruikt om te kramen. De nestkamer wordt door het volwassen vrouwtje (hierna: de voedster) bekleed met gedroogd gras en wollig haar dat ze van haar eigen buik los gekrabd heeft. Ze maakt de ingang tot de nestkamer dicht met grond, soms vermengd met gras en bladeren, waardoor de toegang onzichtbaar wordt.
Voortplantingsgedrag
Een mannetjeskonijn noemt men een ram(-melaar); een vrouwtjeskonijn een voedster. De voedsters zijn geslachtsrijp rond 3 tot 5 maanden en rammen rond 4 tot 6 maanden, afhankelijk van voedsel en het type habitat, maar ze reproduceren vaak pas in het volgende voortplantingsseizoen.
Konijnen vormen geen vaste koppels en voedsters paren met meerdere rammen. De voortplantingsperiode, van paren, de zwangerschap en het zogen, loopt in West-Europa van januari tot augustus (Tablado et al., 2009) waarbij de start afhankelijk is van de weersomstandigheden. De draagtijd is 28 tot 30 dagen. Vanaf begin februari zijn jongen te verwachten. In uitzonderlijke gevallen worden al in januari nestjes gevonden, en aan het einde van de voortplantingsperiode; in september of oktober. In de maand december, voorafgaand aan de volgende voortplantingsperiode, bouwen konijnen extra reserves op. Deze voorbereiding verhoogt zowel de overlevingskansen van de jongen als die van de voedsters tijdens de eerste worp.
Wat betreft de voortplanting bestaat er een rangorde onder de mannelijke dieren met één dominant mannetje. Dominante rammen gedragen zich tijdens de voortplanting territoriaal, richting rammen uit andere burchten en subdominante rammen binnen de eigen groep.
Meerdere vrouwtjes in een sociale groep kunnen zich voortplanten. Ook onder de vrouwelijke dieren bestaat een rangorde, die vooral betrekking heeft op de toegang tot voedsel en de keuze van nestlocaties (m.n. veilige plekken in de burcht). De dominante voedster in de groep kraamt in de konijnenburcht. De subdominante voedsters kramen in wentels, omdat ze door de dominante voedster niet in de groepsburcht geduld worden als deze dominante voedster kraamt.
Konijnen krijgen 3 tot 4 nestjes per jaar. Een worp bestaat uit gemiddeld 5 jongen (Tablado et al., 2009). Direct na de bevalling kan de volgende paring en bevruchting plaatsvinden.
De jongen worden kaal, doof en blind geboren en zijn daarmee zogenaamde nestblijvers. Jongen houden elkaar warm in de nestkamer. De voedster zorgt enkel voor warmte door de nestkamer te voorzien van gras en haren.
Zooggedrag
De voedster bezoekt haar jongen doorgaans één keer per dag, meestal aan het einde van de nacht of in de vroege ochtend, om hen dan gedurende enkele minuten te zogen. In een later stadium verschuift dit moment geleidelijk naar het begin van de nacht. Het zooggedrag bij een nestkamer in een burcht lijkt niet af te wijken van het zooggedrag bij een nest in een losse wentel. Na het zogen verlaat de voedster het nest en sluit zij de nestkamer zorgvuldig af door de aarde aan te drukken. Vanaf een leeftijd van ongeveer acht dagen beginnen de jongen naast melk zichzelf te voeden door te knagen aan het nestmateriaal. Dit is door de voedster aangevoerd groenvoer zoals gras en bladeren, maar ook achtergelaten keutels. Op deze manier krijgen zij de darmbacteriën binnen die noodzakelijk zijn voor de vertering van plantaardig voedsel.
Rond de 10e levensdag verandert het zooggedrag: de voedster opent de ingang van de pijp die naar de nestkamer leidt, positioneert zich boven de ingang van de burcht of wentel en zoogt de jongen daar. Na ongeveer drie minuten vertrekt zij, waarna de jongen terugkruipen in het nest en de voedster de opening opnieuw afsluit. Vanaf 11 tot 12 dagen verlaten de jongen voorafgaand aan het zogen het nest en wachten zij de voedster bij de (afgesloten) ingang op, waarop de voedster de ingang opent. Na het zogen urineren zij en kruipen weer diep in de nestkamer of wentel. Wanneer de jongen ongeveer drie weken oud zijn, beginnen ze de directe omgeving te verkennen. In deze fase laat de voedster de nestkamer of wentel na het zogen steeds vaker open.
Zelfstandig
Na ongeveer 28 dagen wordt er niet meer gezoogd (Hudson et al., 1996) en zijn de jongen zelfstandig in het zoeken naar voedsel (Van Diepenbeek, 2021). Ze zijn nog wel afhankelijk van de sociale groep, bijvoorbeeld voor het leren kennen van de omgeving en het leren vluchten voor gevaar.
Levensverwachting
Konijnen kunnen tot acht jaar oud worden. Veel jongen sterven echter al in het eerste jaar. Het percentage jongen dat vóór het einde van de zoogperiode in het nest al sterft was bij een onderzoek in Duitsland 32%. Oorzaken waren ondervoeding, overstromingen, onderkoeling of predatie, maar ook concludeerden de onderzoekers dat een groot deel van de sterfte niet goed verklaard kon worden (Rödel et al., 2009).
Tittensor en Lloyd (1983) ontdekten dat van jonge konijnen tot aan de eerste reproductie minder dan 10% kans hebben om te overleven. De overlevingskans van jonge konijnen is sterk afhankelijk van klimaat, weer en ziekten (Rödel & Von Holst, 2008; Rödel & Dekker, 2012; Calvete et al., 2004; Dekker & Van Norren, 2021). Strenge winters, langdurige neerslag of extreme droogte kunnen hier een directe invloed op hebben. Wanneer dieren dit eerste jaar overleven, bereiken voedsters gemiddeld een leeftijd van 2,6 jaar. Voor rammen ontbreekt deze kennis.
Ook de overlevingskansen van volwassen konijnen (die zich hebben kunnen voortplanten) zijn door virusziekten fors teruggelopen. Een studie toont bijvoorbeeld dat in Portugal 80% van de populatie zes weken na een uitbraak van RHD (Rabbit Hemorrhagic Disease) was gestorven (Ruiz et al., 2023).
Leefgebied
Konijnen leven in gebieden met droge en zandige bodems die goed vergraafbaar zijn voor het maken van burchten. Konijnen mijden vochtige terreinen. Alhoewel het konijn primair voorkomt op de hoge zandgronden, heeft de soort zich kunnen verspreiden over vrijwel heel Nederland. In open polderlandschap, waar de grondwaterstand hoog is, ontbreekt het konijn veelal. Door drainage van voorheen natte gebieden en door bouwprojecten waarbij grote zandlichamen zijn aangelegd, kunnen deze gebieden voor konijnen toch bruikbaar worden (Drees, 1992; Dekker & Drees, 2016).
Omvang en gebruik van het leefgebied van een sociale groep
Konijnen blijven doorgaans binnen een straal van 200 meter rondom hun burchten, omdat zij dicht bij de burcht foerageren (Dekker, 2007; Schäfers et al., 2016). Ze gebruiken vaak dezelfde looppaden, zogenoemde wissels, voor hun dagelijkse verplaatsingen. Konijnen kennen geen seizoensgebonden migraties.
De omvang van het leefgebied
van een sociale groep
loopt uiteen van 1 tot 10 hectare, maar kan groter zijn tijdens het voortplantingsseizoen (Devillard et al., 2008; Daniels et al., 2003; Stott, 2003; Santilli et al., 2014). Ook in gefragmenteerde, suboptimale habitats kunnen de leefgebieden groter zijn dan 10 ha (Santilli et al., 2010). In optimaal, voedselrijk habitat kunnen leefgebieden van een groep daarentegen heel klein zijn. Couro (et al., 2019) laat zien dat home ranges kleiner worden als je extra voedsel toevoegt. In een studie in Wageningen waren de functionele leefgebieden van drie sociale groepen kleiner dan 0,5 ha (Dekker et al., 2006). Niet alleen was het habitat optimaal, ook waren de konijnendichtheden laag, waardoor er geen competitie was tussen de konijnen. Bij populaties met gemiddelde konijnendichtheden, in habitat van gemiddelde kwaliteit, is het leefgebied doorgaans 2 tot 10 hectare (Moseby et al., 2005; Stott, 2003; Hulbert et al., 1996; Daniels et al., 2003).
Leefgebieden van sociale groepen zijn niet strak afgebakend en kunnen aan de randen deels overlappen met die van andere groepen. Burchten van verschillende sociale groepen kunnen dicht bij elkaar liggen. De uitzwervende (dispergerende) jongen van deze groepen kunnen worden opgenomen in een andere sociale groep. Konijnen kunnen territoriaal gedrag vertonen en hun eigen leefgebied afbakenen met geurmerken.
Voedsel
Konijnen foerageren in de regel in de buurt van hun burcht. Door bij herhaling op dezelfde plekken te foerageren en daardoor te voorkomen dat de vegetatie doorschiet en houtiger wordt, zorgen ze er zelf voor dat er jaarrond jong eiwitrijke vegetatie beschikbaar blijft in de directe omgeving van hun burcht. Dit wordt ook wel ‘facilitatie’ genoemd. Konijnen kunnen lokaal, vooral bij hoge populatiedichtheden, een aanzienlijke invloed hebben op de vegetatie. Ze kunnen ervoor zorgen dat de vegetatiestructuur laag blijft en verstruweling in duingebieden vertraagd (Olff & Boersma, 1998). Konijnen worden gerekend tot de ‘kleine grazers’. Konijnen kunnen eenmaal verruigde gebieden, niet goed meer ontdoen van deze hogere en houtige begroeiing, waarmee het gebied zijn functie als foerageergebied en daarmee als leefgebied voor het konijn verliest. Konijnen hebben daarom vaak baat hebben bij andere grazers, zoals schapen, zolang er geen voedselconcurrentie optreedt.
Het konijn is een selectieve herbivoor. Het voedsel bestaat vooral uit kruiden (zoals paardenbloem, klaver en madelief) en grassen (zwenkgras, Engels raaigras, veldbeemdgras) en ze kiezen hierbij voor eiwitrijk en goed verteerbare plantensoorten en -delen. Celluloserijk oud gras, duinriet en heide zijn slechter verteerbaar en worden zo mogelijk vermeden. In de winter, bij gebrek aan kruidachtige planten of bij sneeuw, worden houtachtige planten geschild, waarbij de bast van wilg en populier favoriet zijn. In deze periode worden ook wortels van planten en knollen opgegraven en gegeten.
Konijnen eten een deel van de eigen (zachte) keutels, de zogenoemde blindedarmkeutels of caecotrofen, zodat door darmflora vrijgemaakte energie, vitaminen en animozuren kunnen worden benut.
In landbouwgebied en moestuinen worden ook geteelde gewassen gegeten, zoals bijvoorbeeld bladeren van wortel, (suiker-)biet, pastinaak en diverse koolsoorten. Van de wortel wordt naast het blad ook vaak de hele wortel uitgegraven en gegeten. Konijnen eten ook bladgroenten (zoals spinazie, sla, boerenkool en andijvie) en peulvruchten zoals erwten, bonen en veldbonen. Ook jonge scheuten en zaailingen van granen zoals tarwe, gerst, haver en rogge staan op het menu. Daarnaast eten ze zaailingen van houtachtige planten. Aan jonge bladeren en scheuten van maïs en zonnebloemen wordt eveneens geknaagd.
Doordat het konijn gewassen in akkerland, boomteelt en kwekerijen op het menu heeft staan en aanzienlijke schade kan veroorzaken, is het voor de terreineigenaar mogelijk om maatregelen in te zetten om konijnen te weren. Deze maatregelen zijn opgenomen in de ‘Faunaschade Preventie Kit (FPK) voor haasachtigen’.
Dekking
Konijnen zijn voor hun voedsel afhankelijk van lage vegetatie en daardoor in zekere mate van openheid in het landschap (zie paragraaf 1.2.2). Toch is ook hogere vegetatie in de buurt van de burchten van waarde (Palomares, 2003; Calvete et al., 2006; Gálvez et al., 2008; Santilli, Bagliacca & Paci, 2014). Dekkinggevende vegetatie beperkt namelijk niet alleen de blootstelling aan predatoren, maar ook aan wind, neerslag en temperatuurextremen (Wallage-Drees & Deinum, 1988). Daarom vestigen dieren soms burchten in (stekelige) struwelen. Onderzoek laat zien dat in gebieden met meer dekking het leefgebied van een groep kleiner en het ruimtegebruik efficiënter is (Lombardi et al., 2007). De aanwezigheid van ruigte, hoog gras, struweel en andere structuurrijke begroeiing beïnvloedt dus de overlevingskans, het foerageergedrag en de grootte van het leefgebied van één groep en het gebruik van het terrein. Dit is met name het geval in open landschappen zoals duinen, graslanden en agrarische gebieden (Lombardi et al., 2007; Olff & Boersma, 1998). Landschappen waarin open foerageerplekken worden afgewisseld met ruigte en struweel ondersteunen doorgaans hogere dichtheden en stabielere populaties dan homogeen open terreinen (Olff & Boersma, 1998; Lombardi et al., 2007). Overgangszones tussen graslanden en bosschages zijn daarmee optimaal leefgebied voor het konijn (Rogers, 1981, Calvete et al., 2004; Flux, 2008; Scheppers & Casaer, 2008). In zeer open gebieden, zoals op de Maasvlakte of in open duinlandschap, maken konijnen door het gebrek aan dekking meer gebruik van vluchtpijpen.
Barrières in het landschap
Druk bereden wegen, bebouwing of ingegraven fijnmazige hekwerken (met een maaswijdte van minder dan 5 centimeter) van ongeveer een meter of hoger vormen belangrijke barrières voor het konijn. Konijnen kunnen incidenteel over hekken klimmen, maar deze vormen doorgaans wel een barrière.
Smalle watergangen tot ongeveer een meter breed kunnen door konijnen worden overgesprongen, behalve als dichte vegetatie dit belemmert. Konijnen kunnen zwemmen, maar zullen dit het liefste vermijden. Watergangen, met name met steile, beschoeide en/of dichtbegroeide oevers kunnen een belemmering zijn, waarbij verdrinking een risico vormt.
Verspreiding en aantalsontwikkeling
Verspreiding
Het konijn is een soort met een grote verspreiding in Nederland. Vrijwel overal waar wordt voorzien in de habitateisen van het konijn komt de soort voor. Dit kan zowel int buitengebied als in stedelijk gebied zijn (zie figuur 1.3).

Figuur 1.3: Waarnemingen van het wilde konijn (in blauw en rood) per atlasblok, een gebied ter grootte van 5 bij 5 km (bron: Nationale Databank Flora en Fauna, NDFF Verspreidingsatlas 2026). NB: Is een gedomesticeerd konijn waargenomen in een atlasblok, dan is dat blok geel gearceerd. Dit sluit echter de aanwezigheid van wilde konijnen niet uit.
Konijnendichtheden
Schommelingen in de populaties
Door hun uitzonderlijk hoge reproductiepotentieel kunnen populaties snel toenemen in aantallen. De soort wordt gekenmerkt door een lange voortplantingsperiode, een korte draagtijd, grote worpen en vruchtbaarheid direct na het werpen van de jongen waardoor er de mogelijkheid is om meerdere worpen per jaar groot te brengen. Dit draagt bij aan een potentiële snelle populatiegroei. Het hoge reproductiepotentieel vormt ecologisch gezien waarschijnlijk een aanpassing aan hun positie als prooidier. Ziekten, predatie en andere drukfactoren kunnen de snelle toename van konijnen echter ook weer laten omslaan in abrupte afnames waarbij het konijn lokaal volledig verdwijnt. Dichtheden en groepsgroottes zijn daarom onderhevig aan sterke schommelingen (zie paragraaf 1.1.6 en 1.4).
Variatie in konijndichtheden tussen gebieden
Er blijken grote verschillen te bestaan in gemiddelde dichtheden van konijnenpopulaties tussen landen en tussen landschappen. De hoogste dichtheden worden gevonden daar waar een combinatie van factoren optimaal is: dekking tegen predatoren, voldoende voedsel, afwezigheid van ziekten en een goede bodemgesteldheid om burchten in te bouwen. Dichtheden variëren afhankelijk van de voldoende aan- of afwezigheid van deze factoren (Lees & Bell, 2008; Villafuerte & Moreno, 1997).
Tussen verschillende deelstaten in Duitsland varieerden de gemiddelde aantallen van minder dan 1 tot 12 konijnen per km² (Arnold et al., 2013; Arnold et al., 2016). Echter specifiek voor konijn kunnen er lokaal grote verschillen zijn tussen bijvoorbeeld agrarisch (80 konijnen per km²), voorstedelijk (850 dieren per km²) en stedelijk gebied (bijna 1500 dieren per km²) aldus Ziege et al., 2013.
Schattingen over dichtheden in Nederland zijn niet bekend, maar die zullen ook sterk wisselen tussen gebieden. Ter Harmsel et al. (2022) gebruikt daarom een referentiedichtheid met een ondergrens van 100 konijnen en een bovengrens van 300 konijnen per vierkante kilometer, beiden in optimaal habitat.
Belang van genetische uitwisseling
Genetische uitwisseling is van belang voor de duurzame levensvatbaarheid van de soort in een gebied. Gezien de grootte van een enkele sociale groep is een geïsoleerde groep te klein om duurzaam levensvatbaar te zijn. Het is daarom van belang dat meerdere sociale groepen in een gebied met elkaar in verbinding staan, zodat uitwisseling van individuen plaatsvindt. Om uitwisseling tussen sociale groepen, doorgaans door dispergerende jonge konijnen, mogelijk te houden, mogen er geen grote barrières en afstanden aanwezig zijn. Voor een maximale afstand tussen de groepen kan uit worden gegaan van circa 500 meter.
Een geïsoleerde populatie, bestaande uit meerdere sociale groepen konijnen, moet voldoende groot zijn om zowel genetisch als demografisch stabiel te blijven. Hoe groot een geïsoleerde populatie minimaal moet zijn om duurzaam levensvatbaar te zijn, is voor konijnen niet bepaald (zie bijlage 2: Kennislacunes).
Aantalsontwikkeling
Ondanks het feit dat het konijn algemeen voorkomt, zijn er toch zorgen over de aantallen. Het konijn staat sinds 3 november 2020 als ‘gevoelig’ gekenmerkt op de Nederlandse Rode Lijst van Zoogdieren. Het konijn is op de Rode Lijst opgenomen omdat de populatie weliswaar nog in vrijwel heel Nederland voorkomt, maar sinds de jaren 1950 sterk in aantal is afgenomen (Dekker & Van Norren, 2021). Deze afname is in heel West-Europa te zien (Smith et al., 2005). Wageningen Environmental Research (hierna: WENR) heeft in 2022, in opdracht van het toenmalige ministerie van LNV, onderzoek gedaan naar de staat van instandhouding
van het konijn. Deze bleek zeer ongunstig te zijn. Sinds 1994 laat het konijn een negatieve populatietrend zien van gemiddeld 1,8% per jaar (Ter Harmsel et al., 2022).
Populatietrends worden in Nederland in opdracht van de landelijke overheid vastgesteld binnen het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), door de Zoogdiervereniging, SOVON en het Centraal Bureau voor de Statistiek. Vanaf 1997 geeft het NEM landelijke trends van de populaties van haas en konijn in het meetprogramma NEM Dagactieve Zoogdieren. Bij het konijn is sinds deze tellingen een landelijke neerwaartse trend te zien in de periode tot 2003. Hierna krabbelt de populatie weer op. De situatie is na 2014 weer verslechterd (zie figuur 1.4).

Figuur 1.4: Populatietrend konijn (1997-2023) (bron: NEM, 2024).
Drukfactoren
Om te achterhalen waarom de populatie afneemt, is het relevant om alle belangrijke factoren in beeld te brengen die zorgen voor deze dalende aantallen. De achteruitgang van het konijn in de afgelopen decennia is met name het gevolg van infectieziekten. Lokaal kunnen ook habitatkwaliteit en in mindere mate predatie en jacht (Koopmans et al., 2024; Olff & Boersma, 1998; Bijlsma, 2004) van invloed zijn op populatie-aantallen.
Ziekten
Infectieziekten hebben een sterke, directe en soms plotselinge impact op konijnenpopulaties. Myxomatose, wat opdook in Europa in de jaren 1950, veroorzaakte aanvankelijk massale sterfte (Wallage-Drees, 1988). Later werd dit gevolgd door RHD (Rabbit Hemorrhagic Disease), die in verschillende golven populaties decimeerde.
Myxomatose
Myxomatose is een ziekte die wordt veroorzaakt door het Myxoma-virus en wordt overgedragen door vlooien. Bij Europese konijnen bleek de infectie extreem dodelijk: sterftepercentages van meer dan 90% werden gerapporteerd. De hoge mortaliteit werd niet alleen veroorzaakt door de ziekte zelf, maar ook door secundaire effecten zoals verhongering, predatie of verdrinking. De aandoening leidt namelijk tot gezwellen rond de ogen en de mond, waardoor de dieren beperkt worden in hun zicht en voedselopname. Sinds de introductie van myxomatose in Europa in 1954 zijn konijnenpopulaties sterk teruggelopen. In de daaropvolgende decennia nam de kracht van het virus af en ontwikkelden populaties deels immuniteit tegen de ziekte (Thompson & King, 1994; Elsworth et al., 2014).
Rabbit Haemorrhagic Disease (RHD), variant 1 en 2
RHD wordt veroorzaakt door een calicivirus en leidt bij geïnfecteerde konijnen tot interne bloedingen, koorts en in veel gevallen acute sterfte. Het wordt verspreid via insecten, direct contact en lichaamsvloeistoffen zoals speeksel, urine en uitwerpselen.
In Nederland zijn tot nu toe twee varianten van het virus vastgesteld. RHDv-1 werd voor het eerst gesignaleerd in 1990 (Siebenga, 1991) en veroorzaakt vooral sterfte bij volwassen dieren, terwijl jonge konijnen tot ongeveer drie maanden veel minder gevoelig zijn en deels via de voedster immuniteit kunnen opdoen. Ongeveer twintig jaar na de eerste uitbraak van RHDv-1 namen konijnenpopulaties geleidelijk weer toe, met name in open landschappen (Van Strien et al., 2011).
In 2015 werd een tweede variant, RHDv-2, voor het eerst vastgesteld in Nederland (IJzer et al., 2016). In tegenstelling tot RHDv-1 zijn bij deze variant ook jonge dieren gevoelig (Capucci et al., 2017) en konijnen die resistentie hadden opgebouwd tegen RHDv-1 bleken geen bescherming te hebben tegen RHDv-2 (Peacock et al., 2017). Dit leidde daarom opnieuw tot een aanzienlijke afname van de populaties.
Bij het effect van uitbraken op de populatie speelt ook de initiële dichtheid van de populatie een grote rol: in populaties die vóór het verschijnen van het virus een hogere dichtheid hadden, was de afname door RHDv-1 minder sterk (Olff & Boersma, 1998).
Recente situatie
Tegenwoordig komt RHDv-2 in de Nederlandse kustduinen het meeste voor (Dekker et al., 2022). Voor het binnenland is dit niet bekend. Ook myxomatose kan lokaal nog steeds een rol spelen in de afname van populaties. Hoewel konijnen immuniteit tegen beide ziekten kunnen ontwikkelen (Bijlsma, 2004), blijven ziektes een belangrijke demografische druk vormen. Voor beide ziekten zijn vaccins beschikbaar, maar doordat het jaarlijks vangen en vaccineren van wilde konijnen niet werkbaar en bovendien erg stressvol voor konijnen is, blijven ziekten één van de belangrijkste drukfactoren.
Habitatkwaliteit
Hoewel konijnen een breed dieet hebben, zijn ze gevoelig voor veranderingen in voedselkwaliteit en -hoeveelheid, vooral in de winter. Het verlies van jaarrond aanwezig voedsel door extensief beheer en anderzijds juist de omvorming naar monoculturen kan de overlevingskansen van konijnen verminderen (Wallage-Drees & Deinum, 1988). Konijnen hebben daarnaast indirect te lijden van de hoge stikstofdepositie. Hierdoor is de vegetatie op veel plaatsen sneller gaan groeien, worden plekken met lage vegetatie steeds kleiner en is de kwaliteit van het beschikbare voedsel voor de konijnen (Dekker & Drees, 2016). Ook door het verdwijnen van struweel, met name in agrarisch landschap, neemt de kwaliteit van habitat af. Er is minder dekking in het leefgebied aanwezig waardoor ook de mogelijkheden van dispersie
en genetische uitwisseling tussen verschillende populaties afnemen. Dat laatste wordt nog versterkt door de toegenomen versnippering door hekwerken, wegen en bebouwing.
Naast bovenstaande effecten, heeft ook een uitbraak van myxomatose of RHD gevolgen voor verlies van kwaliteit van de leefomgeving (Drees et al., 2007; Dekker et al., 2022). Als een populatie sterk afneemt, kunnen konijnen de vegetatie niet meer kort houden en krijgen struiken en bomen de overhand (zie paragraaf 1.2.2). Open plekken met lage eiwitrijke vegetatie worden minder beschikbaar, waardoor de populaties lijden onder voedselgebrek (Dekker et al., 2022; Van der Hagen, 2022). Als een konijnenpopulatie door ziekten uit een gebied is verdwenen en de vegetatie ongeschikter wordt, belemmert dit de herkolonisatie van dit oorspronkelijke leefgebied door andere konijnen.
Door de afname van het aantal konijnen in de afgelopen decennia, ontstaan er ‘eilandjes’ van groepen konijnen in bijvoorbeeld de kustduinen, op binnenlandse zandgronden en in stedelijk gebied. In de kustduinen heeft deze isolatie aantoonbaar al geleid tot genetische differentiatie tussen populaties, al werden er nog geen tekenen van inteelt gevonden (Dekker et al., 2022). Toch zijn er wel zorgen, omdat de afstanden tussen de resterende groepen groter zijn geworden dan de bekende dispersieafstand van jonge konijnen. Genetische verarming en inteelt wordt daarom gezien als een risico.
Predatie
Met name vossen (zie figuur 1.5), dassen, roofvogels, marters en (huis)katten prederen vooral jonge konijnen en dieren in open terrein zonder voldoende dekking. Studies in Europese habitats laten zien dat predatie een belangrijke mortaliteitsfactor is en dat de impact toeneemt in gebieden met beperkte vegetatieve dekking (Lombardi et al., 2007). Onduidelijk is echter of predatie een mede-veroorzaker is van de achteruitgang van het konijn in Nederland en daarmee een drukfactor vormt op de populatie. Wallage-Drees (1988) gaf aan dat predatie geen drukfactor is bij hoge dichtheden van konijnen. Bij lage dichtheden kan predatie dit mogelijk wel zijn: een zogenaamde ‘predator pit’. Dit betekent dat predatoren de populatie zo laag houden dat deze zich niet goed kan herstellen. Het effect van predatie wordt ook versterkt wanneer populaties al door ziekten of voedselbeperkingen verzwakt zijn. Om uit deze predator pit te komen, is een externe impuls nodig, zoals het bijplaatsen van dieren of predatiebeheer (Pech, 1992; Marchandeau et al., 2000; Guerrero-Casado et al., 2016).

Figuur 1.5: Een vos met een gevangen konijn in de bek (bron: buiten-beeld.nl).
Jacht
Net als natuurlijke predatie kan ook jacht door de mens leiden tot het verdwijnen van individuele konijnen uit een populatie. Jacht kan daarmee de lokale dichtheid verlagen. Uit recente beleids- en populatiestudies blijkt dat jacht niet de primaire oorzaak is van de landelijke achteruitgang van konijnenpopulaties, die vooral wordt gedreven door ziekten, verlies van habitatkwaliteit en veranderingen in vegetatiestructuur (Dekker & Van Norren, 2021; Koopmans et al., 2024; Weterings et al., 2023).
Vanwege sterk dalende populaties en opname op de Rode Lijst is de reguliere jacht op het konijn vanaf 2022 in heel Nederland gesloten. Omdat het konijn op de landelijke vrijstellingslijst staat, is bestrijding ter voorkoming van schade nog wel toegestaan. Dit geldt alleen als in de betreffende provincie een goedgekeurd faunabeheerplan is vastgesteld.