Warning: For the most recent and accurate version of this document, visit BIJ12.nl

Kennisdocument Konijn

Oryctolagus cuniculus

Gepubliceerd op: 21 juli 2026 Inhoudelijk gewijzigd op: 21 juli 2026

Leeswijzer

Dit document is opgebouwd uit vier inhoudelijke hoofdstukken die los van elkaar, maar ook in samenhang met elkaar te lezen zijn. Afhankelijk van uw primaire vraag kunt u direct door naar één van deze vier hoofdstukken en zo nodig kunt u teruggrijpen op één van de andere hoofdstukken. Hieronder lichten we de inhoud per hoofdstuk toe.

Hoofdstuk 1: Ecologische informatie

Wilt u meer weten over het konijn als diersoort, dan vindt u in hoofdstuk 1 inhoudelijke ecologische informatie. Hier leest u bijvoorbeeld informatie over het type leefgebied waarin konijnen leven.

Hoofdstuk 2: Het konijn en flora- en fauna-activiteiten

Het wilde konijn is beschermd onder de Omgevingswet. Alle activiteiten die direct of indirect leiden tot negatieve effecten op konijnen zijn verboden. Welke verbodsbepalingen er in de Omgevingswet gelden voor het konijn, en bij welk type activiteiten die kunnen worden overtreden, wordt in hoofdstuk 2 beschreven.

Hoofdstuk 3: Ecologisch onderzoek

Bent u vooral geïnteresseerd in welk ecologisch onderzoek u op welk moment moet (laten) uitvoeren om aan de vereisten vanuit de soortbescherming te voldoen, dan start u met hoofdstuk 3. Hierin staat onder meer beschreven op welke wijze u de aan- of afwezigheid van konijnen kunt aantonen.

Hoofdstuk 4: Mogelijke maatregelen

Hoofdstuk 4 geeft voorbeelden van maatregelen ten gunste van het konijn die u bij uw activiteiten kunt nemen. Het nemen van één of meerdere van deze maatregelen stelt u in staat om negatieve effecten van uw activiteiten op konijnen geheel of zoveel mogelijk te voorkomen. Hiermee voorkomt u mogelijk een overtreding van de Omgevingswet. Wanneer een overtreding niet te vermijden is, kunnen dit maatregelen zijn om in aanmerking te komen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.

Hoofdstuk 5: Bronnen

De in het kennisdocument gebruikte bronnen zijn opgenomen in hoofdstuk 5.

Bijlage 1: Begrippenlijst

De begrippenlijst geeft een overzicht van de betekenis van enkele termen in dit kennisdocument.

Bijlage 2: Overzicht van kennislacunes

Het kennisdocument Konijn is een verzameling van kennis, inschattingen en ervaringen van experts zoals deze beschikbaar was in de eerste helft van 2026. Tijdens de totstandkoming zijn enkele kennislacunes geïdentificeerd. Deze zijn in bijlage 2 opgenomen.

Inleiding

Waarom het kennisdocument?

Het wilde konijn (Oryctolagus cuniculus) is een beschermde diersoort waarvoor verbodsbepalingen gelden op grond van de Omgevingswet. Op gehouden of ontsnapte tamme konijnen (Oryctolagus cuniculus domesticus) is de Omgevingswet (en dit kennisdocument) nadrukkelijk niet van toepassing. Dit kennisdocument bundelt actuele en relevante informatie over het wilde konijn (hierna: het konijn) in relatie tot deze beschermde status. Het document dient als hulpmiddel om ecologische kennis van de soort toe te passen bij het voldoen aan de juridische vereisten die gelden voor ruimtelijke activiteiten met mogelijke effecten op het konijn.

Het doel van dit kennisdocument is om informatie te leveren die relevant is voor het bepalen van effecten van ruimtelijke activiteiten op het konijn en hun leefgebied en het minimaliseren van negatieve effecten. De focus van dit kennisdocument ligt op ruimtelijke activiteiten die negatieve effecten hebben op (de leefomgeving van) beschermde soorten, zoals bijvoorbeeld sloop, renovatie of bouw van gebouwen, het aanpassen van de vegetatie, aanpassingen in de infrastructuur of het plaatsen van verlichting.

Wat kunnen gebruikers ermee?

De twee voornaamste doelgroepen van het kennisdocument zijn de ecologische adviseurs van initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten en de bevoegde gezagen. Ecologische adviseurs kunnen het kennisdocument gebruiken bij het beoordelen van effecten van ruimtelijke activiteiten, het mitigeren hiervan en het voorbereiden van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag kan informatie uit het kennisdocument gebruiken bij de beoordeling van omgevingsvergunningsaanvragen, afgifte van advies met instemming of handhaving. Het kennisdocument is samen met het specifieke beleid van het bevoegde gezag, te gebruiken voor omgevingsvergunningen en vrijstellingen. Kennisdocumenten kunnen toegepast worden bij activiteiten in elke provincie en bij activiteiten die onder bevoegd gezag van het Rijk vallen.

Samenhang met andere instrumenten

Het kennisdocument werkt nader uit wat getoond wordt in de Beschermde Soortenindicator. Deze indicator is een internetapplicatie van een verwachtingskaart waarin opgevraagd kan worden welke beschermde soorten er mogelijk aanwezig zijn op de locatie waar de activiteiten plaatsvinden. Ook kan hierin worden opgevraagd wat de verwachte negatieve effecten op de soorten zijn.

De kennisdocumenten moeten niet verward worden met door de minister goedgekeurde en landelijk toe te passen gedragscodes. In een gedragscode staat voor welke activiteiten en voor welke organisatie een vrijstelling van een vergunning geldt. Kennisdocumenten verlenen geen vrijstelling van een vergunningplicht.

Is afwijken van het kennisdocument mogelijk?

Dit kennisdocument is tot stand gekomen op basis van de meest recente kennis, literatuur en expertise. Aan de hand hiervan zijn de onderzoeksmethoden, maatregelen ten gunste van de soort en overige richtlijnen geformuleerd. In de vergunningprocedure wordt vaak getoetst aan de uitvoering en invulling van deze aspecten. Het is daarbij van belang om te benadrukken dat een kennisdocument een informatiedocument voor een specifieke soort betreft en de geformuleerde richtlijnen in dit document niet als enige oplossing moeten worden beschouwd. Dat wil zeggen dat er beargumenteerd van afgeweken kan worden, bijvoorbeeld van de voorgestelde onderzoeksprotocollen of maatregelen, mits een gedegen ecologische en soort specifieke en/of een project specifieke onderbouwing gegeven wordt. Dit kan gebaseerd zijn op bijvoorbeeld wetenschappelijke en peer-reviewed literatuur, (monitorings-)data die representatief zijn voor de gegeven situatie en/of modelmatige berekeningen.

Vragen of reageren

Heeft u vragen of suggesties? Stuur een e-mail naar kennisdocumenten@bij12.nl. Voor inhoudelijke vragen over bijvoorbeeld de uitvoering van de Omgevingswet of beoordeling van een aanvraag, kunt u contact opnemen met de desbetreffende provincie of de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO).

Versie

Het kennisdocument Konijn 2026 is een nieuw kennisdocument en vormt de eerste landelijke leidraad voor de aanpak rondom activiteiten die invloed hebben op konijnen door ruimtelijke ontwikkelingen. Deze versie van het kennisdocument is een doorontwikkeling van het Toetsingskader Konijn van de Provincie Utrecht (2024) en is tot stand gekomen op basis van inhoudelijke (ecologische) kennis en in samenspraak met diverse experts, vertegenwoordigers van zes provincies en een vertegenwoordiger van RVO.

Disclaimer

Het kennisdocument geeft informatie over maatregelen om effecten te minimaliseren of te compenseren, maar verleent de initiatiefnemer die daar gebruik van wil maken geen omgevingsvergunning. Het is de keuze en verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om met behulp van een ecologisch deskundige de maatregelen, eventueel aan de hand van het kennisdocument, te formuleren en tijdig correct uit te voeren ter voorkoming van overtredingen. Wanneer een verbodsbepaling overtreden wordt, moet er altijd een juridische toestemming worden verkregen.

Het konijn

Algemene kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Het konijn (Oryctolagus cuniculus) is een zoogdier met een lengte van 34 tot 45 centimeter (Smith et al., 2018) en een lichaamsgewicht van 1,2 tot 2,5 kilogram (Lange et al., 2003). Konijnen zijn doorgaans grijsbruin (zie figuur 1.1), maar rossige, zandkleurige, zwarte of grijze kleurvariaties komen ook voor, met name op de Waddeneilanden of in andere geïsoleerde populaties. De staart van een konijn is kort (4 tot 6 centimeter), donker van boven en wit van onder en wordt bij het lopen omhooggehouden. De gespierde achterpoten maken hoge snelheden mogelijk tot 50 à 60 kilometer per uur en hoge sprongen van 50 tot 70 centimeter. Ook is het konijn wendbaar, waardoor hij snel van richting kan veranderen en zo aan roofdieren kan ontsnappen.

Onderscheid met andere soorten

Het onderscheid met gedomesticeerde konijnen kan, zeker bij hybridisatie , soms lastig zijn. Wilde konijnen zijn slanker, hebben een meer hoekige snuit en lijken atletischer. Tamme konijnen zijn vaak “ronder”, hebben een bredere kop, kortere snuit en zijn vaak molliger of zwaarder (tot 9 kilogram). De vacht van tamme konijnen heeft een grotere diversiteit in kleuren (zwart, wit of gevlekt) en in vachtlengte (kort- of, langharig of enkel langharig bij de kop (het ‘leeuwenkopje’)).
Tamme konijnen kunnen hangoren hebben of oren die in verhouding veel korter of juist extreem lang zijn.

Verwarring tussen konijnen en hazen is eveneens mogelijk, maar hazen zijn groter, hebben een hoekige kop en langere poten. De oren van een haas zijn een stuk langer (9 tot 12 centimeter) dan die van een wild konijn (6,5 tot 8 centimeter) en hebben donkere uiteinden. Wel heeft een konijn een dun donker randje rondom het oor aan de buitenzijde. Ook de positie van de staart is een opvallend verschil. De haas houdt zijn staart meestal omlaag, terwijl bij het konijn de witte onderzijde van de staart zichtbaar is.

Figuur 1.1: Een konijn in grasland (bron: buiten-beeld.nl).

Zintuigen

Het konijn heeft een uitstekend gehoor dankzij de grote oren die onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen en 180 graden naar buiten kunnen draaien. Het konijn kan hogere tonen waarnemen dan de mens. Dankzij de zijwaarts geplaatste ogen heeft het konijn een vrijwel volledig panoramisch zicht, met slechts een kleine dode hoek direct vóór en achter hem. De gezichtsscherpte is beperkt. Konijnen zijn vooral goed in het waarnemen van beweging. Snorharen van circa 7 centimeter compenseren het mindere zicht direct voor de neus van het konijn en werken als tast- en bewegingssensoren.

Leefwijze

Konijnen zijn vooral actief gedurende de schemering en de nacht en minder actief rond het middaguur. Dit kan enigszins verschillen, afhankelijk van seizoen (o.a. zonsopkomst en ondergang), de reproductiecyclus (Diez et al., 2005; Diez et al., 2013) en predatierisico (Descalzo et al., 2021). In de winter leven konijnen teruggetrokken om energie te besparen, maar ze houden geen winterslaap.

Konijnen kunnen zowel solitair als in groepsverband leven, waarbij het laatste de norm is. Uit een studie in Engeland bleek dat meer dan 89% van de mannelijke en 96% van de vrouwelijke konijnen onderdeel uitmaakten van een groep met tenminste één ander konijn van hetzelfde geslacht (Cowan & Bell, 1986). Een sociale groep bestaat doorgaans uit 1 tot 3 volwassen mannetjes en 1 tot 6 volwassen vrouwtjes (Bell, 2021), maar afhankelijk van de konijnendichtheid kan de verhouding tussen het aantal mannetjes en vrouwtjes anders zijn (Smith et al., 2018). Tussen de vrouwtjes kan genetische verwantschap bestaan, maar de groep bestaat niet uitsluitend uit nauw verwante familieleden. Er geldt een rangorde onder de konijnen.

Juveniele dieren, die nog laag in de rangorde van de sociale groep staan, zwerven in het eerste levensjaar uit naar naburige groepen. Vooral jonge rammen, van rond de 5 maanden, verlaten vaak hun groep om op zoek te gaan naar nieuwe groepen. Het gaat dan in de regel om verplaatsingen van enkele honderden meters afstand (Cowan, 1991).

Verblijfplaatsen

Een sociale groep gebruikt één burcht met één of meerdere ingangen, vluchtpijpen en wentels. Hieronder worden de begrippen nader toegelicht. Bij hoge dichtheden kunnen jonge dieren bovengronds wonen.

Burchten

Konijnenburchten zijn ondergrondse gangenstelsels die bescherming bieden tegen predatie en weersinvloeden (zie figuur 1.2). Daarnaast bieden ze ruimte bieden voor voortplanting en ondersteunen ze de sociale structuur binnen een konijnengroep. Konijnenburchten variëren in grootte van enkele vierkante meters tot grote burchten van tientallen vierkante meters en kunnen tot wel 24 verschillende ingangen hebben (Rogers, et al., 1994). In open weilanden kunnen burchten bijvoorbeeld twee keer zo veel ingangen hebben als burchten in struikrijke gebieden (Palomares, 2003). In een burcht kunnen meerdere nestkamers aanwezig zijn. Deze liggen diep in de burcht onder de grond. Ze worden voorzien van gras, bladeren en haren om warmte te bieden.

Burchten kunnen pijpen en kamers hebben die verticaal tot een diepte van meer dan twee meter gaan, vanaf de ingang gemeten. Pijpen kunnen horizontaal wel 5 tot 10 meter vanaf de ingang doorlopen. In taluds kunnen pijpen vanaf de ingang ook naar boven lopen. Pijpen en kamers zullen nooit onder het grondwaterniveau aanwezig zijn.

Konijnen gebruiken voor burchten vaak locaties die goed vergraafbaar zijn en die meer dekking bieden en/of die droger zijn dan de omgeving. Burchten zijn dan ook vaak te vinden in duinen of in taluds van infrastructuur (wegen, spoorlijnen, dijken, etc.). Ze komen ook voor rondom en onder gebouwen, in leidingstroken of onder verharding waar al grondroering heeft plaatsgevonden of waar meer zandige grond is toegepast. In meer open gebieden, zoals stadsparken of begraafplaatsen, kunnen konijnen hun burchten goed verstoppen in dichte beplanting.

Ingangen hebben een diameter van minimaal 10 tot 15 centimeter en zijn staand-ovaal van vorm. Meer naar binnen toe vernauwd de pijp zich. Voor de ingangen ligt uitgeworpen grond in lange zandbanen, soms met een geul waar het konijn doorheen loopt. Burchten worden continu onderhouden, tunnels opnieuw uitgebouwd, gangen verbreed of ingangen aangepast. Voor een goede luchtkwaliteit in de burcht zijn er ventilatiegangen.

Figuur 1.2: Een konijnenburcht met verschillende ingangen (foto: Saxifraga-Hans Dekker).

Vluchtpijpen

Naast konijnenburchten met een gangenstelsel zijn er ook holen die bestaan uit een enkele pijp. Konijnen kunnen dergelijke pijpen binnen een uur graven. Deze worden vaak niet permanent bewoond en hebben geen voortplantingsfunctie, maar dienen als vluchtpijp waarin kan worden geschuild voor predatoren.

Wentels

Konijnen worden geboren en gezoogd in speciale nestkamers. Deze nestkamers kunnen in de hoofdburcht aanwezig zijn of als losse gang, een zogenoemde wentel, die in de omgeving van een burcht liggen. Wentels bestaan uit een korte gang van maximaal twee meter diep met aan het eind een nestkamer, die tijdelijk door één – vaak subdominant – vrouwtje wordt gebruikt om te kramen. De nestkamer wordt door het volwassen vrouwtje (hierna: de voedster) bekleed met gedroogd gras en wollig haar dat ze van haar eigen buik los gekrabd heeft. Ze maakt de ingang tot de nestkamer dicht met grond, soms vermengd met gras en bladeren, waardoor de toegang onzichtbaar wordt.

Voortplantingsgedrag

Een mannetjeskonijn noemt men een ram(-melaar); een vrouwtjeskonijn een voedster. De voedsters zijn geslachtsrijp rond 3 tot 5 maanden en rammen rond 4 tot 6 maanden, afhankelijk van voedsel en het type habitat, maar ze reproduceren vaak pas in het volgende voortplantingsseizoen.

Konijnen vormen geen vaste koppels en voedsters paren met meerdere rammen. De voortplantingsperiode, van paren, de zwangerschap en het zogen, loopt in West-Europa van januari tot augustus (Tablado et al., 2009) waarbij de start afhankelijk is van de weersomstandigheden. De draagtijd is 28 tot 30 dagen. Vanaf begin februari zijn jongen te verwachten. In uitzonderlijke gevallen worden al in januari nestjes gevonden, en aan het einde van de voortplantingsperiode; in september of oktober. In de maand december, voorafgaand aan de volgende voortplantingsperiode, bouwen konijnen extra reserves op. Deze voorbereiding verhoogt zowel de overlevingskansen van de jongen als die van de voedsters tijdens de eerste worp.

Wat betreft de voortplanting bestaat er een rangorde onder de mannelijke dieren met één dominant mannetje. Dominante rammen gedragen zich tijdens de voortplanting territoriaal, richting rammen uit andere burchten en subdominante rammen binnen de eigen groep.
Meerdere vrouwtjes in een sociale groep kunnen zich voortplanten. Ook onder de vrouwelijke dieren bestaat een rangorde, die vooral betrekking heeft op de toegang tot voedsel en de keuze van nestlocaties (m.n. veilige plekken in de burcht). De dominante voedster in de groep kraamt in de konijnenburcht. De subdominante voedsters kramen in wentels, omdat ze door de dominante voedster niet in de groepsburcht geduld worden als deze dominante voedster kraamt.

Konijnen krijgen 3 tot 4 nestjes per jaar. Een worp bestaat uit gemiddeld 5 jongen (Tablado et al., 2009). Direct na de bevalling kan de volgende paring en bevruchting plaatsvinden.

De jongen worden kaal, doof en blind geboren en zijn daarmee zogenaamde nestblijvers. Jongen houden elkaar warm in de nestkamer. De voedster zorgt enkel voor warmte door de nestkamer te voorzien van gras en haren.

Zooggedrag

De voedster bezoekt haar jongen doorgaans één keer per dag, meestal aan het einde van de nacht of in de vroege ochtend, om hen dan gedurende enkele minuten te zogen. In een later stadium verschuift dit moment geleidelijk naar het begin van de nacht. Het zooggedrag bij een nestkamer in een burcht lijkt niet af te wijken van het zooggedrag bij een nest in een losse wentel. Na het zogen verlaat de voedster het nest en sluit zij de nestkamer zorgvuldig af door de aarde aan te drukken. Vanaf een leeftijd van ongeveer acht dagen beginnen de jongen naast melk zichzelf te voeden door te knagen aan het nestmateriaal. Dit is door de voedster aangevoerd groenvoer zoals gras en bladeren, maar ook achtergelaten keutels. Op deze manier krijgen zij de darmbacteriën binnen die noodzakelijk zijn voor de vertering van plantaardig voedsel.

Rond de 10e levensdag verandert het zooggedrag: de voedster opent de ingang van de pijp die naar de nestkamer leidt, positioneert zich boven de ingang van de burcht of wentel en zoogt de jongen daar. Na ongeveer drie minuten vertrekt zij, waarna de jongen terugkruipen in het nest en de voedster de opening opnieuw afsluit. Vanaf 11 tot 12 dagen verlaten de jongen voorafgaand aan het zogen het nest en wachten zij de voedster bij de (afgesloten) ingang op, waarop de voedster de ingang opent. Na het zogen urineren zij en kruipen weer diep in de nestkamer of wentel. Wanneer de jongen ongeveer drie weken oud zijn, beginnen ze de directe omgeving te verkennen. In deze fase laat de voedster de nestkamer of wentel na het zogen steeds vaker open.

Zelfstandig

Na ongeveer 28 dagen wordt er niet meer gezoogd (Hudson et al., 1996) en zijn de jongen zelfstandig in het zoeken naar voedsel (Van Diepenbeek, 2021). Ze zijn nog wel afhankelijk van de sociale groep, bijvoorbeeld voor het leren kennen van de omgeving en het leren vluchten voor gevaar.

Levensverwachting

Konijnen kunnen tot acht jaar oud worden. Veel jongen sterven echter al in het eerste jaar. Het percentage jongen dat vóór het einde van de zoogperiode in het nest al sterft was bij een onderzoek in Duitsland 32%. Oorzaken waren ondervoeding, overstromingen, onderkoeling of predatie, maar ook concludeerden de onderzoekers dat een groot deel van de sterfte niet goed verklaard kon worden (Rödel et al., 2009).

Tittensor en Lloyd (1983) ontdekten dat van jonge konijnen tot aan de eerste reproductie minder dan 10% kans hebben om te overleven. De overlevingskans van jonge konijnen is sterk afhankelijk van klimaat, weer en ziekten (Rödel & Von Holst, 2008; Rödel & Dekker, 2012; Calvete et al., 2004; Dekker & Van Norren, 2021). Strenge winters, langdurige neerslag of extreme droogte kunnen hier een directe invloed op hebben. Wanneer dieren dit eerste jaar overleven, bereiken voedsters gemiddeld een leeftijd van 2,6 jaar. Voor rammen ontbreekt deze kennis.

Ook de overlevingskansen van volwassen konijnen (die zich hebben kunnen voortplanten) zijn door virusziekten fors teruggelopen. Een studie toont bijvoorbeeld dat in Portugal 80% van de populatie zes weken na een uitbraak van RHD (Rabbit Hemorrhagic Disease) was gestorven (Ruiz et al., 2023).

Leefgebied

Konijnen leven in gebieden met droge en zandige bodems die goed vergraafbaar zijn voor het maken van burchten. Konijnen mijden vochtige terreinen. Alhoewel het konijn primair voorkomt op de hoge zandgronden, heeft de soort zich kunnen verspreiden over vrijwel heel Nederland. In open polderlandschap, waar de grondwaterstand hoog is, ontbreekt het konijn veelal. Door drainage van voorheen natte gebieden en door bouwprojecten waarbij grote zandlichamen zijn aangelegd, kunnen deze gebieden voor konijnen toch bruikbaar worden (Drees, 1992; Dekker & Drees, 2016).

Omvang en gebruik van het leefgebied van een sociale groep

Konijnen blijven doorgaans binnen een straal van 200 meter rondom hun burchten, omdat zij dicht bij de burcht foerageren (Dekker, 2007; Schäfers et al., 2016). Ze gebruiken vaak dezelfde looppaden, zogenoemde wissels, voor hun dagelijkse verplaatsingen. Konijnen kennen geen seizoensgebonden migraties.

De omvang van het leefgebied van een sociale groep loopt uiteen van 1 tot 10 hectare, maar kan groter zijn tijdens het voortplantingsseizoen (Devillard et al., 2008; Daniels et al., 2003; Stott, 2003; Santilli et al., 2014). Ook in gefragmenteerde, suboptimale habitats kunnen de leefgebieden groter zijn dan 10 ha (Santilli et al., 2010). In optimaal, voedselrijk habitat kunnen leefgebieden van een groep daarentegen heel klein zijn. Couro (et al., 2019) laat zien dat home ranges kleiner worden als je extra voedsel toevoegt. In een studie in Wageningen waren de functionele leefgebieden van drie sociale groepen kleiner dan 0,5 ha (Dekker et al., 2006). Niet alleen was het habitat optimaal, ook waren de konijnendichtheden laag, waardoor er geen competitie was tussen de konijnen. Bij populaties met gemiddelde konijnendichtheden, in habitat van gemiddelde kwaliteit, is het leefgebied doorgaans 2 tot 10 hectare (Moseby et al., 2005; Stott, 2003; Hulbert et al., 1996; Daniels et al., 2003).

Leefgebieden van sociale groepen zijn niet strak afgebakend en kunnen aan de randen deels overlappen met die van andere groepen. Burchten van verschillende sociale groepen kunnen dicht bij elkaar liggen. De uitzwervende (dispergerende) jongen van deze groepen kunnen worden opgenomen in een andere sociale groep. Konijnen kunnen territoriaal gedrag vertonen en hun eigen leefgebied afbakenen met geurmerken.

Voedsel

Konijnen foerageren in de regel in de buurt van hun burcht. Door bij herhaling op dezelfde plekken te foerageren en daardoor te voorkomen dat de vegetatie doorschiet en houtiger wordt, zorgen ze er zelf voor dat er jaarrond jong eiwitrijke vegetatie beschikbaar blijft in de directe omgeving van hun burcht. Dit wordt ook wel ‘facilitatie’ genoemd. Konijnen kunnen lokaal, vooral bij hoge populatiedichtheden, een aanzienlijke invloed hebben op de vegetatie. Ze kunnen ervoor zorgen dat de vegetatiestructuur laag blijft en verstruweling in duingebieden vertraagd (Olff & Boersma, 1998). Konijnen worden gerekend tot de ‘kleine grazers’. Konijnen kunnen eenmaal verruigde gebieden, niet goed meer ontdoen van deze hogere en houtige begroeiing, waarmee het gebied zijn functie als foerageergebied en daarmee als leefgebied voor het konijn verliest. Konijnen hebben daarom vaak baat hebben bij andere grazers, zoals schapen, zolang er geen voedselconcurrentie optreedt.

Het konijn is een selectieve herbivoor. Het voedsel bestaat vooral uit kruiden (zoals paardenbloem, klaver en madelief) en grassen (zwenkgras, Engels raaigras, veldbeemdgras) en ze kiezen hierbij voor eiwitrijk en goed verteerbare plantensoorten en -delen. Celluloserijk oud gras, duinriet en heide zijn slechter verteerbaar en worden zo mogelijk vermeden. In de winter, bij gebrek aan kruidachtige planten of bij sneeuw, worden houtachtige planten geschild, waarbij de bast van wilg en populier favoriet zijn. In deze periode worden ook wortels van planten en knollen opgegraven en gegeten.

Konijnen eten een deel van de eigen (zachte) keutels, de zogenoemde blindedarmkeutels of caecotrofen, zodat door darmflora vrijgemaakte energie, vitaminen en animozuren kunnen worden benut.

In landbouwgebied en moestuinen worden ook geteelde gewassen gegeten, zoals bijvoorbeeld bladeren van wortel, (suiker-)biet, pastinaak en diverse koolsoorten. Van de wortel wordt naast het blad ook vaak de hele wortel uitgegraven en gegeten. Konijnen eten ook bladgroenten (zoals spinazie, sla, boerenkool en andijvie) en peulvruchten zoals erwten, bonen en veldbonen. Ook jonge scheuten en zaailingen van granen zoals tarwe, gerst, haver en rogge staan op het menu. Daarnaast eten ze zaailingen van houtachtige planten. Aan jonge bladeren en scheuten van maïs en zonnebloemen wordt eveneens geknaagd.

Doordat het konijn gewassen in akkerland, boomteelt en kwekerijen op het menu heeft staan en aanzienlijke schade kan veroorzaken, is het voor de terreineigenaar mogelijk om maatregelen in te zetten om konijnen te weren. Deze maatregelen zijn opgenomen in de ‘Faunaschade Preventie Kit (FPK) voor haasachtigen’.

Dekking

Konijnen zijn voor hun voedsel afhankelijk van lage vegetatie en daardoor in zekere mate van openheid in het landschap (zie paragraaf 1.2.2). Toch is ook hogere vegetatie in de buurt van de burchten van waarde (Palomares, 2003; Calvete et al., 2006; Gálvez et al., 2008; Santilli, Bagliacca & Paci, 2014). Dekkinggevende vegetatie beperkt namelijk niet alleen de blootstelling aan predatoren, maar ook aan wind, neerslag en temperatuurextremen (Wallage-Drees & Deinum, 1988). Daarom vestigen dieren soms burchten in (stekelige) struwelen. Onderzoek laat zien dat in gebieden met meer dekking het leefgebied van een groep kleiner en het ruimtegebruik efficiënter is (Lombardi et al., 2007). De aanwezigheid van ruigte, hoog gras, struweel en andere structuurrijke begroeiing beïnvloedt dus de overlevingskans, het foerageergedrag en de grootte van het leefgebied van één groep en het gebruik van het terrein. Dit is met name het geval in open landschappen zoals duinen, graslanden en agrarische gebieden (Lombardi et al., 2007; Olff & Boersma, 1998). Landschappen waarin open foerageerplekken worden afgewisseld met ruigte en struweel ondersteunen doorgaans hogere dichtheden en stabielere populaties dan homogeen open terreinen (Olff & Boersma, 1998; Lombardi et al., 2007). Overgangszones tussen graslanden en bosschages zijn daarmee optimaal leefgebied voor het konijn (Rogers, 1981, Calvete et al., 2004; Flux, 2008; Scheppers & Casaer, 2008). In zeer open gebieden, zoals op de Maasvlakte of in open duinlandschap, maken konijnen door het gebrek aan dekking meer gebruik van vluchtpijpen.

Barrières in het landschap

Druk bereden wegen, bebouwing of ingegraven fijnmazige hekwerken (met een maaswijdte van minder dan 5 centimeter) van ongeveer een meter of hoger vormen belangrijke barrières voor het konijn. Konijnen kunnen incidenteel over hekken klimmen, maar deze vormen doorgaans wel een barrière.

Smalle watergangen tot ongeveer een meter breed kunnen door konijnen worden overgesprongen, behalve als dichte vegetatie dit belemmert. Konijnen kunnen zwemmen, maar zullen dit het liefste vermijden. Watergangen, met name met steile, beschoeide en/of dichtbegroeide oevers kunnen een belemmering zijn, waarbij verdrinking een risico vormt.

Verspreiding en aantalsontwikkeling

Verspreiding

Het konijn is een soort met een grote verspreiding in Nederland. Vrijwel overal waar wordt voorzien in de habitateisen van het konijn komt de soort voor. Dit kan zowel int buitengebied als in stedelijk gebied zijn (zie figuur 1.3).

Figuur 1.3: Waarnemingen van het wilde konijn (in blauw en rood) per atlasblok, een gebied ter grootte van 5 bij 5 km (bron: Nationale Databank Flora en Fauna, NDFF Verspreidingsatlas 2026). NB: Is een gedomesticeerd konijn waargenomen in een atlasblok, dan is dat blok geel gearceerd. Dit sluit echter de aanwezigheid van wilde konijnen niet uit.

Konijnendichtheden

Schommelingen in de populaties

Door hun uitzonderlijk hoge reproductiepotentieel kunnen populaties snel toenemen in aantallen. De soort wordt gekenmerkt door een lange voortplantingsperiode, een korte draagtijd, grote worpen en vruchtbaarheid direct na het werpen van de jongen waardoor er de mogelijkheid is om meerdere worpen per jaar groot te brengen. Dit draagt bij aan een potentiële snelle populatiegroei. Het hoge reproductiepotentieel vormt ecologisch gezien waarschijnlijk een aanpassing aan hun positie als prooidier. Ziekten, predatie en andere drukfactoren kunnen de snelle toename van konijnen echter ook weer laten omslaan in abrupte afnames waarbij het konijn lokaal volledig verdwijnt. Dichtheden en groepsgroottes zijn daarom onderhevig aan sterke schommelingen (zie paragraaf 1.1.6 en 1.4).

Variatie in konijndichtheden tussen gebieden

Er blijken grote verschillen te bestaan in gemiddelde dichtheden van konijnenpopulaties tussen landen en tussen landschappen. De hoogste dichtheden worden gevonden daar waar een combinatie van factoren optimaal is: dekking tegen predatoren, voldoende voedsel, afwezigheid van ziekten en een goede bodemgesteldheid om burchten in te bouwen. Dichtheden variëren afhankelijk van de voldoende aan- of afwezigheid van deze factoren (Lees & Bell, 2008; Villafuerte & Moreno, 1997).

Tussen verschillende deelstaten in Duitsland varieerden de gemiddelde aantallen van minder dan 1 tot 12 konijnen per km² (Arnold et al., 2013; Arnold et al., 2016). Echter specifiek voor konijn kunnen er lokaal grote verschillen zijn tussen bijvoorbeeld agrarisch (80 konijnen per km²), voorstedelijk (850 dieren per km²) en stedelijk gebied (bijna 1500 dieren per km²) aldus Ziege et al., 2013.

Schattingen over dichtheden in Nederland zijn niet bekend, maar die zullen ook sterk wisselen tussen gebieden. Ter Harmsel et al. (2022) gebruikt daarom een referentiedichtheid met een ondergrens van 100 konijnen en een bovengrens van 300 konijnen per vierkante kilometer, beiden in optimaal habitat.

Belang van genetische uitwisseling

Genetische uitwisseling is van belang voor de duurzame levensvatbaarheid van de soort in een gebied. Gezien de grootte van een enkele sociale groep is een geïsoleerde groep te klein om duurzaam levensvatbaar te zijn. Het is daarom van belang dat meerdere sociale groepen in een gebied met elkaar in verbinding staan, zodat uitwisseling van individuen plaatsvindt. Om uitwisseling tussen sociale groepen, doorgaans door dispergerende jonge konijnen, mogelijk te houden, mogen er geen grote barrières en afstanden aanwezig zijn. Voor een maximale afstand tussen de groepen kan uit worden gegaan van circa 500 meter.

Een geïsoleerde populatie, bestaande uit meerdere sociale groepen konijnen, moet voldoende groot zijn om zowel genetisch als demografisch stabiel te blijven. Hoe groot een geïsoleerde populatie minimaal moet zijn om duurzaam levensvatbaar te zijn, is voor konijnen niet bepaald (zie bijlage 2: Kennislacunes).

Aantalsontwikkeling

Ondanks het feit dat het konijn algemeen voorkomt, zijn er toch zorgen over de aantallen. Het konijn staat sinds 3 november 2020 als ‘gevoelig’ gekenmerkt op de Nederlandse Rode Lijst van Zoogdieren. Het konijn is op de Rode Lijst opgenomen omdat de populatie weliswaar nog in vrijwel heel Nederland voorkomt, maar sinds de jaren 1950 sterk in aantal is afgenomen (Dekker & Van Norren, 2021). Deze afname is in heel West-Europa te zien (Smith et al., 2005). Wageningen Environmental Research (hierna: WENR) heeft in 2022, in opdracht van het toenmalige ministerie van LNV, onderzoek gedaan naar de staat van instandhouding van het konijn. Deze bleek zeer ongunstig te zijn. Sinds 1994 laat het konijn een negatieve populatietrend zien van gemiddeld 1,8% per jaar (Ter Harmsel et al., 2022).

Populatietrends worden in Nederland in opdracht van de landelijke overheid vastgesteld binnen het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), door de Zoogdiervereniging, SOVON en het Centraal Bureau voor de Statistiek. Vanaf 1997 geeft het NEM landelijke trends van de populaties van haas en konijn in het meetprogramma NEM Dagactieve Zoogdieren. Bij het konijn is sinds deze tellingen een landelijke neerwaartse trend te zien in de periode tot 2003. Hierna krabbelt de populatie weer op. De situatie is na 2014 weer verslechterd (zie figuur 1.4).

Grafiek vanaf 1997 tot 2023 met een dalende lijn die de populatietrend aangeeft.

Figuur 1.4: Populatietrend konijn (1997-2023) (bron: NEM, 2024).

Drukfactoren

Om te achterhalen waarom de populatie afneemt, is het relevant om alle belangrijke factoren in beeld te brengen die zorgen voor deze dalende aantallen. De achteruitgang van het konijn in de afgelopen decennia is met name het gevolg van infectieziekten. Lokaal kunnen ook habitatkwaliteit en in mindere mate predatie en jacht (Koopmans et al., 2024; Olff & Boersma, 1998; Bijlsma, 2004) van invloed zijn op populatie-aantallen.

Ziekten

Infectieziekten hebben een sterke, directe en soms plotselinge impact op konijnenpopulaties. Myxomatose, wat opdook in Europa in de jaren 1950, veroorzaakte aanvankelijk massale sterfte (Wallage-Drees, 1988). Later werd dit gevolgd door RHD (Rabbit Hemorrhagic Disease), die in verschillende golven populaties decimeerde.

Myxomatose

Myxomatose is een ziekte die wordt veroorzaakt door het Myxoma-virus en wordt overgedragen door vlooien. Bij Europese konijnen bleek de infectie extreem dodelijk: sterftepercentages van meer dan 90% werden gerapporteerd. De hoge mortaliteit werd niet alleen veroorzaakt door de ziekte zelf, maar ook door secundaire effecten zoals verhongering, predatie of verdrinking. De aandoening leidt namelijk tot gezwellen rond de ogen en de mond, waardoor de dieren beperkt worden in hun zicht en voedselopname. Sinds de introductie van myxomatose in Europa in 1954 zijn konijnenpopulaties sterk teruggelopen. In de daaropvolgende decennia nam de kracht van het virus af en ontwikkelden populaties deels immuniteit tegen de ziekte (Thompson & King, 1994; Elsworth et al., 2014).

Rabbit Haemorrhagic Disease (RHD), variant 1 en 2

RHD wordt veroorzaakt door een calicivirus en leidt bij geïnfecteerde konijnen tot interne bloedingen, koorts en in veel gevallen acute sterfte. Het wordt verspreid via insecten, direct contact en lichaamsvloeistoffen zoals speeksel, urine en uitwerpselen.

In Nederland zijn tot nu toe twee varianten van het virus vastgesteld. RHDv-1 werd voor het eerst gesignaleerd in 1990 (Siebenga, 1991) en veroorzaakt vooral sterfte bij volwassen dieren, terwijl jonge konijnen tot ongeveer drie maanden veel minder gevoelig zijn en deels via de voedster immuniteit kunnen opdoen. Ongeveer twintig jaar na de eerste uitbraak van RHDv-1 namen konijnenpopulaties geleidelijk weer toe, met name in open landschappen (Van Strien et al., 2011).

In 2015 werd een tweede variant, RHDv-2, voor het eerst vastgesteld in Nederland (IJzer et al., 2016). In tegenstelling tot RHDv-1 zijn bij deze variant ook jonge dieren gevoelig (Capucci et al., 2017) en konijnen die resistentie hadden opgebouwd tegen RHDv-1 bleken geen bescherming te hebben tegen RHDv-2 (Peacock et al., 2017). Dit leidde daarom opnieuw tot een aanzienlijke afname van de populaties.

Bij het effect van uitbraken op de populatie speelt ook de initiële dichtheid van de populatie een grote rol: in populaties die vóór het verschijnen van het virus een hogere dichtheid hadden, was de afname door RHDv-1 minder sterk (Olff & Boersma, 1998).

Recente situatie

Tegenwoordig komt RHDv-2 in de Nederlandse kustduinen het meeste voor (Dekker et al., 2022). Voor het binnenland is dit niet bekend. Ook myxomatose kan lokaal nog steeds een rol spelen in de afname van populaties. Hoewel konijnen immuniteit tegen beide ziekten kunnen ontwikkelen (Bijlsma, 2004), blijven ziektes een belangrijke demografische druk vormen. Voor beide ziekten zijn vaccins beschikbaar, maar doordat het jaarlijks vangen en vaccineren van wilde konijnen niet werkbaar en bovendien erg stressvol voor konijnen is, blijven ziekten één van de belangrijkste drukfactoren.

Habitatkwaliteit

Hoewel konijnen een breed dieet hebben, zijn ze gevoelig voor veranderingen in voedselkwaliteit en -hoeveelheid, vooral in de winter. Het verlies van jaarrond aanwezig voedsel door extensief beheer en anderzijds juist de omvorming naar monoculturen kan de overlevingskansen van konijnen verminderen (Wallage-Drees & Deinum, 1988). Konijnen hebben daarnaast indirect te lijden van de hoge stikstofdepositie. Hierdoor is de vegetatie op veel plaatsen sneller gaan groeien, worden plekken met lage vegetatie steeds kleiner en is de kwaliteit van het beschikbare voedsel voor de konijnen (Dekker & Drees, 2016). Ook door het verdwijnen van struweel, met name in agrarisch landschap, neemt de kwaliteit van habitat af. Er is minder dekking in het leefgebied aanwezig waardoor ook de mogelijkheden van dispersie en genetische uitwisseling tussen verschillende populaties afnemen. Dat laatste wordt nog versterkt door de toegenomen versnippering door hekwerken, wegen en bebouwing.

Naast bovenstaande effecten, heeft ook een uitbraak van myxomatose of RHD gevolgen voor verlies van kwaliteit van de leefomgeving (Drees et al., 2007; Dekker et al., 2022). Als een populatie sterk afneemt, kunnen konijnen de vegetatie niet meer kort houden en krijgen struiken en bomen de overhand (zie paragraaf 1.2.2). Open plekken met lage eiwitrijke vegetatie worden minder beschikbaar, waardoor de populaties lijden onder voedselgebrek (Dekker et al., 2022; Van der Hagen, 2022). Als een konijnenpopulatie door ziekten uit een gebied is verdwenen en de vegetatie ongeschikter wordt, belemmert dit de herkolonisatie van dit oorspronkelijke leefgebied door andere konijnen.

Door de afname van het aantal konijnen in de afgelopen decennia, ontstaan er ‘eilandjes’ van groepen konijnen in bijvoorbeeld de kustduinen, op binnenlandse zandgronden en in stedelijk gebied. In de kustduinen heeft deze isolatie aantoonbaar al geleid tot genetische differentiatie tussen populaties, al werden er nog geen tekenen van inteelt gevonden (Dekker et al., 2022). Toch zijn er wel zorgen, omdat de afstanden tussen de resterende groepen groter zijn geworden dan de bekende dispersieafstand van jonge konijnen. Genetische verarming en inteelt wordt daarom gezien als een risico.

Predatie

Met name vossen (zie figuur 1.5), dassen, roofvogels, marters en (huis)katten prederen vooral jonge konijnen en dieren in open terrein zonder voldoende dekking. Studies in Europese habitats laten zien dat predatie een belangrijke mortaliteitsfactor is en dat de impact toeneemt in gebieden met beperkte vegetatieve dekking (Lombardi et al., 2007). Onduidelijk is echter of predatie een mede-veroorzaker is van de achteruitgang van het konijn in Nederland en daarmee een drukfactor vormt op de populatie. Wallage-Drees (1988) gaf aan dat predatie geen drukfactor is bij hoge dichtheden van konijnen. Bij lage dichtheden kan predatie dit mogelijk wel zijn: een zogenaamde ‘predator pit’. Dit betekent dat predatoren de populatie zo laag houden dat deze zich niet goed kan herstellen. Het effect van predatie wordt ook versterkt wanneer populaties al door ziekten of voedselbeperkingen verzwakt zijn. Om uit deze predator pit te komen, is een externe impuls nodig, zoals het bijplaatsen van dieren of predatiebeheer (Pech, 1992; Marchandeau et al., 2000; Guerrero-Casado et al., 2016).

Figuur 1.5: Een vos met een gevangen konijn in de bek (bron: buiten-beeld.nl).

Jacht

Net als natuurlijke predatie kan ook jacht door de mens leiden tot het verdwijnen van individuele konijnen uit een populatie. Jacht kan daarmee de lokale dichtheid verlagen. Uit recente beleids- en populatiestudies blijkt dat jacht niet de primaire oorzaak is van de landelijke achteruitgang van konijnenpopulaties, die vooral wordt gedreven door ziekten, verlies van habitatkwaliteit en veranderingen in vegetatiestructuur (Dekker & Van Norren, 2021; Koopmans et al., 2024; Weterings et al., 2023).

Vanwege sterk dalende populaties en opname op de Rode Lijst is de reguliere jacht op het konijn vanaf 2022 in heel Nederland gesloten. Omdat het konijn op de landelijke vrijstellingslijst staat, is bestrijding ter voorkoming van schade nog wel toegestaan. Dit geldt alleen als in de betreffende provincie een goedgekeurd faunabeheerplan is vastgesteld.

Het konijn en flora- en fauna-activiteiten

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt kort geschetst hoe het konijn wettelijk beschermd is door de Omgevingswet.

Leeswijzer

In paragraaf 2.2 is te lezen wat verboden flora- en fauna-activiteiten zijn, waarna in paragraaf 2.3 per verbodsbepaling voorbeelden zijn te vinden van activiteiten waarbij deze bepalingen overtreden worden. In paragraaf 2.4 komt de noodzakelijke onderzoeksverplichting aan bod en in paragraaf 2.5 het kader voor vergunningverlening.

Deskundigheid

Het bepalen of de voorgenomen activiteiten tot een overtreding kunnen leiden volgens de Omgevingswet, en wat het effect is van deze overtreding op de populatie, is maatwerk per project. Dit moet gebeuren door een deskundige die hier aantoonbaar ervaring mee heeft.

Bescherming door de Omgevingswet

Flora- en fauna-activiteiten

Het wilde konijn is beschermd onder de Omgevingswet. De verbodsbepalingen die opgenomen zijn in de Omgevingswet beschermen deze soort tegen negatieve effecten van menselijke activiteiten zoals bijvoorbeeld ruimtelijke ingrepen, zodat de soort niet in haar voortbestaan wordt bedreigd. Een activiteit met mogelijke negatieve gevolgen voor het konijn wordt in de omgevingswet een ‘flora- en fauna-activiteit’ genoemd. Om het konijn te beschermen geeft de Omgevingswet in artikel 11.54 en 11.61 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels over deze zogenoemde flora- en fauna-activiteiten.

Kennisdocumenten richten zich op ruimtelijke activiteiten zoals woningbouw, aanleg van wegen, verwijderen van vegetatie, herinrichting, et cetera. Er zijn ook juridische bepalingen uit de Omgevingswet die betrekking hebben op het konijn in relatie tot jacht en schadebestrijding. Deze worden in het kennisdocument niet nader behandeld.

Het wilde konijn staat genoemd in bijlage IX van het Bal. Dit is een lijst met soorten die in Nederland beschermd zijn en niet te vinden zijn in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de verdragen van Bonn en Bern. Het gedomesticeerde konijn valt niet onder het Bal. Als een gedomesticeerd konijn echter is opgenomen in een sociale groep wilde konijnen, en hier nakomelingen mee krijgt, kan het nodig zijn ook het Bal van toepassing te verklaren op deze gedomesticeerde of hybride konijnen. Neem hierover contact op met het bevoegde gezag.

Op grond van artikel 11.54 van het Bal is het volgende verboden:

  • het opzettelijk doden van het konijn;
  • het opzettelijk vangen van het konijn;
  • het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen.

Op grond van artikel 11.61 van het Bal is het volgende verboden:

  • het uitzetten van konijnen.

Op grond van artikel 11.101 van het Bal is het volgende verboden:

  • het onder zich hebben van konijnen.

Alle activiteiten die direct of indirect leiden tot bovenstaande effecten op individuele konijnen of op de populatie konijnen zijn verboden. Voor dergelijke activiteiten is een omgevingsvergunning noodzakelijk.

Het juridische kader staat nader beschreven in een afzonderlijk document: het juridisch kader horende bij de kennisdocumenten. Binnen dit kader kunnen bevoegde gezagen beleidskeuzes maken. Deze beleidskeuzes zijn niet beschreven in het juridisch kader of in het kennisdocument. Op de websites van de bevoegde gezagen zijn de beleidsregels en verordeningen te vinden voor omgevingsvergunningen en vrijstellingen van de omgevingsvergunningsplicht.

Bevoegde gezagen

In de meeste gevallen zijn Gedeputeerde Staten van de provincie (met vaak als uitvoerende tak de Omgevingsdienst) bevoegd om omgevingsvergunningen te verlenen. In situaties waar nationale belangen aan de orde zijn, voert RVO in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) vergunningverlening uit voor flora- en fauna-activiteiten (artikel 4.12, eerste en tweede lid, van het Omgevingsbesluit)). Voorbeelden van zulke situaties zijn het aanleggen of aanpassen van de hoofdinfrastructuur zoals snelwegen, hoofdspoor- en waterwegen, of de hoofdinfrastructuur die nodig is om gas en elektriciteit te transporteren (zie ook het Overzicht taken en rolverdeling bevoegdheden).

Vrijstelling

Bevoegde gezagen kunnen ervoor kiezen het konijn te plaatsen op de (provinciale) lijst ‘vrijgestelde soorten’ in de Omgevingsverordening. De verbodsbepalingen (echter soms met uitzondering van het verbod op ‘vangen en/of doden’) worden daarmee niet van toepassing verklaard voor specifieke ruimtelijke activiteiten. De activiteiten met negatieve effecten op het konijn zijn dan vrijgesteld van vergunningplicht.

Gedragscode

In een gedragscode staat voor welke activiteiten en voor welke organisatie een vrijstelling van een vergunning geldt. Een gedragscode bevat ook maatregelen om negatieve effecten aan beschermde soorten te voorkomen of te beperken. Een lijst met alle goedgekeurde gedragscodes is te vinden op de site van Rijkdienst voor Ondernemend Nederland, Overzicht gedragscodes.

Controleer per gedragscode of bij gebruik van deze gedragscode een vrijstelling wordt verleend ten aanzien van het konijn. Soms wordt het konijn wel genoemd als een soort waar de gedragscode maatregelen voor noemt, maar is er voor het overtreden van verbodsbepalingen, ook bij gebruik van een gedragscode, alsnog een vergunning noodzakelijk.

Welke activiteiten leiden tot verboden effecten op het konijn

In deze paragraaf wordt aangegeven welke activiteiten kunnen leiden tot het overtreden van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet.

Naast de specifieke verbodsbepalingen geldt te allen tijde dat als er bij een activiteit of ontwikkeling een negatief effect verwacht wordt, onderzocht moet worden of het mogelijk is om de activiteit of ontwikkeling anders te organiseren om het negatieve effect te vermijden. Een effect vermijden is doeltreffender dan een effect compenseren. Dit is een onderdeel van de alternatievenafweging ten behoeve van het aanvragen van de vergunning.

Het doden van konijnen

Vanuit de Omgevingswet geldt een verbod op het opzettelijk doden van konijnen. Opzet omvat ook voorwaardelijk opzet (zie ook het juridisch kader behorende bij dit kennisdocument). Men moet zich altijd aan de zorgplicht houden, wat onder meer betekent dat doden zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Wanneer er (met of zonder maatregelen) sprake is van het met voorwaardelijke opzet doden van konijnen, wordt de verbodsbepaling van de Omgevingswet overtreden.

Bij onder andere de volgende situaties kunnen konijnen direct gedood worden:

  • het verwijderen van vegetatie voor herinrichting van het gebied;
  • het bouwrijp maken van een plangebied;
  • het uitgraven van een konijnenburcht;
  • het verhogen van grondwaterstanden;
  • loslopende honden of huiskatten kunnen konijnen doden.
  • maaiactiviteiten, oogstactiviteiten en gewas- en grondbewerkingsactiviteiten met landbouwmachines.

Naast directe effecten, kunnen konijnen ook indirect worden gedood door:

  • de aanleg van (snel)wegen, waardoor konijnen vaker verkeersslachtoffer worden;
  • het afschot van konijnen waarbij een voedster wordt gedood, waardoor zij haar jongen niet meer kan zogen, en deze indirect worden gedood.

Het vangen van konijnen

Vanuit de Omgevingswet, met bijbehorende besluiten, geldt een verbod op het opzettelijk vangen van konijnen. Voor het vangen van konijnen is het noodzakelijk een ecologisch deskundige in te schakelen. Ook moet er een omgevingsvergunning worden afgegeven. Voor meer informatie over dit traject is het mogelijk contact op te nemen met het betreffende bevoegde gezag. Dit gezag beoordeelt ook of het gebruik van de beoogde vangmiddelen binnen de Omgevingswet toegestaan kan worden. In paragraaf 4.5 zijn nadere aanbevelingen te vinden ten aanzien van het vangen.

Beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen

Vanuit de Omgevingswet, met bijbehorende besluiten, geldt een verbod op het opzettelijk beschadigen en vernielen van vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van het konijn. Onder andere de volgende activiteiten kunnen voortplantings- of rustplaatsen van konijnen (tijdelijk) beschadigen of vernielen:

  • grondverzet;
  • herinrichting van stadsparken;
  • verwijderen van lage struiken in openbaar groen of bedrijventerreinen;
  • inrichten van percelen als bouwplaats;
  • maaiactiviteiten of grondbewerkingswerkzaamheden;
  • bouwrijp maken, bebouwen en aanleg van (tijdelijke) wegen;
  • aanleggen, verwijderen of aanpassen van ondergrondse infrastructuren;
  • gebruiken van weilanden als (tijdelijke) parkeerplaats of evenemententerrein;
  • intensivering van het agrarische gebruik;
  • intensiveren van recreatief gebruik;
  • afgraven van percelen;
  • vernatten van percelen of als tijdelijk waterbergingsgebied inrichten;
  • aanleggen van zonnevelden;
  • verwijderen van akkerranden, heggen, greppels, sloten en veldstruiken;
  • creëren van barrières in de nabijheid van de burcht van het konijn, zoals het plaatsen van hekken of harde beschoeiingen in watergangen.

Deze lijst voorbeelden is uiteraard niet limitatief.

Het is een ecologisch deskundige die beoordeelt of in de specifieke situatie van het project sprake is van het beschadigen of vernielen van verblijfplaatsen van het konijn. Een plangebied ongeschikt maken voor het konijn is vaak al de handeling waarmee de verbodsbepalingen “beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen” worden overtreden. Wanneer dit aan de orde is, moet een omgevingsvergunning zijn afgegeven door het bevoegd gezag.

Vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen

Konijnen zijn gebonden aan burchten waarin ze rusten en jongen werpen. De functionaliteit van deze burchten is afhankelijk van een directe omgeving waar voedsel en voldoende dekking te vinden is. Om vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen te beschermen, moet de gehele functionele leefomgeving van een konijn worden beschermd. Dit bevat de burcht, de vluchtpijpen, wentels en het directe foerageergebied rondom de burcht. Zekerheidshalve kan ervan uit worden gegaan dat het gehele leefgebied binnen 200 meter rondom een burchtlocatie onderdeel is van deze functionele leefomgeving.

Konijnen kennen geen migratie en zullen niet zomaar een burcht verlaten. Is een burcht verlaten (zie paragraaf 3.3.2), dan is er geen sprake meer van een vaste voortplantingsplaats of rustplaats.

Het uitzetten van konijnen

Volgens artikel 11.61 van het Bal is het uitzetten van dieren in de natuur in principe niet toegestaan zonder toestemming van het bevoegd gezag. Dit betekent dat gevangen konijnen niet zonder vergunning naar een andere locatie mogen worden verplaatst en uitgezet. De regeling is bedoeld om onder andere verspreiding van ziekten en verstoring van bestaande populaties te voorkomen. Artikel 8.74n van het Besluit kwaliteit leefomgeving beschrijft verder de beoordelingsregels voor bevoegde gezagen. Voor het vangen en direct overzetten van dieren in de nabije omgeving wordt soms geen vergunning nodig geacht, als dieren direct weer in vrijheid worden gesteld. Neem bij voorgenomen vangacties contact op met het bevoegde gezag om te controleren of er een vergunningplicht geldt voor het uitzetten van konijnen.

Onderzoeksplicht voor de effectenanalyse

De Omgevingswet bepaalt dat iedereen die een (tijdelijke) ingreep uitvoert (zoals bouwen, graven, maaien, rooien of baggeren) in een leefgebied van beschermde soorten, verplicht is onderzoek te doen naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en naar de impact van de ingreep op de soort en hun verblijfplaatsen. Dit is de zogeheten onderzoeksplicht. Om te kunnen beoordelen of er verbodsbepalingen worden overtreden, is ten minste inzicht nodig in de aanwezigheid van het konijn. Welke onderzoeksmethodiek geschikt is om deze onderzoeksvraag te beantwoorden, valt te lezen in hoofdstuk 3.

Zijn er negatieve effecten op het konijn te verwachten, dan is vaak aanvullend onderzoek nodig dat inschat hoe groot dit effect is op de konijnen in en om het plangebied. Ook dient aanvullend onderzocht te worden welke invloed de ingreep uiteindelijk heeft op de staat van instandhouding van het konijn.

Kan vergunning worden verleend?

Vergunningenkader

De bevoegde gezagen kunnen een vergunning of vrijstelling verlenen van één of meer van de verbodsbepalingen, als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden voor een vergunning of vrijstelling (artikel 8.74l, Besluit kwaliteit leefomgeving):

  1. Er is geen andere bevredigende oplossing (die, in relatie tot de doelstelling van de activiteit, redelijkerwijs minder nadelige effecten heeft op het konijn).
  2. De activiteit is nodig voor één van de in artikel 8.74l, eerste lid, onder b, gespecificeerde belangen.
  3. De activiteit doet geen afbreuk aan het streven de populaties van het konijn in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Analyse van andere bevredigende oplossingen

Bij activiteiten die konijnen kunnen schaden, moet worden aangetoond dat er – voor het konijn – geen andere haalbare en betere manier is om de activiteit uit te voeren dan de gekozen locatie, werkwijze, inrichting en planning. Hiervoor moeten dus alle mogelijke alternatieven worden afgewogen. Ook is het nodig om te onderzoeken in hoeverre de maatregelen uit hoofdstuk 4 kunnen zorgen voor een minder ernstig effect op het konijn.

Analyse van het belang van het project

Om een vergunning te kunnen verlenen, moet worden aangetoond dat de activiteiten noodzakelijk zijn en er sprake is van een geldig wettelijk belang. De belangenafweging is het proces waarbij wordt beoordeeld of een activiteit, die negatieve gevolgen heeft voor beschermde soorten, toegestaan mag worden. Dit gebeurt op basis van een zorgvuldige afweging van belangen.

In artikel 8.74l, lid 1, onder b, sub 1 t/m 13 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de belangen opgenomen die ten aanzien van het konijn zwaarder mogen wegen dan het beschermingsbelang. Is er sprake van een wettelijk belang, dan kan (mits ook voldaan wordt aan de andere twee genoemde voorwaarden) een vergunning of vrijstelling worden verleend.

Analyse van het effect van de activiteit op de staat van instandhouding

De derde voorwaarde om een vergunning te kunnen verlenen, stelt dat het effect van de activiteiten toelaatbaar moet zijn met oog op de staat van instandhouding van de soort. Vanuit de Omgevingswet dienen soorten een gunstige staat van instandhouding te behouden of moet deze hersteld worden. Als een omgevingsvergunning of een advies met instemming nodig is voor het uitvoeren van de activiteiten, is het altijd noodzakelijk om inzicht te krijgen in het effect van de activiteiten op de staat van instandhouding van het konijn.

Bij het bepalen van de effecten van activiteiten op de lokale staat van instandhouding van het konijn kan het noodzakelijk zijn om ook de effecten van andere activiteiten in de omgeving te betrekken (cumulatie) .

De landelijke staat van instandhouding

In 2022 heeft Wageningen Environmental Research (hierna: WENR) de landelijke staat van instandhouding voor het konijn beoordeeld (Ter Harmsel et al., 2022). De landelijke staat van instandhouding – in overeenstemming met de Habitatrichtlijn – wordt gevormd door: de populatie (absolute grootte en trend), grootte van het leefgebied van een groep /verspreiding (grootte en trend), leefomgeving (grootte, kwaliteit en trends daarvan) en het toekomstperspectief van deze drie parameters. Uit de beoordeling kwam naar voren dat door afname van het aantal konijnen ten opzichte van het referentiejaar 1994 (parameter ‘Populatie’) de staat van instandhouding is ingeschat als zeer ongunstig. De parameters ‘Leefgebied’ en het ‘Verspreidingsgebied’ zijn beoordeeld als gunstig, en het ‘Toekomstperspectief’ was onbekend.

Tabel 2.1: Beoordeling staat van instandhouding Konijn door Wageningen Environmental Research (2022).
ParameterStaat van instandhouding
VerspreidingsgebiedGunstig
PopulatieZeer ongunstig
LeefgebiedGunstig
ToekomstperspectiefOnbekend
Totaalbeoordeling SvIZeer ongunstig

Benodigd ecologisch onderzoek

Inleiding

Wanneer activiteiten (tijdelijk) negatieve effecten kunnen hebben op konijnen verplicht de natuurwetgeving om dit vooraf te onderzoeken. Daarom is het noodzakelijk om binnen de invloedsfeer van de activiteit onderzoek te doen naar de aan- of afwezigheid van het konijn, het al dan niet overtreden van verbodsbepalingen en, wanneer deze aan de orde zijn, naar de effecten van de activiteit op (de omvang van) de populatie en de staat van instandhouding.

Leeswijzer

In de paragrafen 3.2 en 3.3 is te lezen hoe te bepalen valt of het konijn aan- of afwezig is in een plangebied. Ook staat in deze paragrafen beschreven hoe de omvang van de populatie in en rondom het plangebied kan worden ingeschat. In paragraaf 3.4 komt de habitatskwaliteitsbeoordeling van het compensatiegebied aan bod.

Documentatie

Onderzoek moet goed gedocumenteerd en verantwoord worden. Het gaat er dan om wanneer, hoe en door wie het onderzoek is uitgevoerd en wat de resultaten ervan zijn, aangevuld met een ecologische onderbouwing. Deze documentatie is (vanuit de zorgplicht) altijd van belang, ongeacht of er uiteindelijk een aanvraag voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten of een advies met instemming wordt gedaan. Als een omgevingsvergunningsaanvraag nodig is, dan is het raadzaam om bij de bevoegde gezagen na te gaan op welke manier de verslaglegging van het onderzoek dient plaats te vinden. Bevoegde gezagen hebben hier doorgaans handleidingen voor.

Planning

Het onderzoek naar de aan- of afwezigheid van het konijn moet ruim voor aanvang van de activiteit in het gebied plaatsvinden. Hoe lang van tevoren is moeilijk te definiëren en is projectafhankelijk. Verschillende aspecten hebben hier invloed op, zoals de tijd die nodig is voor het onderzoek, de verwachte negatieve effecten op de functies van het konijn, het moment van uitvoering van de activiteiten in relatie tot het seizoen, de gewenningstijd die nodig is voordat maatregelen effectief zijn en de tijd die nodig is voor de procedure van een omgevingsvergunningsaanvraag. Houdt daarbij ook rekening met de juridische houdbaarheid van het ecologisch onderzoek.

Verkennend en verdiepend onderzoek

Er zijn binnen de context van flora- en fauna-activiteiten twee typen onderzoek naar het konijn:

  • Verkennend onderzoek: ook wel ‘quickscan’ genoemd, bestaat uit een bureauonderzoek en een verkennend veldonderzoek (zie paragraaf 3.2). Hiermee wordt de mogelijke aanwezigheid van het plangebied en de omgeving daaromheen voor het konijn ingeschat en bepaald of er door de ruimtelijke activiteiten potentiële negatieve effecten kunnen optreden op konijnen.
  • Verdiepend onderzoek: is noodzakelijk als uit het verkennend onderzoek blijkt dat aanwezigheid van het konijn niet kan worden uitgesloten én als de activiteit een negatief effect kan hebben op het konijn en/of zijn functionele leefomgeving. Dit onderzoek maakt duidelijk wat de verwachtte (tijdelijke) effecten zijn van deze ruimtelijke activiteiten. Hiervoor is het noodzakelijk de onderzoeksmethodieken in paragraaf 3.3 te volgen.

Hoeveel en welk onderzoek nodig is, hangt af van de grootte van het plangebied, de uit te voeren activiteiten en de verwachte effecten die daarbij optreden. Is op voorhand al aannemelijk dat konijnen in het onderzoeksgebied (kunnen) voorkomen, dan kan direct worden gestart met het verdiepend onderzoek. Het bureauonderzoek van het verkennende onderzoek kan in dat geval worden geïntegreerd in het verdiepend onderzoek.

Omgevingscheck

Het is nodig om bij het verkennend en verdiepend onderzoek, niet alleen het plangebied maar ook de directe omgeving van het plangebied te beoordelen op geschiktheid voor en aanwezigheid van konijnen; de zogeheten omgevingscheck. Het onderzoeksgebied is daarom doorgaans groter dan enkel het plangebied. Als konijnen net buiten het plangebied worden waargenomen, is het namelijk mogelijk dat ook het plangebied binnen de functionele leefomgeving van deze konijnen valt. Ook is het van belang om rekening te houden met de invloed van de activiteiten buiten de exacte planlocatie.

Als laatste is het nodig om te onderzoeken of door het ongeschikt worden van de planlocatie voor konijnen een naastgelegen konijnenleefgebied daardoor (op termijn) ook ongeschikt wordt. Dit leefgebied wordt niet direct geschaad door de ruimtelijke activiteiten, maar komt wel geïsoleerd te liggen. Aanwezige konijnen in dit aangrenzende gebied moeten dan eventueel worden herplaatst of er moeten bijvoorbeeld barrières worden opgeheven om isolatie te voorkomen.

Hoe uitgebreid deze omgevingscheck dient te zijn, hangt af van de aard en duur van de activiteiten en van de specifieke situatie rond het plangebied. Als uitgangspunt valt een minimum van 200 meter te hanteren, omdat dit doorgaans de maximale actieradius is van konijnen rondom hun burcht. Mochten ruimtelijke activiteiten op meer dan 200 meter van het plangebied een mogelijk negatief effect hebben, dan moet de omgevingscheck navenant worden uitgebreid.

Deskundigheid

Het verkennend en verdiepend onderzoek moet worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige.

Verkennend onderzoek

Het verkennend onderzoek schat in wat de geschiktheid van het plangebied en de omgeving daaromheen (omgevingscheck) is voor konijnen. Dit verkennende onderzoek bestaat uit bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek.

Bureauonderzoek: het gebruik van bestaande gegevens

Om na te gaan of konijnen potentieel aanwezig zijn in het plangebied, is het belangrijk om bestaande gegevens te raadplegen. Dat kan gaan om onderzoeksresultaten van al uitgevoerde projecten, gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), Waarneming.nl en Telmee, en provinciale of regionale verspreidingsatlassen. Daarnaast kan de Flora & Fauna Verkenner gebruikt worden om te zien of het konijn in een bepaalde omgeving is waargenomen. Voor particulieren die activiteiten aan of rondom het huis (laten) uitvoeren is de Beschermde Soortenindicator beschikbaar voor een globale inschatting van de aanwezigheid van de soort.

Verkennend veldonderzoek: beoordeling van de geschiktheid van het plangebied

Een verkennend veldonderzoek beoordeelt of er in het plangebied en de directe omgeving potentieel geschikt leefgebied aanwezig is voor het konijn. Deze geschiktheidsbeoordeling van het gebied is jaarrond uit te voeren. Het verkennend veldonderzoek bestudeert of het plangebied (en de directe omgeving) voedsel, dekking, rust- en verblijfplaatsen zou kunnen bieden voor konijnen. Tijdens het verkennend veldonderzoek worden waarnemingen en sporen van het konijn, als die er zijn, geregistreerd.

Konijnen komen voor in heel Nederland. Konijnen komen zelfs voor in (rand)stedelijk gebied zoals in parken, spoorbermen, volkstuintjes, sportvelden en begraafplaatsen. Konijnen zijn voornamelijk gebonden aan zandgronden, maar door menselijke activiteiten zijn ook goed gedraineerde klei- en veengronden ontstaan waar konijnen kunnen leven. Op basis van alleen het verspreidingsgebied of alleen habitatkenmerken of het ontbreken van zichtwaarnemingen zijn konijnen zelden uit te sluiten.

Als uit het verkennend onderzoek naar voren komt dat konijnen in (de omgeving van) het plangebied niet uitgesloten kunnen worden, is verdiepend onderzoek (zie paragraaf 3.3) noodzakelijk. De resultaten van het verkennend veldonderzoek kunnen gebruikt worden om de opzet van een eventueel verdiepend onderzoek te bepalen.

Habitatgeschiktheidsbeoordeling voor het aantonen van konijn

Naast het uitsluiten van konijnen is ook het aantonen van konijnen enkel op basis van habitatkenmerken, zoals bij kleine marterachtigen gebruikelijk is, geen geschikte methode. Door virusziekten kunnen konijnen plaatselijk afwezig zijn, ondanks goede habitatomstandigheden. Bovendien is de kans om konijnen aan te treffen, door de beschikbare onderzoeksmethoden en de leefwijze en het gebruik van het leefgebied van het konijn, veel groter dan bij kleine marterachtigen. Een habitatgeschiktheidsbeoordeling geeft daarnaast geen inzicht in de omvang van de lokale konijnen populatie, de burchtlocaties en de daarbij behorende functionele leefomgeving. Omdat deze informatie wel met andere onderzoeksmethodieken is te verkrijgen en waardevol is voor het beoordelen van de ruimtelijke activiteiten ten opzichte van de wettelijke bescherming, worden de onderzoeksmethodieken in paragraaf 3.3 beter geacht dan een habitatgeschiktheidsbeoordeling.

Verdiepend onderzoek naar konijnen in het plangebied

Verdiepend onderzoek is noodzakelijk als uit het verkennend onderzoek (zie paragraaf 3.2) blijkt dat aanwezigheid van het konijn niet kan worden uitgesloten én de activiteit een negatief effect kan hebben op het konijn en/of zijn functionele leefomgeving. De hiervoor geschikte onderzoeksmethodieken worden in deze paragraaf toegelicht.

Onderzoeksopzet

Verdiepend onderzoek maakt duidelijk of er wel of geen konijnen aanwezig zijn in het plangebied of de omgeving daarvan (omgevingscheck). Zijn konijnen aanwezig, dan brengt het verdiepend onderzoek de locatie en activiteit van de burcht, en de functionele leefomgeving in kaart en geeft het een inschatting van het aantal konijnen.
Welke onderzoeksmethodiek geschikt is om deze onderdelen van de inventarisatie van konijnen in kaart te brengen, staat weergegeven in tabel 3.1.

Opbouw van het onderzoek

Uitgangspunt is dat er altijd eerst een sporenonderzoek plaatsvindt en de burchtlocaties worden opgespoord. De methodiek hiervoor staat beschreven in paragraaf 3.3.1 Aanvullend kunnen andere onderzoeksmethoden noodzakelijk zijn. Deze staan beschreven in paragraaf 3.3.2:

  • 3.3.2.1 Konijnentellingen met een warmtebeeldkijker;
  • 3.3.2.2 Onderzoek van de burchtactiviteit met cameravallen op burcht;
  • 3.3.2.3 Konijnenonderzoek met cameravallen op foerageerplekken;
  • 3.3.2.4 Keuteltellingen.

Het sporenonderzoek is als eerste fase in het verdiepend onderzoek nodig omdat dit de enige methodiek is waarmee de burchtlocatie kan worden gevonden. Daarnaast is sporenonderzoek noodzakelijk om de andere aanvullende methoden optimaal in te kunnen zetten. Zonder een goede inventarisatie van het onderzoeksgebied kan niet goed bepaald worden waar de locaties van de telpunten of cameravallen moeten worden geplaatst.

Welke (combinatie van) onderzoeksmethodieken het meest geschikt zijn om in te zetten, kan afhankelijk zijn van de omstandigheden in het onderzoeksgebied en de beoogde ruimtelijke activiteiten. Als een vergunning nodig is, kan het verstandig zijn om bij complexe onderzoekslocaties tijdig en voorafgaand aan het onderzoek contact op te nemen met het bevoegd gezag. Er is dan al een uitgewerkt onderzoeksvoorstel nodig waarin de combinatie van gekozen onderzoeksmethodieken wordt verantwoord.

Tabel 3.1 Overzicht van welke methoden geschikt zijn voor het onderzoeken van konijnen in onderzoeksgebied. Let op: bij elke methodiek zijn er situaties waarin deze minder geschikt is voor specifieke onderdelen van de inventarisatie, een nadere toelichting wordt gegeven in paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.
Primair verdiepend onderzoekAanvullend verdiepend onderzoek
Onderdelen inventarisatieSporen-onderzoekKonijnen-tellingenCameravallen op de burchtCamera-vallen op foerageer-plekkenKeutel-tellingen
Onderzoeken van aanwezigheid of afwezigheid van konijnenVVVV
Burchtlocatie vindenV
Burchtactiviteit bepalenVV
Functionele leefgebied van de groep bepalenVV
Omvang van populatie in onderzoeksgebied bepalenVV*V

* de methodiek hiervoor wordt niet behandeld in dit kennisdocument.

Primair verdiepend onderzoek

Sporenonderzoek als primair verdiepend onderzoek
Mogelijkheden en beperkingen van deze onderzoeksmethodiek

Met sporenonderzoek kan worden onderzocht of konijnen aanwezig zijn in het onderzoeksgebied, kunnen burchtlocatie(s) worden opgespoord en de burchtactiviteit worden bepaald. Ook kan het functionele leefgebied van de aanwezige konijnen worden ingeschat. Bovendien is het sporenonderzoek de basis om eventueel aanvullend verdiepend onderzoek met een andere methodiek optimaal in te kunnen zetten.

De omvang van een populatie kan met sporenonderzoek niet worden bepaald. Om nader inzicht te krijgen in de omvang van de populatie is in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld als deze moet worden herplaatst, een aanvullende onderzoeksmethodiek noodzakelijk (zie paragraaf 3.3.2).

Bij onderzoeksgebieden waarvan grote delen een dichte (voor onderzoekers ontoegankelijke) begroeiing hebben, volstaat enkel het toepassen van deze methode niet om de aanwezigheid van konijnen uit te sluiten. Sporen en burchten kunnen immers over het hoofd worden gezien. Een aanvullende onderzoeksmethode (zie paragraaf 3.3.2) is dan nodig.

Met sporenonderzoek valt te bepalen of een burcht in gebruik is door konijnen. Mocht het onduidelijkheid zijn welke diersoort de burcht gebruikt, dan kan nader onderzoek met behulp van cameravallen op de burcht (zie paragraaf 3.3.2.2) noodzakelijk zijn.

Het sporenonderzoek valt in overzichtelijke onderzoeksgebieden te combineren met het verkennend veldonderzoek als onderdeel van de quickscan, zolang het veldonderzoek in overeenstemming met de beschrijving van de methodiek van het sporenonderzoek wordt uitgevoerd.

Methodiekbeschrijving

De volgende punten zijn van belang bij het uitvoeren van sporenonderzoek:

  1. Tijdens daglicht wordt tweemaal het gehele onderzoeksgebied (plangebied en de omgeving binnen een straal van 200 meter daarvan) onderzocht op sporen. Deze veldbezoeken zijn fijnmazig en daardoor zo volledig mogelijk gebiedsdekkend, zodat zekerheid kan worden verkregen over de aan- of afwezigheid van burchten en/of konijnen. Als bij het onderzoek konijnensporen worden gevonden, de burchtlocatie is opgespoord, duidelijk wordt bewoond, en duidelijk is waar gefoerageerd wordt, dan is een tweede bezoek niet nodig.
  2. Tussen de twee bezoeken zit ten minste twee weken, omdat je met twee bezoeken een toevallige afwezigheid kan uitsluiten. Deze bezoeken kunnen jaarrond plaatsvinden, zolang vegetatie in het groeiseizoen het zicht niet belemmert. Onderzoek kan niet worden uitgevoerd bij de aanwezigheid van sneeuw of als het heeft geregend op enig moment vanaf de avond voorafgaand aan het sporenonderzoek tot aan het moment van uitvoering. Konijnen zijn dan mogelijk niet (meer) naar buiten gekomen en/of sommige sporen kunnen zijn uitgewist of niet voldoende zichtbaar zijn.
  3. Bij het onderzoek wordt gezocht naar sporen (zie kader Sporen van het konijn) zoals burchten, vluchtpijpen, graafsporen, keutels, loopsporen, wissels of haren. Vooral het opsporen van de burcht(en) binnen het plangebied en in een straal van ruim 200 meter om het plangebied is van belang. Zijn er mogelijk meerdere sociale groepen, zoek dan alle burchten. Zoek tijdens het sporenonderzoek ook naar mogelijke foerageerlocaties in het plangebied. Foerageergebieden liggen doorgaans binnen 200 meter van de burcht (Dekker, 2007; Schäfers et al., 2016), maar kunnen ook verder weg liggen. Deze foerageerplekken zijn te herkennen aan korte vegetatie, graaf- en vraatsporen, vluchtpijpen, wissels en/of keutels.
Burchtactiviteit nader onderzoeken

Burchten die duidelijk evident niet meer gebruikt zijn, kunnen tijdens één bezoek worden beoordeeld als inactief. Er is dan geen sociale groep afhankelijk van deze burcht. Is het onduidelijk of de burcht in gebruik is, dan kan activiteit van konijnen als volgt worden onderzocht:

  1. Duw alle pijpen voorzichtig voor driekwart dicht met een hoopje zand, zodat er een opening overblijft van circa 2-3 centimeter hoog in de gang. Een andere mogelijkheid is om stokjes rechtop voor de ingangen neer te zetten. Doe dit op zo’n manier dat deze niet omvallen door wind of neerslag, maar ze bij het passeren van een konijn wel omvallen.
  2. Veeg hierna het zand voor de ingangen glad om pootafdrukken of keutels te kunnen herkennen.
  3. Controleer na minimaal een week of er pijpen zijn open gegraven, of stokjes omver zijn geworpen. Controleer de gladgestreken zandbedden ook op pootafdrukken of keutels van een konijn. Is de burcht tijdens het eerste sporenonderzoek al gevonden, en zijn de pijpen deels dichtgemaakt of zijn er stokjes geplaatst, dan kan het controleren van de burchtactiviteit ook worden gecombineerd met het tweede sporenonderzoek. Wordt de burcht pas tijdens het tweede bezoek gevonden, controleer dan na minimaal een week, tijdens een derde bezoek, de burchtactiviteit.
Resultaten interpreteren

Als er na twee bezoeken geen konijnen of sporen van konijn, zoals actieve burchten, graafsporen, keutels, haren, vraatsporen en loopsporen, zijn waargenomen mag ervanuit worden gegaan dat het konijn niet aanwezig is in het onderzoeksgebied. Worden er sporen van het konijn gevonden, dan duidt dit erop dat die locatie onderdeel is (of is geweest) van de functionele leefomgeving van het konijn.

Bij het aantreffen van de burcht kan ervan uit worden gegaan dat in een straal van 200 meter van deze burcht ook foerageerplekken aanwezig zijn. Aan de hand van de aanwezigheid van korte vegetatie, keutels, graafsporen en vluchtpijpen is te bepalen welke delen van het functionele leefgebied recent gebruikt zijn om te foerageren en welke dus van belang zijn voor het functionele leefgebied van de groep. Houdt er tijdens het onderzoek rekening mee dat bij een wisselend voedselaanbod de foerageerlocaties gedurende de seizoenen kunnen wisselen.

Ga bij elke aangetroffen burcht uit van een afzonderlijke sociale groep.

Ten aanzien van het nader controleren van de burchtactiviteit geldt:

  • Zijn er na een week sporen van konijn zichtbaar, en zijn pijpen weer belopen, dan is de burcht in gebruik.
  • Aan de hand van de hoeveelheid actief gebruikte ingangen kan geen bepaling worden gemaakt van het aantal konijnen in de sociale groep.
  • Vertonen alle ingangen van de burcht(en) tijdens het eerste bezoek tekenen van verval, en worden deze pijpen niet open gegraven na minstens een week, of zijn de stokjes niet omgestoten, dan is de burcht verlaten.
  • Worden de pijpen wel weer open gegraven of de stokjes omgestoten, maar zijn er geen pootafdrukken, haren of keutels van konijn, dan kan de burcht in gebruik zijn door een andere diersoort. Aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld met cameravallen op de burcht, kan in dat geval nodig zijn.
Sporen van het konijn

In dit tekstkader worden diverse sporen van het konijn omschreven. Ook is hier uitleg te vinden over waar en hoe moeilijk of gemakkelijk deze sporen te vinden zijn.

Haren van het konijn
De haren van het konijn zijn 2–3 centimeter lang. De bovenzijde van de dekharen is beige bruin met een zwart puntje. De wolharen zijn grijs, terwijl die van de haas juist wit zijn. Indien haren worden gevonden, liggen deze vaak in plukken bijeen, meestal als gevolg van gevechten, paringen of predatie.

Pootafdruk en loopsporen
Konijnen hebben voorpoten met vijf tenen en lange achterpoten met vier tenen (zie figuur 3.1). De ‘duim’ van de voorpoot is zo klein dat de afdruk ervan meestal niet goed te zien is. De afdruk van de voorpoot heeft een asymmetrische vorm, en die van de achterpoot een licht-asymmetrische vorm. De voorpoten zijn kleiner en spitser van vorm dan de achterpoten, die langer en meer eivormig zijn (Halfpenny, 1986). De afdruk van de achterpoot (circa 25 mm breed en 40 mm lang) is ietsje groter dan die van de voorpoot (circa 25 mm breed en 35 mm lang), omdat het gewicht van een groot deel van het lichaam hierop leunt (Van Diepenbeek, 1999).

Figuur 3.1: Schets van afdruk van rechtervoorpoot en -achterpoot met hiel. De asymmetrische vorm van de voorpoot en de 1e teen (duim) die bijna niet zichtbaar is, zijn belangrijke kenmerken (bron: tekening van Peter Twisk, bewerkt naar Van Diepenbeek, 1999).

Doordat de poten sterk behaard zijn, zijn de pootafdrukken vaak niet heel duidelijk. Teenkussens en voetkussens zijn vaak niet zichtbaar. Nagels zijn, afhankelijk van de ondergrond, wel vaak goed te zien in de afdrukken. Bij de voorpoot zijn de nagels dun en scherp, in de afdrukken vormen ze samen een omgekeerde letter ‘j’. Bij de achterpoot zijn de nagels forser.

Als het konijn zit, kan de afdruk van de hele achterpoot inclusief hiel wel tien centimeter lang zijn.

Het spoor van konijnen is circa 10 centimeter breed (Lange et al., 2003). Wissels zijn vaak goed herkenbaar. In een rustige huppelgang maakt het konijn passen van ongeveer 25 centimeter (afstand tussen de voorpoten en de opvolgende voorpoten). Bij een snelle spronggang kan de afstand tussen de voorpoten en de opvolgende voorpoten meer dan één meter uiteenlopen, zoals weergegeven in figuur 3.2 (rechts).

In de spronggang plaatst het konijn zijn achterpoten ver voor de afdrukken van de voorpoten. De achterpoten staan dan ook niet meer naast elkaar. In huppelgang staan de achterpoten wel naast of schuin achter elkaar en krijgt het spoor een typische y-vorm (zie figuur 3.2 (links) en (midden).

Figuur 3.2: Spoor van konijnen in sneeuw (links, bron: buiten-beeld.nl) en schematische schets van het spoor bij huppelgang (midden) met de kenmerkende y-vorm waarbij de achterpoten (A) naast elkaar staan. Snelle spronggang van konijn (rechts) waarbij zowel de voorpoten (v) als de achterpoten (A) onder elkaar staan.

Keutels
De keutels van konijnen zijn ongeveer één centimeter groot, kogelrond en hebben soms een puntje. De kleur varieert van grijs of geelbruin bij oudere keutels tot glimmend donkergroen als ze nog vers zijn (figuur 3.3 (rechts)). Konijnenkeutels zijn ongeveer de helft zo groot als hazenkeutels. Toch is het onderscheid niet altijd te maken, bijvoorbeeld als het geregend heeft of als het dieet vergelijkbaar is. Vooral keutels van jonge hazen lijken erg op die van konijnen.

Konijnen gebruiken een vaste plek—een latrine genoemd—om hun behoeften te doen. Hier liggen de keutels op een hoopje, zoals weergegeven in figuur 3.3 (links). Hazen doen dat niet. Deze latrines liggen vaak langs wissels. Latrines kunnen vlak bij de burcht liggen, maar liggen doorgaans ook op de plekken waar wordt gefoerageerd of aan territoriumgrenzen.

Figuur 3.3: Links een latrine met keutels van konijnen (bron: Saxifraga-Marijke Verhagen) en rechts keutels van dichtbij (bron: buiten-beeld.nl).

Vraatsporen
De aanwezigheid van konijnen is ook zichtbaar in vraatsporen. Vraatsporen kunnen bestaan uit opgegraven worteldelen, afgebeten knoppen (zie figuur 3.4 (rechts)), afgebeten dunne twijgjes en jonge scheuten. De vraat is te herkennen aan een schuin afgebeten uiteinde (met een snijhoek van 45 graden) met een scherp snijvlak, alsof de stengel met een mes is doorgesneden. Bij reeën of herten daarentegen is het snijvlak meer afgescheurd. De vraatsporen van hazen en konijnen zijn vrijwel identiek, met als belangrijkste verschil dat hazen hoger kunnen reiken. Beide diersoorten knagen aan loof- én naaldbomen, dwars op de lengterichting van stammen en takken; twee boventanden met ieder een afdruk van twee smalle groeven en twee ondertanden met elk een brede groef. Hierdoor lijken het vier snijvlakken in plaats van twee, wat heel kenmerkend is voor konijn. Ze voeden zich met zowel de schors als de bast in de winter (figuur 3.4 (links)). Soms worden omgevallen bomen (of snoeihout) volledig van hun schors ontdaan. Bij hoge populatiedichtheden zijn de lage takken in houtwallen en struiken soms opvallend gelijkmatig horizontaal aangevreten op hoogte van 50 à 60 centimeter. Dit wordt de vraatlijn genoemd en is meestal te vinden in struweel bij de burcht.

Figuur 3.4: Vraat aan de bast (links) door konijnen, bij voedseltekort door bijvoorbeeld sneeuw (bron: buiten-beeld.nl). Vraat van konijnen (rechts) aan kruiden (bron: Saxifraga-Bart Vastenhouw).

Graafsporen en burchten
In het leefgebied van konijnen kunnen vluchtpijpen, burchten en graafsporen eenvoudig te vinden zijn. Wentels (korte gangen die buiten een burcht worden gebruikt voor het werpen en zogen van jongen) zijn daarentegen goed verstopt en zelden makkelijk te vinden. In dicht struweel kunnen vluchtpijpen, burchten en graafsporen lastiger te vinden zijn dan in open gebied.

Onderscheid tussen vluchtpijp en burcht
In het veld is het lastig te onderscheiden of er sprake is van een vluchtpijp (zonder voortplantingsfunctie) of burcht (met voortplantingsfunctie). Een pijp kan eigenlijk alleen als (slechts) een vluchtpijp worden bestempeld als er in de buurt een actieve burcht is gevonden. Wordt er in de omgeving geen actieve burcht gevonden, dan moet er van uit worden gegaan dat de gevonden pijp een burcht is.

Herkennen actieve burchten
Actieve burchten zijn te herkennen aan open en duidelijk begrensde pijpen met een afmeting van minimaal 10 tot 15 centimeter. Veelgebruikte ingangen kunnen een veel grotere afmeting hebben. De vorm van de ingangen zijn staand ovaal. Naar binnen toe vernauwen de pijpen zich. Rond de pijpen ligt vaak vers uitgeworpen zand in lange zandbanen. Soms is er een geul in het uitgeworpen zand zichtbaar, wat gevormd wordt gevormd als het konijn hier doorheen loopt. In en rond de burcht liggen verse keutels en zijn er losse haren en pootafdrukken te vinden (zie figuur 3.5). Vanaf de pijpen lopen duidelijk zichtbare, kort gegraasde paadjes het terrein in. Naast veelgebruikte ingangen hebben burchten ook doorgaans moeilijk zichtbare uitgangen waar konijnen in nood uit kunnen schieten, zogenoemde spuitgaten.

Inactieve pijpen daarentegen zijn deels ingestort, hebben spinrag, bladeren of vegetatie in de opening en missen vers belopen grond. Bij inactieve pijpen blijven vaak lange tijd oude konijnenkeutels zichtbaar. Het kan lang duren voordat deze keutels zijn vergaan. Zeker in drogere periodes.

Figuur 3.5: Burcht van konijnen met grote berg uitgeworpen grond (bron: buiten-beeld.nl).

Aanvullende methodieken voor het verdiepend onderzoek

Aanvullend op het sporenonderzoek kunnen andere onderzoeksmethodieken nodig zijn om een goed beeld te krijgen van de aanwezigheid van konijnen in of om het plangebied, en van de omvang van de populatie. Sporenonderzoek is wel altijd het eerst uit te voeren onderzoek.

Het inzetten van een aanvullende methodiek kan nodig zijn om twee redenen. Als eerste is met sporenonderzoek geen aantalsbepaling mogelijk. Hiervoor is een aanvullende onderzoeksmethodiek onmisbaar. Daarnaast kan sporenonderzoek soms minder betrouwbaar zijn (bijvoorbeeld door ontoegankelijke terreindelen) en kunnen konijnen in een specifieke situatie onvoldoende worden uitgesloten. Voor het uitsluiten van konijnen kan dan een aanvullende onderzoeksmethodiek worden ingezet.

Zijn er tijdens het sporenonderzoek wél recente sporen gevonden, bijvoorbeeld een burcht van het konijn, maar zijn er bij de aantalsbepalingen met een aanvullende onderzoeksmethodiek geen konijnen waargenomen, dan kan het nodig zijn nog meer observaties of onderzoeksmethodieken in te zetten voor een betrouwbare aantalsbepaling. Het uitsluiten van konijnen kan met een aanvullende methodiek alleen als er tijdens het sporenonderzoek ook geen recente sporen aanwezig waren.

In navolgende deelparagrafen worden vier aanvullende onderzoeksmethodieken toegelicht.

3.3.2.1 Konijnentellingen met een warmtebeeldkijker
Mogelijkheden en beperkingen van deze onderzoeksmethodiek

Met konijnentellingen kan, aanvullend aan het sporenonderzoek, worden vastgesteld of het konijn aanwezig is in het onderzoeksgebied. Ook valt het functionele leefgebied van een of meerdere sociale groepen te bepalen bepaald, evenals de omvang van de sociale groep(en). De locatie en de kenmerken van de burchtlocatie kunnen hiermee echter moeilijk worden onderzocht.

In dichte begroeiing kan deze methode minder betrouwbaar zijn en kan het nodig zijn extra aanvullend onderzoek te doen met cameravallen op de burcht (zie paragraaf 3.3.2.2) en op foerageerplekken (zie paragraaf 3.3.2.3).

Methodebeschrijving

De volgende punten zijn van belang:

  • Breng voorafgaand aan de telling alle relevante structuren in kaart, inclusief greppels, sloten, hoge vegetatie en obstakels waar konijnen moeilijk zichtbaar zijn. Dit kan bijvoorbeeld tijdens het verkennend veldonderzoek of tijdens het sporenonderzoek. Let daarbij op de habitatkenmerken die belangrijk zijn voor het konijn, om zo de meest kansrijke plekken te bepalen voor het aantreffen van konijnen. Dit zijn met name de foerageergebieden met lage vegetatie.
  • Zorg voor voldoende telpunten waarmee nagenoeg het gehele gebied kan worden onderzocht. Houd rekening met de grootte van het onderzoeksgebied, de kwaliteit van de warmtebeeldkijker en de terreineigenschappen in het gebied. Plaats ook telpunten aan de andere zijde van obstakels. Selecteer de locaties zodanig dat er zo min mogelijk verstoring tijdens de telling kan optreden.
  • Om verstoring te minimaliseren en de trefkans van konijnen te vergroten, wordt stilstaand tellen vanaf één punt betrouwbaarder geacht dan al langzaam lopend tellen. Besteed ten minste 10 minuten per telpunt aan het stilstaand tellen. Voorkom verstoring door bijvoorbeeld het schijnen met een zaklamp of het maken van geluid. Maak zoveel mogelijk gebruik van bestaande infrastructuur. Een vervoersmiddel om te verplaatsen tussen de telpunten kan wel gebruikt worden, zolang dit geen verstoring geeft waardoor konijnen zich gaan verstoppen. Is verstoring bij het verplaatsen niet te voorkomen, kies er dan voor om te wachten met de telling van 10 minuten totdat de verstoring voorbij is (konijnen komen weer uit de dekking).
  • Het is noodzakelijk om twee bezoeken uit te voeren, met een tussenperiode van minimaal twee weken om toevallige afwezigheid uit te kunnen sluiten. Plan de bezoeken tussen zonsondergang en zonsopgang. Deze bezoeken kunnen jaarrond worden ingepland.
  • Geef aan met welke warmtebeeldkijker het onderzoek is uitgevoerd. Kijkers met een sensorresolutie van minimaal 640×480 pixels, een minimale (digitale) vergroting van 2.5x en een NETD-waarde van ≤25 mK zijn zeer geschikt om konijnen op een afstand van 300 meter nog te kunnen onderscheiden van een haas. Warmtebeeldkijkers met mindere specificaties zijn ook bruikbaar, maar dan kan mogelijk minder ver worden waargenomen en zijn er wellicht meer telpunten nodig.
  • De tellingen moeten plaatsvinden bij geschikte weersomstandigheden per telpunt: (grotendeels) droog, met een maximale windkracht 4 Beaufort, en zonder grondmist, vorst of sneeuw.
  • Noteer indien mogelijk of het waargenomen individu een adult is of een juveniel. Daarmee is dan inzichtelijk of er ook succesvolle voortplanting in de burcht plaatsvindt.
Resultaten interpreteren
  • Worden er konijnen waargenomen, neem dan het hoogste aantal waargenomen konijnen als uitgangspunt voor de inschatting van het aantal konijnen in het plangebied.
  • Zijn er tijdens deze de bezoeken geen konijnen waargenomen, dan kan de aanwezigheid van konijnen worden uitgesloten.
  • Als bij het sporenonderzoek actieve burchten worden aangetroffen, maar tijdens twee tellingen geen konijnen worden gezien, dan kan het nodig zijn aanvullend onderzoek nodig zijn om het aantal konijnen en de omvang van het leefgebied te kunnen bepalen. Het kan dan gaan om een aanvullende telling of andere onderzoekmethodieken van paragraaf 3.3.2.
3.3.2.2 Onderzoeken van de burchtactiviteit met cameravallen op de burcht

Mogelijkheden en beperkingen van deze onderzoeksmethodiek
Met cameravallen op alle ingangen van een burcht kan, aanvullend op het sporenonderzoek, worden vastgesteld of er konijnen in het burcht aanwezig zijn of dat de burcht verlaten is. Deze methodiek kan ook nuttig zijn als bij een actieve burcht niet duidelijk is of de burcht wordt gebruikt door konijnen of door andere soorten.

Deze methode is alleen nuttig als er niet (te veel) belemmerende vegetatie rond de burcht aanwezig is.

Methodiekbeschrijving
Bepalen van bewoning

Richt cameravallen op alle ingangen van de (vlucht)pijp(en) gedurende minimaal één week. Zorg ervoor dat de cameravallen ook de omgeving van de betreffende pijp voldoende in beeld hebben om vertrekkende en aankomende konijnen vast te leggen. Het zal geregeld voorkomen dat er meerdere camera’s per burcht nodig zijn.

Zorg ervoor dat de cameralens op 30-50 centimeter van de grond wordt geplaatst, op ongeveer 3-5 meter van een ingang. Activeer ook de ‘time-lapse’ functie, zodat de camera elke 12 uur een foto maakt. Op die manier kan achteraf worden vastgesteld of de cameraval wel heeft gewerkt.

Bepalen van aantal individuen

Met camera’s of cameravallen kan in theorie ook een inschatting gemaakt worden van het aantal bewoners van een burcht, maar hier is in de praktijk nog weinig ervaring mee. Bij deze methode kan door middel van tellingen van vertrekkende en terugkomende konijnen een minimaal aantal konijnen worden bepaald. Dit vereist maatwerk en een goed doordachte onderzoekopzet. In dit kennisdocument wordt dit verder niet behandeld.

3.3.2.3 Konijnenonderzoek met cameravallen op foerageerplekken
Mogelijkheden en beperkingen van deze onderzoeksmethodiek

Met cameravallen op foerageerplekken kan, aanvullend op het sporenonderzoek en de tellingen, worden aangetoond of uitgesloten dat er konijnen in het plangebied aanwezig zijn. Hiervoor kan bijvoorbeeld gekozen worden als het sporenonderzoek niet gebiedsdekkend kon zijn plaatsvinden.

Omdat konijnen doorgaans individueel niet goed uit elkaar gehouden kunnen worden met cameravallen, is de omvang van de konijnenpopulatie en het functionele leefgebied met deze methode onvoldoende in te schatten. Ook trekt het gebruik van voerwortels konijnen aan waarvan de aantrekkingsafstand onbekend is. Deze methodiek is daarnaast niet bedoeld om de burchtlocatie te vinden of om de burchtactiviteit te bepalen.

Cameravallen kunnen in principe jaarrond worden gebruikt. Echter, deze methode is in de winterperiodes minder geschikt bij locaties met (kans op) hoogwater, zoals in de uiterwaarden.

Als de omgeving van de burcht veel voedsel biedt, kan het moeilijk zijn om konijnen te lokken met voerwortels in de richting van de cameravallen. Deze methodiek is dan minder betrouwbaar.

Combineer het onderzoek niet met onderzoek naar andere diersoorten, waarbij andere lokmiddelen worden ingezet. Dit vanwege de mogelijk ongewenste wisselwerking tussen konijnen en eventueel andere aanwezige soorten. Het beste kunnen beide onderzoeken daarom in verschillende, niet overlappende, periodes worden uitgevoerd.

Methodiekbeschrijving

Het neerleggen van voerwortels voor een cameraval gedurende minimaal vier weken is een goede aanvullende methode om de aanwezigheid van konijnen in het onderzoeksgebied te kunnen onderzoeken. Deze cameravallen kunnen geplaatst worden op foerageerplekken, omdat konijnen gewend zijn hier te foerageren. Omdat de vegetatie laag wordt gehouden, belemmert vegetatie hier ook minder het zicht van de camera. Plaats bij aanvang en na twee weken steeds twee kilo voerwortels per cameraval. Positioneer de camera’s zo dat vegetatie niet het zicht belemmert.

Dit onderzoek kan worden ingezet onder alle weersomstandigheden.

Eén of enkele cameravallen kunnen bij grotere onderzoeksgebieden onvoldoende zekerheid geven over de aan- of afwezigheid van het konijn, zeker als er veel voedsel buiten het zicht van de cameraval beschikbaar is. De aanpak en het aantal in te zetten cameravallen moet daarom worden bepaald door een deskundige met voldoende kennis en ervaring met deze vorm van onderzoek. In gebieden met lage aantallen konijnen, veel variatie en/of veel beschutting kunnen vier of meer cameravallen per hectare nodig zijn. In meer homogene en open gebieden kan eerder volstaan worden met één tot twee cameravallen per hectare.

3.3.2.4 Keuteltellingen
Mogelijkheden en beperkingen van deze onderzoeksmethodiek

Een methode om konijnendichtheden (per habitattype of tussen gebieden) te bepalen is met keuteltellingen (Palomares, 2001; Bankert et al., 2003; Fernández-de-Simon et al., 2011). Met keuteltellingen kunnen aantallen konijnen in een onderzoeksgebied worden bepaald; zowel absolute dichtheden als relatieve dichtheden (als vergelijking tussen het onderzoeksgebied en andere gebieden). Het is een geschikte aanvullende methode voor onoverzichtelijke gebieden en gebieden met veel verstoring, waar konijnen niet goed telbaar zijn met nachtzichtapparatuur.

Deze onderzoeksmethodiek is bedoeld voor het bepalen van aantallen konijnen. Omdat dit onderzoek zich enkel richt op keutels en niet op het vinden van andere sporen, is deze methodiek niet geschikt voor het bepalen van afwezigheid. Voor het uitsluiten van aanwezigheid van konijnen worden daarom andere onderzoeksmethodieken effectiever geacht. Ook wordt de burchtlocatie hier niet gericht mee opgespoord, de burchtactiviteit niet gericht onderzocht en het functionele leefgebied niet bepaald.

De methodiek is minder geschikt als de dichtheid van konijnen erg laag is of als hoog gras het detecteren van keutels bemoeilijkt. Zijn er recente sporen van konijnen waargenomen tijdens het sporenonderzoek, maar worden er geen keutels waargenomen tijdens de keuteltelling, dan is de dichtheid van konijnen tijdens de onderzoeksperiode mogelijk laag. De aantalsschatting is dan minder nauwkeurig. Konijnen kunnen in ieder geval alleen worden uitgesloten als er tijdens het sporenonderzoek ook geen recente sporen van konijnen zichtbaar waren.

Methodiekbeschrijving

De methode werkt als volgt: het aantal keutels dat in plots is geteld, wordt verrekend met het gemiddelde aantal keutels dat een konijn produceert (de ‘defaecation rate’) en met de bemonsterde oppervlakte. Dit geeft een goede inschatting van de dichtheid (Bankert et al., 2003).

Bij keuteltellingen zijn de volgende punten (of stappen) van belang:

  1. De methode bestaat uit het uitzetten van vaste plots. De plots kunnen willekeurig worden gekozen (Van Oosten et al., 2009) of in een grid worden uitgezet. De verdeling van de plots is belangrijk voor een betrouwbaar resultaat. Zorg voor een verdeling die representatief is voor de samenstelling van de vegetatie en neem meer plots bij een groter studiegebied. Streef naar 10-20 plots per hectare.
  2. In het middelpunt van elk plot wordt een paaltje geplaatst. Met een touw van 69 centimeter dat aan het paaltje is bevestigd, kan een oppervlakte van 1,5 m² worden afgemeten.
  3. De plots worden eerst leeggeraapt. Na een periode van 21 tot 28 dagen worden op één dag in één keer de keutels in alle plots geteld. Noteer het interval tussen leegrapen en tellen, want die is belangrijk voor de aantalsberekening.
  4. Het aantal konijnen per hectare (d) is als volgt te berekenen: neem het gemiddelde van het getelde aantal keutels per plot (μ), gedeeld door het product van de gemiddelde defaecation rate oftewel keutels per etmaal (ρ), de oppervlakte van het plot in vierkante meters (A) en het aantal dagen tussen leegrapen en telling (T):
    d = 10.000 μ / (ρ · T · A)
    Bankert et al. (2003) berekenden een defaecation rate van 335 keutels per etmaal per konijn, González-Redondo (2009) berekende 373 keutels per etmaal per konijn.
  5. Men kan zich beperken tot delen van het terrein waarvan uit verkennend onderzoek is gebleken dat deze door konijnen worden gebruikt. Neem in dat geval bij de berekening niet de oppervlakte van het hele projectgebied mee, maar alleen die van de betreffende terreindelen.
  6. Bij lage dichtheden kan het zijn dat er zelfs na 28 dagen nauwelijks keutels in de leeggeraapte plots liggen. De aantalsschatting is dan minder nauwkeurig. Men zou daarom in zulke gevallen langer dan 28 dagen kunnen wachten als een nauwkeurige schatting gewenst is. De afbraaksnelheid van keutels in normale omstandigheden is veel langer dan de 28 dagen, dus dit beïnvloed de betrouwbaarheid van de berekening niet.

Minder geschikte en ongeschikte methodieken om konijnen uit te sluiten, aan te tonen of het aantal konijnen te bepalen

Er zijn ook minder geschikte en ongeschikte methodieken om konijnen uit te sluiten, aan te tonen of het aantal konijnen te bepalen. Hieronder worden er 5 toegelicht.

1. Tellingen overdag met een verrekijker of met behulp van een warmtebeeldcamera gekoppeld aan een drone

Onderzoeken met behulp van een warmtebeeldcamera gekoppeld aan een drone vinden plaats bij daglicht, omdat op die momenten zowel warmtebeeld als reguliere luchtfotobeelden beschikbaar zijn. Ook onderzoeken met een verrekijker vinden overdag plaats. Alhoewel konijnen overdag actief kunnen zijn, is het konijn (zeker in gebieden met een hoge predatiedruk) vooral nachtactief. Overdag schuilen konijnen in burchten of vluchtpijpen. Daarom is onderzoek overdag niet geschikt voor het bepalen van de afwezigheid van het konijn of voor het in beeld brengen van de absolute omvang van de populatie. De aanwezigheid van konijnen kan wel worden aangetoond met deze methodieken.

2. Restlichtversterkers

Restlichtversterkers zijn niet geschikt voor onderzoek om konijnen te kunnen uitsluiten of om het aantal konijnen te kunnen bepalen. Elke vorm van begroeiing vermindert het zicht, terwijl dit bij warmtebeeldkijkers (zie paragraaf 3.3.2.1) veel minder belemmerend is. Daarom is deze onderzoekmethodiek niet geschikt voor het bepalen van de afwezigheid van het konijn of voor het in beeld brengen van de absolute omvang van de populatie. De aanwezigheid van konijnen kan wel worden aangetoond met deze methodiek.

3. Meetprogramma van Netwerk Ecologische Monitoring

Het Meetprogramma Dagactieve Zoogdieren en Broedvogel Monitoring Project van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) die ook konijnen telt, is gericht op het verzamelen van data waarmee de trends van soorten kunnen worden bepaald. Dit meetprogramma is gericht op een trendanalyse en bepaalt relatieve aantallen en is niet zozeer gericht op het uitsluiten van aanwezigheid van soorten, of het bepalen van het absolute aantal van een soort op een specifieke locatie. Daarom is deze methodiek niet geschikt voor het vaststellen van de afwezigheid van het konijn of voor het in beeld brengen van de absolute omvang van de populatie. Als indicatie van de aanwezigheid van het konijn in het onderzoeksgebied kan deze methodiek wel geschikt zijn.

4. Trendtellingen Jagersvereniging

Het telprotocol van de Jagersvereniging met warmtebeeldkijker is gericht op een trendanalyse en niet op het volledig in kaart brengen van alle konijnen. Het betreft één telling die in april plaatsvindt. De apriltelling kan bruikbaar zijn als eerste bezoekronde, mits deze exact wordt uitgevoerd zoals beschreven in het protocol van paragraaf 3.3.2.2. Dit betekent bijvoorbeeld dat er geen gebruik kan worden gemaakt van een vervoersmiddel tijdens het tellen en dat er 10 minuten moet worden gepost vanaf vaste telpunten. Deze methodiek is dus slechts deels geschikt voor het aantonen van de afwezigheid van het konijn of voor het in beeld brengen van de absolute omvang van de populatie. Om de aanwezigheid van het konijn in het onderzoeksgebied aan te tonen, kan, bij waarnemingen van het konijn, deze methodiek wel geschikt zijn.

5. Fretteren

Fretteren is een jachttechniek, waarbij fretten konijnen uit hun burcht drijven, vaak in netten of buidels. Dit proces veroorzaakt aanzienlijke stress en kan zelfs leiden tot sterfte bij de konijnen. Daarom is fretteren geen verantwoorde telmethode in het kader van de onderzoeksverplichting bij ruimtelijke activiteiten.

Onderzoek naar de kwaliteit van habitat in het compensatiegebied

Als er konijnenhabitat verloren gaat, kan het nodig zijn elders (vooraf) leefgebied te compenseren. Dat kan een compensatiegebied zijn dat grenst aan of onderdeel is van het plangebied, maar het kan ook een compensatiegebied zijn dat zich op grotere afstand van het plangebied bevindt. Of een compensatiegebied nu aangrenzend of verder weg is, beide worden hierna aangeduid als ‘compensatiegebied’.

Het is noodzakelijk dat een ecologisch deskundige de situatie in het beoogde compensatiegebied beoordeeld. Zo moet beoordeeld worden of het beoogde gebied geschikt is voor de konijnen. Het gebied kan bijvoorbeeld al geschikt zijn als konijnen in dat gebied recent door ziekten zijn verdwenen. De habitat dient van voldoende kwaliteit te zijn om de konijnen duurzaam te kunnen herbergen en mogelijk ook de populatie te kunnen laten groeien. De habitatkwaliteit is daarbij direct van invloed op de draagkracht van het gebied, aangezien factoren zoals voedselbeschikbaarheid, dekking en graafmogelijkheden bepalen hoeveel individuen het gebied duurzaam kan ondersteunen. Het kan nodig zijn de draagkracht van het compensatiegebied duurzaam te verhogen om ruimte te bieden aan zowel de aanwezige als de bij te plaatsen extra konijnen. Met de habitatkwaliteitsbeoordeling valt te bepalen of en welke ‘knelpunten’ in dit gebied aanwezig zijn voor de konijnenpopulatie en in hoeverre deze knelpunten verbeterd of opgelost kunnen worden.

In deze paragraaf worden de variabelen voor deze habitatkwaliteitsbeoordeling toegelicht.

Variabelen voor de habitatkwaliteitsbeoordeling

In onderstaande lijst is uitgewerkt welke onderdelen grofweg bepalend kunnen zijn voor de draagkracht van het compensatiegebied.

Een optimaal compensatiegebied heeft:

  1. jaarrond voldoende kwalitatief voedsel beschikbaar;
  2. voldoende openheid en dekking;
  3. een goed vergraafbare bodem met voldoende droge omstandigheden om een burcht te kunnen bouwen;
  4. een lage predatiedruk door met name huiskatten en honden;
  5. een niet geïsoleerde ligging ten opzichte van andere populaties.

Onderzoeksinspanning bij de habitatkwaliteitsbeoordeling van het compensatiegebied

Welke onderzoeksinspanning nodig is om de kwaliteit van habitat in een compensatiegebied te kunnen beoordelen, hangt af van de omvang en de situatie in het gebied. Er is ten minste één veldbezoek in het compensatiegebied nodig om een gebiedsinschatting en een gebiedsbeschrijving te kunnen maken. Denk aan de inrichting van het gebied, de structuren die dekking en/of voedsel bieden, de vegetatie, het landgebruik, welke gewassen worden geteeld, welke barrières er zijn en hoe deze kunnen worden ontsloten, et cetera. Het onderzoeken van de predatiedruk zal vooral op hoofdlijnen nodig zijn. Een compensatiegebied in een hondenlosloopgebied of vlak langs een wijk met huiskatten is dan minder optimaal.

Onderzoek in het beoogde compensatiegebied ook de aanwezigheid van konijnen. De al aanwezige konijnen kunnen namelijk territoriaal gedrag vertonen richting de bij te plaatsen konijnen. De ligging van bewoonde burchten moet daarom goed in beeld worden gebracht. Hiervoor zijn de onderzoeksmethodieken van paragraaf 3.3 te gebruiken. Tijdens dit onderzoek kan de beste locatie worden bepaald om konijnen uit het plangebied naartoe te verplaatsen. Zet konijnen niet uit binnen 200 meter van bestaande konijnenburchten. Zet echter ook geen konijnen uit in gebieden waar de groep geïsoleerd komt te liggen. Er moet een mogelijkheid zijn om naar ander geschikte gebieden te dispergeren.

Aanvullend op het veldonderzoek is een bureauonderzoek over het compensatiegebied noodzakelijk, bijvoorbeeld naar de bodemgesteldheid. Dit bureauonderzoek is vergelijkbaar met een bureauonderzoek naar konijnen in een plangebied (zie paragraaf 3.2), maar richt zich specifiek op de onderdelen van de habitatkwaliteitsbeoordeling.

Voor het bureauonderzoek zijn verschillende bronnen te raadplegen, zoals:

  • de actuele stand van ziekte-uitbraken via Dutch Wildlife Health Centre;
  • bodemkaarten;
  • topografische kaarten;
  • satellietbeelden en luchtfoto’s;
  • de Basisregistratie Gewaspercelen;
  • leggerkaarten van waterschappen;
  • gegevens van wegbeheerders;
  • hoogtekaarten;
  • (afschot)gegevens van de Faunabeheereenheid;
  • omgevingsplannen van de gemeente.
Uitkomst van de habitatkwaliteitsbeoordeling

De uitkomst van de habitatkwaliteitsbeoordeling is een kwalitatieve beschrijving van het compensatiegebied door een ecologisch deskundige. Hierin wordt aangegeven wat de draagkracht nu is en welke kenmerken in het gebied beperkend zijn voor een groter aantal konijnen. Met deze beoordeling kan vervolgens een voorstel worden uitgewerkt om het gebied te optimaliseren, gericht op het verbeteren van de beperkende elementen van de habitat.

Het is moeilijk vast te stellen hoeveel de draagkracht kan worden verhoogd door het nemen van optimalisatiemaatregelen. Een ecologisch deskundige zal moeten inschatten hoeveel het gebied wordt verbeterd en hoeveel de dichtheid aan konijnen in potentie minimaal kan toenemen.

Met behulp van deze habitatkwaliteitsbeoordeling kan ook de beste locatie worden gezocht voor het aanbieden van een alternatieve burcht (zie paragraaf 4.4.3) voor de te verplaatsen konijnen.

Mogelijke maatregelen ten gunste van het konijn

Inleiding

In dit hoofdstuk worden een aantal voorbeelden van maatregelen ten gunste van het konijn genoemd. Deze maatregelen kunnen genomen worden op het moment dat ruimtelijke activiteiten negatieve effecten op konijnen hebben. Het nemen van één of meer van deze maatregelen kan negatieve effecten voorkomen of beperken.

De in dit hoofdstuk opgenomen maatregelen kunnen meer algemeen van aard zijn, gericht op het zorgvuldig handelen, maar het kunnen ook mitigerende of compenserende maatregelen zijn. Het uitgangspunt is dat de konijnenpopulatie, ondanks de ruimtelijke activiteiten, in stand kan blijven.

De beschreven maatregelen zijn voorbeelden. Ze kunnen houvast bieden en een hulpmiddel zijn om de effecten op het konijn te voorkomen, te verzachten of te compenseren. Elk gebied en alle activiteiten zijn uniek. De genomen maatregelen bestaan daarom altijd uit maatwerk. Een ecologisch deskundige bepaalt wanneer, waar, welke en hoeveel maatregelen in het specifieke project moeten worden getroffen en schat in hoe effectief deze zullen zijn. Het bevoegd gezag toetst vervolgens deze maatregelen. Er zijn mogelijk ook andere maatregelen toepasbaar die niet in het kennisdocument staan. In dat geval is het van belang een goede onderbouwing te geven waarom de te nemen maatregelen effectief zullen zijn. De aanpak mag dus afwijken van wat in het kennisdocument staat, mits ecologisch goed onderbouwd.

De volgende maatregelen worden hierna per paragraaf nader toegelicht:

Werken buiten kwetsbare periode

Maatregel

Activiteiten die negatieve effecten kunnen hebben op konijnen worden in principe uitgevoerd buiten de kwetsbare periode van het konijn.

Uitleg

Konijnen gebruiken hun leefgebied jaarrond, maar zijn kwetsbaar in de voortplantingsperiode. Door de activiteiten buiten deze kwetsbare periode uit te voeren, kunnen effecten worden gemitigeerd of zelfs voorkomen worden. Een ecologisch deskundige kan beoordelen of en wanneer de activiteiten kunnen plaatsvinden. Deze beoordeling hangt af van de gevolgen van de activiteiten voor het leefgebied van het konijn of voor het konijn zelf.

De voortplanting begint in februari en eindigt globaal in augustus. In de maand september zijn er nog niet-zelfstandige jonge konijnen te verwachten. De kwetsbare periode loopt daarom van februari tot en met september, zie tabel 4.1. De genoemde periode kan eerder of later beginnen en eerder of later eindigen. Dit is afhankelijk van de lokale klimatologische omstandigheden en weersomstandigheden. Bij hoge uitzondering kan er bijvoorbeeld ook al in de maand januari kans zijn op jonge konijnen. Een ecologisch deskundige zal daarom altijd moeten inschatten welke werkzaamheden, op welke afstand van de burcht mogelijk negatieve effecten heeft op de voortplantingsfunctie. Ook bij sneeuw en vorst moet een ecologisch deskundige inschatten of de activiteiten negatieve effecten kunnen hebben op konijnen.

Tabel 4.1: Globaal overzicht van perioden waarin activiteiten die een verblijfplaats of een daaraan gerelateerde functie van jonge konijnen aantasten, wel of niet kunnen worden uitgevoerd.
JanFebMrtAprMeiJunJulAugSeptOktNovDec
0XXXXXXXX000
X Geen activiteiten uitvoeren die mogelijk negatieve effecten hebben op populaties met jonge konijnen
0 Activiteiten uitvoeren onder begeleiding van een ecologisch deskundige

Afstemmen van de werkwijze op de aanwezigheid van konijnen

Maatregel

De werkwijze van de activiteiten (waaronder de keuze van de te gebruiken apparatuur, de planning en de fasering) kunnen door de ecologisch deskundige zo ingericht worden dat er geen of zo min mogelijk negatieve effecten op konijnen optreden.

Uitleg

Wanneer activiteiten negatieve effecten op konijnen tot gevolg kunnen hebben, is het van belang ze zo uit te voeren dat deze effecten worden geminimaliseerd. Het zoeken naar een werkwijze die voor de aanwezige konijnen zo gunstig mogelijk uitvalt, is een voortdurend proces dat zowel bij de planfase als tijdens de uitvoering van de activiteiten moet plaatsvinden. Het zo veel mogelijk behouden van het leefgebied en de functionaliteit daarvan is altijd het uitgangspunt bij het uitvoeren van activiteiten. Kan het leefgebied niet in zijn geheel behouden blijven, dan kunnen negatieve effecten op konijnen worden beperkt door bijvoorbeeld de manier van werken of de te gebruiken apparatuur zo te kiezen dat konijnen hier het minst hinder van ondervinden.

Deze maatregel is bedoeld voor situaties waarin activiteiten plaatsvinden in het konijnenleefgebied zonder dat de functionaliteit zodanig wordt aangetast dat de konijnen moeten verhuizen. Zijn de activiteiten dermate verstorend dat verblijfplaatsen (inclusief vluchtpijpen) worden aangetast en de konijnen moeten verhuizen, dan gelden (aanvullend) de maatregelen zoals genoemd in paragraaf 4.4 en 4.5.

Algemene richtlijnen

Om de werkwijze af te stemmen op de aanwezige konijnen kunnen de volgende richtlijnen en aanbevelingen worden aangehouden:

  • Onderzoek voorafgaand aan de activiteiten welke landschapsstructuren in het plangebied van belang zijn voor konijnen en stem daarop de activiteiten. Zoek voorafgaand aan de definitieve planvorming uit welke alternatieven er zijn in de werkwijze en inrichting, zodat belangrijke elementen voor konijnen zo veel mogelijk worden ontzien en de kwaliteit van het gebied voor konijnen zo veel mogelijk behouden blijft.
  • Zorg ervoor dat de burcht en wentels ondanks de werkzaamheden kunnen blijven functioneren.
  • Markeer een 20-metergrens (gemeten vanaf de buitenste ingangen) rondom een konijnenburcht in het veld goed, zodat deze tijdens de werkzaamheden niet over het hoofd wordt gezien. Gangen van konijnen kunnen ondergronds ver doorlopen. Door deze zone aan te houden wordt voorkomen dat ondergrondse gangen beschadigen.
  • Markeer ook aangetroffen wentels. Houd 2 meter afstand tot wentels. Wentels lopen ondergronds immers niet ver door.
  • Voer de activiteiten in het leefgebied van konijnen in beginsel uit buiten de kwetsbare periode, zoals genoemd in paragraaf 4.2.
  • Voer werkzaamheden gefaseerd uit, zodat gedurende de uitvoering voldoende geschikt leefgebied beschikbaar blijft voor de aanwezige konijnen en de burcht functioneel kan blijven. Deze fasering is maatwerk en afhankelijk van de draagkracht van het gebied, het beschikbare resterende leefgebied en de beoogde werkzaamheden.
  • Start de activiteiten op een locatie zo ver mogelijk van de burcht en voer de werkzaamheden in de richting van de burcht uit.
  • Laat, bij werkzaamheden die buiten de 20-meterzone plaatsvinden, de ecologisch deskundige bepalen hoelang deze mogen duren.
  • Plaats zo min mogelijk (extra) werkverlichting en richt deze zo dat de (ingangen van de) burcht niet wordt verlicht.
  • Als vegetatie moet worden verwijderd, doe dit dan gefaseerd en biedt zo mogelijk direct alternatieve dekking aan, bijvoorbeeld met aanplant of takkenhopen.
  • Als vegetatie moet worden gemaaid, werk dan stapvoets (5-8 kilometer per uur) in de richting van een burcht. Op die manier kunnen konijnen naar de burcht vluchten. Maaien dient te gebeuren met wildbeschermers (een aanpassing aan een maaimachine) of met mensen die voorafgaand aan het maaien of direct voor de maaimachine uitlopen. Dit voorkomt zo veel mogelijk dat konijnen worden verwond, gedood of ingesloten. Het maaien met lagere snelheid en minder grote machines kan onnodige stress bij konijnen voorkomen.
Aanvullende richtlijnen binnen 20 meter van de burcht

Bij werkzaamheden binnen 20 meter van de burcht (gemeten vanaf de buitenste ingangen) dienen aanvullende maatregelen te worden genomen, ter behoud van de burcht:

  • Voer activiteiten altijd uit buiten de kwetsbare voortplantingsperiode (zie paragraaf 4.2) en met de fysieke aanwezigheid van een ecologisch deskundige.
  • Voer activiteiten uit tussen zonsopkomst en zonsondergang.
  • Voer geen grondroerende werkzaamheden uit zoals graven.
  • Als vegetatie moet worden verwijderd, doe dit dan gefaseerd en biedt zo mogelijk direct alternatieve dekking aan, bijvoorbeeld met aanplant of takkenhopen.
  • Voorkom het blokkeren of beschadigingen van pijpen of ingangen van een konijnenburcht.
  • Stem het gebruik van voertuigen en machines af met de ecologisch deskundige, omdat ondergrondse gangen kunnen instorten en konijnen kunnen sterven.
  • Als er binnen de 20-meterzone sprake is van sloten, wegen of objecten die ervoor zorgen dat in die richting geen pijpen gegraven kunnen zijn, dan kan op die locaties de 20-metergrens worden verlegd tot de grens van het betreffende object of element.

Verbeteren van habitat in nieuw (of bestaand) leefgebied

Maatregel

Het optimaliseren van konijnenleefgebied als compensatie voor leefgebied dat verdwijnt.

Uitleg

Als door de activiteiten (een deel van het) leefgebied van konijn verdwijnt, dan kan het nodig zijn dat er gezocht wordt naar locaties waar nieuw leefgebied kan worden gerealiseerd of geoptimaliseerd: het zogeheten compensatiegebied. De ecologisch deskundige moet kunnen onderbouwen dat dit nieuwe gebied bereikbaar is voor de konijnen uit het plangebied of dat de konijnen naar dit gebied verplaatst moeten worden (zie paragraaf 4.5). Is er geen compensatiegebied in de directe omgeving van het plangebied te realiseren, dan zal op grotere afstand gezocht moeten worden naar compensatiegebied. In deze paragraaf worden aanbevelingen en richtlijnen gegeven om compensatiegebied te optimaliseren. Voordat de eigenlijke activiteiten in het plangebied aanvangen, moet de habitat van het compensatiegebied voldoende ontwikkeld zijn om konijnen te kunnen huisvesten.
Overigens zijn deze maatregelen ook nuttig om bestaand leefgebied van konijnen te verbeteren, zodat de populatie daar kan groeien zonder dat er een compensatienoodzaak is.

Optimalisatiemaatregelen

Uit een habitatkwaliteitsbeoordeling moet blijken of het nieuwe gebied al geschikt is voor konijnen, of dat dit als zodanig geoptimaliseerd kan worden. Als de kwaliteit van het compensatiegebied wordt verbeterd, biedt het gebied ruimte aan meer konijnen en de populatie zal zich beter in stand kunnen houden.

In paragraaf 3.4 is beschreven hoe de kwaliteit van het compensatiegebied kan worden onderzocht met een habitatkwaliteitsbeoordeling. Hierbij staan de volgende te onderzoeken onderdelen van het habitat vermeld:

  1. de voedselvoorziening;
  2. de mate van openheid en dekking;
  3. het aanbod van verblijfplaatsen;
  4. de predatiedruk (met name door huiskatten en honden);
  5. de ligging ten opzichte van andere populaties.

Het doel van dit onderzoek is om een zo geschikt mogelijk compensatiegebied te selecteren en dit eventueel te optimaliseren door het nemen van maatregelen.
In de volgende deelparagrafen (4.4.1 tot en met 4.4.5) worden per te onderzoeken onderdeel van bovenstaande lijst aanbevelingen en richtlijnen genoemd om gebieden te optimaliseren.

Beheer van de optimalisatiemaatregelen

Bij de planvorming moet ook worden nagedacht over het toekomstig beheer en onderhoud van nieuw compensatiegebied voor de konijnen. Voorkom dat het gebied verbost of verruigd waardoor het zijn draagkracht verliest. Neem hierin ook eventuele beheer en schadebestrijding mee om te voorkomen dat de optimalisatiemaatregelen teniet worden gedaan. Het borgen van dergelijk beheer kan de initiatiefnemer doen door bijvoorbeeld afspraken vast te leggen met agrarische natuurverenigingen, Faunabeheereenheid en Wildbeheereenheid, en individuele terreineigenaren. Mogelijk is er een koppeling te leggen met subsidiefondsen.

De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het beheer van de genomen maatregelen. Wanneer men van mening is dat beheer niet langer noodzakelijk is, moet dit worden onderbouwd door een deskundig ecoloog. Bij overdracht van de grond gaat deze beheerverantwoordelijkheid over op de nieuwe eigenaar.

Optimaliseren voedselvoorziening

De voedselkwaliteit en de jaarrond beschikbaarheid van voedsel in het compensatiegebied kan worden geoptimaliseerd door maatregelen te nemen die zich richten op het beschermen en bevorderen van een voor konijnen aantrekkelijke (soortenrijke, permanente) vegetatie. Een ecologisch deskundige dient te bepalen wat de voedselkwaliteit in het compensatiegebied is voor de konijnen en in hoeverre dit moet worden geoptimaliseerd. Ook kan een ecologisch deskundige bepalen wat de noodzakelijke oppervlakte aan foerageergebied moet zijn. Als het leefgebied rondom een burcht een optimaal voedselhabitat betreft, kan zelfs minder dan één hectare aan leefgebied al voldoende zijn voor één sociale groep (Dekker et al., 2006). De voor konijnen zo optimaal mogelijke voedselhabitat is beschreven in paragraaf 1.2.2.

Om foerageergebied voor konijnen te optimaliseren, gelden onderstaande richtlijnen en aanbevelingen.

Locatie
  1. Zorg ervoor dat geschikt foerageergebied direct aansluit op konijnenburchten of binnen korte afstand ligt van burchten. Bij voorkeur binnen 50 meter, aangezien konijnen doorgaans dicht bij hun burcht foerageren.
  2. Hef barrières tussen foerageergebieden en burchtlocaties op (zie paragraaf 4.4.5).
  3. Zaai percelen direct rondom een nieuw aangelegde burcht in met een inheems kruidenmengsel.
Type vegetatie
  1. Creëer een mozaïek van verschillende types en hoogtes in vegetaties. Een gevarieerde vegetatiestructuur biedt over het algemeen meer voedsel dan een monotone vegetatie. Daarnaast zorgt een gevarieerd vegetatiemozaïek voor dekking tijdens het foerageren.
  2. Indien mogelijk, zorg in het compensatiegebied voor een vergelijkbare vegetatie als in het huidige leefgebied. Het maagdarmstelsel is gewend aan die vegetatie en zal meer moeite hebben met het omschakelen naar andere plantensoorten.
  3. Stimuleer de ontwikkeling van kruidenrijke graslanden met een hoog aandeel goed verteerbare, eiwitrijke plantensoorten, zoals paardenbloem, witte klaver, madelief en fijnbladige grassen.
  4. Beperk de dominantie van grove, slecht verteerbare vegetaties, zoals oud gras, ruigtevegetaties, duinriet en heide, omdat deze slechts beperkt als voedsel worden benut.
  5. Behoud of ontwikkel lokaal wintervoedsel, zoals wilg en populier. Hierdoor kunnen konijnen ook buiten het groeiseizoen voldoende voedsel vinden. Voorkom echter dat deze uitgroeien tot gesloten struweel. Van belang is dat er jaarrond voldoende voedsel beschikbaar is.
Beheer
  1. Voer beheer structureel en langdurig uit, zodat eenmaal geschikte foerageergebieden behouden blijven en konijnen hun positieve invloed op de vegetatie kunnen blijven uitoefenen.
  2. Behoud een laagblijvende, open vegetatiestructuur, zodat konijnen door hun eigen graasactiviteit een continue aanvoer van jong, eiwitrijk voedsel kunnen behouden (facilitatie).
  3. Voorkom verruiging van het leefgebied door tijdig beheer uit te voeren. Wanneer vegetaties eenmaal zijn doorgeschoten naar hoog gras, ruigte of houtige begroeiing, zijn konijnen doorgaans niet meer in staat deze vegetatie zelfstandig terug te brengen naar een geschikt foerageergebied. Verwijder opslag van struiken en jonge bomen wanneer deze leidt tot verstruweling en verlies van open foerageergebied.
  4. Beperk overmatige bemesting en andere vormen van voedselverrijking die de ontwikkeling van soortenarme, hoogproductieve grasvegetaties bevorderen.
  5. Pas (waar nodig) periodiek maaibeheer toe en voer het maaisel af om verruiging en ophoping van voedingsstoffen tegen te gaan.
  6. Zet extensieve begrazing met grazers in, zoals schapen, om verruiging en verstruweling te beperken. Doe dit alleen als de begrazingsdruk (de intensiteit waarmee vegetatie wordt begraasd) laag genoeg blijft om voedselconcurrentie met konijnen te voorkomen. Let op bij begrazing door runderen of paarden. In gebieden waar burchten niet in hellingen of struwelen liggen, kunnen de gangen van burchten worden dichtgetrapt. Dit risico is het grootst wanneer de grondwaterstand hoog is en de gangen en kamers vlak onder het maaiveld liggen. Bij de introductie van begrazing moet de burcht worden uitgerasterd met een voor konijnen passeerbaar raster/hekwerk (één hoge draad, zo nodig schrikdraad of schapenraster met een voldoende grote maaswijdte).

Optimaliseren openheid en dekking

Struiken beschermen konijnen overdag tegen roofvogels, maar leveren ‘s nachts juist meer risico op door de aanwezigheid van grondpredatoren zoals de vos. Konijnen prefereren dan juist meer openheid (Dekker et al., 2022) in hun leefgebied. Openheid is daarnaast gerelateerd aan korte vegetatie die voedselrijker is dan struiken. Er moet daarom zowel openheid als dekking aanwezig zijn. Als een gebied bestaat uit alleen maar struweel of bos, dan is het niet geschikt als compensatiegebied en is het beter om voor opener gebied te kiezen. Is het gebied verruigt, maak deze dan deels open door struweel te verwijderen, ruigte kort te maaien en maaisel af te voeren, zoals beschreven in 4.4.1.

De dekking in het leefgebied kan worden geoptimaliseerd door de volgende maatregelen te nemen:

  1. De aanplant van gebiedseigen kleine dichte struwelen. Deze geven permanente dekking. De dekking in het compensatiegebied moet voldoende ontwikkeld zijn om konijnen te kunnen huisvesten, voordat de eigenlijke activiteiten in het plangebied aanvangen.
  2. Het aanleggen van verdichte of ingeklonken grondhopen met daarin gemaakte vluchtpijpen. In gebieden met een droge en zanderige bodem is enkel het boren of het graven van gaten al voldoende om vluchtpijpen te creëren. Het maken van pijpen kan door gaten van 20 centimeter doorsnede te boren of te graven, zie paragraaf 4.4.3.
  3. Het aanleggen van extra dekking in de vorm van strategisch geplaatste takkenhopen (Bell, 2021);
    De takkenhopen dienen aan de basis minimaal 3 vierkante meter te beslaan.
    Zorg voor voldoende doorgangen en voor holtes, waar konijnen onder kunnen schuilen.

    1. Voorkom dat de takkenhopen te open zijn en predatoren, zoals de vos, de konijnen alsnog kunnen pakken. Zorg voor voldoende dichtheid bovenop, zodat eventuele aanwezige konijnen niet van bovenaf zichtbaar zijn.
    2. Takkenhopen zijn stapels snoeiafval van stevige takken. Holtes onderin kunnen gemaakt worden door van dikke stammen die kruislinks op elkaar liggen een eerste laag te maken en op die stammen de losse dunnere takken te leggen. Hierdoor is er onder de hoop meer ruimte voor konijnen (zie figuur 4.1). Ook pallets als basislaag onder een stapel takken kunnen goed werken.
    3. Let erop dat takkenhopen vaak geen permanent karakter hebben. Mogelijk moeten deze worden aangevuld tot de permanente dekking voldoende ontwikkeld is.

Figuur 4.1: Schematische weergave van een aan de voorzijde opengewerkte takkenhoop. Hierdoor is de basislaag van houten stammen zichtbaar gemaakt (bron: Gegenereerde afbeelding door Gemini AI, 2026).

Optimaliseren aanbod van verblijfplaatsen

In het compensatiegebied moet altijd de mogelijkheid zijn voor konijnen om een burcht te maken. Hiervan is sprake als de bodem goed vergraafbaar is, met voldoende droge omstandigheden. Is de bodemgesteldheid in een beoogd compensatiegebied niet optimaal, dan kan gedacht worden aan het aanbieden van kunstburchten. Zij verhogen de kans op vestiging en uitbreiding. Het aanbieden van een kunstburcht is altijd maatwerk en vraagt om voldoende vooronderzoek om de juiste locatie te selecteren.

Kunstburchten kunnen een hulpmiddel zijn in gebieden waar natuurlijke burchtvorming moeilijk is, bijvoorbeeld op zware kleigronden, recent ingerichte natuurgebieden of locaties waar een nieuwe konijnenpopulatie moet worden ondersteund. Het doel is niet om een volledig kunstmatige constructie te maken waarin konijnen permanent leven. Het doel is om een veilige, droge en aantrekkelijke startlocatie te creëren die zij vervolgens zelf verder kunnen uitgraven. Ook kunnen de konijnen de kunstburcht gebruiken als uitgangspunt om op termijn elders een geschiktere burchtlocatie te maken.

Kunstburchten die bestaan uit enkele gegraven pijpen worden hierna ‘basale kunstburcht’ genoemd. Indien nodig worden deze pijpen aangebracht in een aangevoerde zandhoop. Een basale kunstburcht kan snel door de konijnen aangepast worden, zodat deze volledig kan functioneren tijdens het voortplantingsseizoen. Als er, naast de gegraven pijpen, ook kamers in de zandhoop aangebracht worden, dan spreken we over een ‘geavanceerde kunstburcht’. Deze kan door de groep konijnen direct gebruikt worden om zich voort te planten.

Bij het aanleggen van kunstburchten, gelden de volgende aanbevelingen:

Aantal kunstburchten
  • Gaat het om een compensatiegebied waar dieren naartoe worden verhuisd en waar een vervangende kunstburcht wordt aangeboden, dan dient voor elke burcht die in het projectgebied verdwijnt tenminste één nieuwe geavanceerde kunstburcht gerealiseerd te worden die vergelijkbaar is met de burcht die verdwijnt. Ook het aanbrengen van een aantal omringende basale kunstburchten is daarbij aan te bevelen (Dekker et al., 2022). Zijn er al voldoende vestigingsmogelijkheden in het compensatiegebied, dan kunnen basale kunstburchten toch zinvol zijn om de vestigingskans te verhogen.
Locatiekeuze
  • Creëer kunstburchten op hoger liggende terreindelen waar regenwater snel wegloopt naar lagere terreindelen.
  • Creëer kunstburchten op de rand van struweel en open korte voedselrijke vegetatie. Is het gebied erg open, maak dan in de directe nabijheid van kunstburchten voldoende dekking die zowel direct als op termijn kan functioneren.
  • Wanneer het compensatiegebied bereikbaar is vanuit het plangebied, dient de nieuwe burcht op een afstand van maximaal 100 meter vanaf de oude burcht te worden aangelegd. Het is noodzakelijk om in open habitat tussen de bestaande en nieuwe burcht dekking aan te bieden in de vorm van lage takkenhopen (zie paragraaf 4.4.2).
  • Wordt de nieuwe burcht op een afstand van meer dan 100 meter aangelegd, dan is de kans klein dat konijnen deze op eigen gelegenheid ontdekken. Aangeraden wordt dan om tussenliggende dekkingsplekken met vluchtpijpen aan te leggen, of om konijnen actief te vangen en te verplaatsen (zie paragraaf 4.5.2).
Type materiaal
  • Kies voor een bouwwijze met zoveel mogelijk afbreekbaar materiaal.
  • Kunstburchten moeten bestaan uit voor konijnen goed vergraafbare grond die door de dieren zelf kunnen worden aangepast. Gebruik geen zware klei of puin houdende grond.
  • Zorg dat het materiaal wordt verdicht door het aan te stampen, machinaal te verdichten of een tijd te laten zetten. Los gestort zand is niet compact genoeg waardoor de gangen makkelijk instorten.
  • Zaai de (omgeving van de) kunstburcht in met gras en kruiden zodat deze begroeid kan raken (zie ook paragrafen 4.4.1 en 4.4.2).
Vorm en opbouw van een kunstburcht
  • Bied een bult goed vergraafbare grond aan waarin de konijnen voldoende kamers en gangen kunnen bouwen. Ga daarbij uit van de oppervlakte van de te vervangen burcht. Maar: hoe groter de oppervlakte, hoe duurzamer de groep zich kan vestigen en kan uitbreiden.
  • Maak pijpen door gaten van 20 centimeter doorsnede te boren of te graven (zie figuur 4.2). De pijpen zijn 120 à 150 centimeter diep. Het konijn moet zich in de pijp kunnen omdraaien, dus de diameter moet aan het einde ongeveer 25 centimeter breed zijn. Deze kunstpijpen moeten zo horizontaal mogelijk gegraven worden. Pijpen van PVC of andere kunststof zijn meestal glad en zijn ongewenst omdat deze niet kunnen worden aangepast door de konijnen, modderig of nat kunnen worden, en te lang achterblijven in het gebied. Houten schotten zijn eventueel wel een optie.

Figuur 4.2: Een voorbeeld van een enkele pijp (foto: M. Moerman).

  • Kamers kunnen gemaakt worden door ruimten in de kunstburcht te creëren met een afmeting van ongeveer 30 x 30 x 30 centimeter. Bij het aanleggen van deze kamers kan gebruik worden gemaakt van houten kisten, pallets of gevlochten wilgenkamers. Dek deze af met doek van natuurlijk materiaal en plaats daaroverheen een gronddek (zie figuur 4.3).
  • Sluit deze kamers aan op de te graven pijpen. In de kamers kan ook organisch materiaal zoals droog blad of hooi worden aangebracht.
Schematische weergave van het bovenaanzicht van een geavanceerde kunstburcht. Hierop is de afdeklaag van zand, de kern van stammen en kamers en voorgegraven pijpen weergegeven.

Figuur 4.3: Bovenaanzicht van een geavanceerde kunstburcht voor konijnen (bron: Gegenereerde afbeelding door OpenAI, 2025).

Verminderen predatiedruk door huiskatten en honden

Wanneer gezocht wordt naar een compensatiegebied buiten en op afstand van het plangebied, is het verstandig daar de predatie van katten en honden te beoordelen. De aanwezigheid van hoge aantallen huiskatten of bijvoorbeeld een hondenlosloopgebied in de nabije omgeving zal betekenen dat het gebied minder geschikt is voor konijnen. Wanneer sprake is van het uitzetten van gevangen konijnen, is de kans op overleving van de uitgezette dieren hier relatief gezien kleiner. Dergelijke gebieden zijn daarmee ongeschikt als potentieel compensatiegebied. Selecteer of creëer een compensatiegebied met een vergelijkbare of lagere predatiedruk. Bij het selecteren en het realiseren van een compensatiegebied is de afstand tot woonwijken relevant. Wees voorzichtig met het selecteren van een compensatiegebied vlakbij van een woonwijk omdat de predatiedruk hoger kan zijn.

Mogelijke maatregelen om predatiedruk te verlagen:

  • Realiseer een watergang of een andere barrière tussen een woonwijk en konijnenleefgebied.
  • Voer in het compensatiegebied een aanlijnplicht in voor honden en zorg dat deze gehandhaafd wordt.
  • Plaats hekken tussen hondenlosloopgebieden en het beoogde compensatiegebied die niet passeerbaar zijn voor honden, maar wel voor konijnen. Let er wel op dat ook het zicht op honden stresseffecten kan veroorzaken die invloed heeft op de conditie en vruchtbaarheid van prooidieren (d.w.z. konijnen). Voorspelbaarheid is hierbij belangrijk.
  • Vang verwilderde (huis)katten en verwijder ze uit het gebied.

Optimaliseren verbinding compensatiegebied

Een compensatiegebied is bij voorkeur verbonden met andere geschikte (en reeds bewoonde) leefgebieden, zodat een (uitgezette) populatie niet geïsoleerd komt te leven.

Locatiekeuze

Tijdens de habitatkwaliteitsbeoordeling (zie paragraaf 3.4) kan de beste locatie worden bepaald om konijnen uit het plangebied naar toe te verplaatsen. Bij de locatiekeuze voor het compensatiegebied moet duidelijk worden of er in het beoogde gebied al konijnen aanwezig zijn en of er eventueel bewoonde burchten liggen (zie paragraaf 3.3 voor de onderzoeksmethodieken). Bij de keuze van een uitzetlocatie dient namelijk een balans te worden gevonden tussen enerzijds voldoende afstand tot bestaande burchten vanwege territorialiteit van konijnen, en anderzijds voldoende ecologische verbinding met andere konijnenpopulaties (Machado & Santos, 2019). Zet konijnen niet uit binnen 200 meter van een in gebruik zijnde konijnenburcht, om territoriale conflicten met aanwezige konijnen te voorkomen (Dekker et al, 2022). Tegelijkertijd dient te worden voorkomen dat uitgezette konijnen in een geïsoleerde situatie terechtkomen. Het uitzetgebied moet onderdeel uitmaken van een groter netwerk van geschikt leefgebied, zodat individuen op termijn kunnen uitwisselen met andere konijnengroepen, jongen kunnen dispergeren en de populatie zich op natuurlijke wijze kan uitbreiden. Ook moet het voor konijnen mogelijk zijn om uit te wijken naar omliggende geschikte leefgebieden.

Konijnen worden bij voorkeur uitgezet op een locatie die zich binnen de dispersie-afstand van ongeveer 500 meter van een bestaande konijnengroep bevindt, mits er geen actieve burchten aanwezig zijn binnen een straal van 200 meter. Voor grotere groepen kan een grotere afstand tot bestaande konijnengroepen worden gehanteerd, maar alleen als het leefgebied voldoende omvang, kwaliteit en verbindingsmogelijkheden biedt om een duurzame populatieontwikkeling mogelijk te maken.

Opheffen van barrières

Een gebied kan geoptimaliseerd worden door aanwezige barrières voor konijnen op te heffen, zodat er altijd voldoende functionele verbindingen tussen leefgebieden aanwezig zijn. De volgende aanbevelingen kunnen in acht worden genomen bij het opheffen van barrières.

  • Bekijk of eventueel aanwezige (konijnen)tunnels, ecoducten en rasters functioneren of functioneel te maken zijn.
  • Beoordeel of bestaande en nieuwe barrières passeerbaar kunnen worden gemaakt door bijvoorbeeld het aanleggen van tunnels onder wegen, een ecoduiker of een kleinwildtunnel. Konijnen maken ook gebruik van ecoducten, als corridor of als leefgebied. Maak eventueel openingen bij hekwerken ter hoogte van (potentiële) wissels. De meest actuele aanwijzingen voor effectieve planning en aanleg van faunavoorzieningen staan in de Leidraad Faunavoorzieningen (Smulders et al., 2021).
  • Beheer bermen zodanig dat het deel van de berm direct grenzend aan de weg voor bijvoorbeeld 50 – 100 centimeter kort wordt gemaaid. Door de bermstrook direct naast de weg kort te houden, kan het konijn over de begroeiing heen kijken en de weg waarnemen. Hiermee wordt voorkomen dat het konijn uit de begroeiing loopt, direct op de weg beland en wordt aangereden door verkeer. De rest van de berm kan dan ecologisch beheerd worden en een hogere begroeiing vormen.
  • Maak erven voor konijnen toegankelijk door deze niet geheel dicht te maken met erfafscheiding. Als er honden en katten aanwezig zijn, is het aan te bevelen barrières voor honden (zoals hekken of heggen) of huiskatten (zoals watergangen of hekken) tussen konijnenleefgebied en erven te creëren of te behouden. Dit valt ook aan te bevelen voor barrières tussen konijnenleefgebied en woonwijken.
  • Onttrek gebieden aan recreatie. Ga recreatie tegen door voorzieningen zoals parkeergelegenheid, wandelpaden en bankjes te verwijderen of de zonering aan te passen.

Konijnen verplaatsen

Maatregel

Wanneer het vanwege de activiteiten niet mogelijk is om de konijnen of hun verblijfplaatsen in het plangebied te behouden, moet er voorafgaand aan de activiteiten voor worden gezorgd dat er geen konijnen meer in het gebied aanwezig zijn. Door het tijdig verplaatsen uit het plangebied komen konijnen (tijdelijk) niet meer in (een deel van) het plangebied voor. Dit voorkomt dat ze worden gedood of verwond tijdens de activiteiten.

Uitleg

Als de verwachting is dat een activiteit het leefgebied voor konijnen permanent aantast, zijn maatregelen nodig voor verplaatsing. Deze maatregelen moeten altijd tijdig en voorafgaand aan de werkzaamheden worden uitgevoerd. Zo voorkomt de initiatiefnemer het doden of verwonden van konijnen door de activiteit.

Het volledig passief verplaatsen, zonder enige vorm van verstoring, zal naar verwachting niet werken of heel veel tijd in beslag nemen. Vanwege de ecologie van de soort zal een konijn eerder geneigd zijn zich in de bekende burcht terug te trekken dan op zoek te gaan naar nieuw leefgebied met nieuwe burchten. Konijnen kunnen tientallen jaren dezelfde burchten gebruiken en uitbreiden. Het kan dus erg lang duren voor de groep verplaatst en er is geen zekerheid dat dit überhaupt gebeurd.

De methoden om konijnen te verplaatsen, die in dit kennisdocument worden behandeld, zijn onderverdeeld in de categorieën semi-passief en actief:

Hieronder lichten we de categorieën toe kort toe waarna we ze in de paragrafen 4.5.2 en 4.5.3 nader behandelen. Beide hebben voor- en nadelen (zie tabel 4.2) wat afhangt van de situatie in het plangebied, de activiteit en de beoogde planning. Het is aan de ecologisch deskundige om, eventueel in afstemming met bevoegd gezag, te adviseren welk type verplaatsing het meest passend is bij de situatie.

Semi-passief verplaatsen

Semi-passief verplaatsen is het stimuleren van konijnen om de burcht te verlaten en zelf te trekken naar het compensatiegebied. Voer bij het semi-passief verplaatsen een ‘ontmoedigingsbeleid’ uit, waarbij de burcht en het leefgebied voor de konijnen onaantrekkelijker wordt gemaakt dan het compensatiegebied. In paragraaf 4.5.2 zijn vier ontmoedigingsmaatregelen beschreven.

Uit vooronderzoek moet blijken of semi-passieve verplaatsing tot de mogelijkheden behoort. Hiervoor dienen geschikte alternatieve burchtlocaties op maximaal 100 meter beschikbaar te zijn, of te kunnen worden gerealiseerd. Ook moet er voldoende foerageergebied en dekking aanwezig zijn. Voorzie in meerdere takkenhopen (zie paragraaf 4.4.2) of schuilmogelijkheden tussen de aan te tasten burcht en de nieuwe burcht. Deze dienen als stepping stones. Ze geven extra dekking tegen predatoren wat de konijnen kan helpen de afstand tot de nieuwe burcht (maximaal 100 meter) af te leggen.

De ontmoedigingsmaatregelen moeten zo gepland worden dat de dieren ruimschoots de gelegenheid hebben om een andere bestaande of nieuw gerealiseerde burcht te betrekken. Deze manier van verplaatsing kan daardoor lang duren. Er is nog weinig praktijkervaring met het succesvol semi-passief verplaatsen van konijnen.

Het gebruik van zowel de huidige burcht als de beoogde nieuwe burcht(en) moet worden gemonitord door een ecologisch deskundige, gebruikmakend van de onderzoeksmethodieken genoemd in paragraaf 3.3. Pas nadat duidelijk is dat de konijnenburcht verlaten is, kan de burcht die moet wijken ongeschikt gemaakt worden of worden verwijderd. De periode van semi-passieve verplaatsing wordt bepaald door de snelheid waarmee de konijnen het nieuwe aanbod accepteren.

Actief verplaatsen

Het actief verplaatsen van konijnen gebeurt door het vangen van konijnen en het overzetten naar een compensatiegebied. Wanneer er geen geschikte alternatieve burchtlocaties op maximaal 100 meter beschikbaar te zijn, of te kunnen worden gerealiseerd, is actief verplaatsen het meest passend. In paragraaf 4.5.3 zijn vier vangmethoden nader beschreven.

Het actief vangen van konijnen is een effectieve methode waarbij konijnen sneller verplaatst kunnen worden dan bij het semi-passief verplaatsen. Er ontstaat mogelijk wel meer stress bij de konijnen wat de kans op sterfte bij deze methode mogelijk groter is dan bij het semi-passief verplaatsen.

Tabel 4.2: Voor- en nadelen van semi-passief en actief verplaatsen
MethodeVoordelenNadelen
Semi-passief verplaatsenMinder stressvolle methode dan bij actief verplaatsen.Kan alleen als het compensatiegebied binnen 100 meter van de te verplaatsen burcht af ligt.
Vraagt meer tijd en middelen dan actief verplaatsen.
Konijnen kunnen besluiten niet te verhuizen.
Actief verplaatsenEffectief en zekerheid dat alle konijnen worden verplaatst.Meer stressvolle methode ten opzichte van semi-passief verplaatsen.
Veel sneller resultaat dan bij semi-passief verplaatsen.Kans op sterfte waarschijnlijk groter dan bij semi-passief verplaatsen.
Kan zowel worden toegepast bij verplaatsingen over korte afstand als bij verplaatsingen over lange afstand.

Algemene richtlijnen

Standaardstappen bij zowel semi-passief en het actief verplaatsen:

1. Begeleiding door een ecologische deskundige

Zowel bij het semi-passief als bij het actief verplaatsen is de fysieke aanwezigheid en begeleiding van een ecologische deskundige noodzakelijk. Het vangen van konijnen moet daarnaast altijd uitgevoerd worden onder begeleiding en in de aanwezigheid van een deskundig ecoloog die ervaring heeft met het vangen van konijnen.

2. Maak een konijnenverplaatsingsplan

In een goed onderbouwd konijnenverplaatsingsplan (opgesteld door een deskundig ecoloog) wordt beschreven;

  • welke maatregelen worden getroffen voor het optimaliseren van het compensatiegebied (zie paragraaf 4.4);
  • welke maatregelen worden genomen om de konijnen daadwerkelijk semi-passief of actief te verplaatsen (paragraaf 4.5.2 en 4.5.3). Wordt gekozen voor een semi-passieve verplaatsing, dan moet aandacht besteed worden aan de methode van het semi-passief verplaatsen en hoe de kans op een succesvolle verplaatsing kan worden vergroot. Worden konijnen actief gevangen, besteed dan in ieder geval ook aandacht aan de methode van het vangen, de manier van transporteren en het uitzetten van konijnen.
3. Optimaliseren compensatiegebied

Verplaatsen van konijnen is nodig als het huidige leefgebied ongeschikt wordt door de activiteit. Daarom is het belangrijk dat de konijnen een geschikt alternatief leefgebied krijgen. Dit compensatiegebied moet voorafgaand aan een semi-passieve of actieve verplaatsing geschikt worden bevonden (zie paragraaf 4.4). Habitatverbetering (met name de beschikbaarheid van voedsel) is een belangrijke factor voor het succes van een verplaatsing (Cabezas & Moreno, 2007). Verder is het van belang dat met het vooronderzoek in kaart wordt gebracht waar eventuele andere, al bestaande konijnenterritoria liggen en hoe omvangrijk die zijn (zie paragraaf 4.4.5).

4. Planning

Het semi-passief en het actief verplaatsen van konijnen is niet mogelijk als er nog jongen (tot 6 weken oud) in het plangebied aanwezig zijn. De jongen worden dan gescheiden van de voedster en kunnen doodgaan. Verplaatsacties dienen dus plaats te vinden buiten de kwetsbare voortplantingsperiode (zie paragraaf 4.2) waarbij rekening gehouden moet worden met jaarlijkse klimatologische veranderingen.

Het verplaatsen van konijnen dient niet te gebeuren onder langdurige extreme weersomstandigheden.

5. Controleren of alle konijnen de burcht verlaten hebben

Een ecologisch deskundige controleert, nadat de verplaatsing heeft plaatsgevonden, of alle konijnen de burcht verlaten hebben. Bij semi-passief verplaatsen gebeurt dit een week na de verplaatsing, bij actief verplaatsen gebeurt dat direct na afronding van de verplaatsingsactie. Gebruik hiervoor de onderzoeksmethodieken van paragraaf 3.3.2 (Sporenonderzoek aan de burcht) en/of paragraaf 3.3.2.2 (Cameravallen op de burcht). Ook kunnen fretten ingezet worden om te controleren of alle konijnen de burcht verlaten hebben. Hebben niet alle konijnen de burcht verlaten, herhaal dan de stappen van het semi-passief of het actief verplaatsen net zo lang tot er tijdens de controleonderzoeken geen konijnen(sporen) meer worden waargenomen.

6. Hervestiging voorkomen

Na de verplaatsing moeten maatregelen getroffen worden om te voorkomen dat de konijnen zich opnieuw in de burcht vestigen. Het voorkomen van hervestiging kan bijvoorbeeld door na het verplaatsen de pijpen van de burcht elk voor ten minste een lengte van ongeveer één meter dicht te maken door handmatig graven. Dit dient om de tijd tot het definitief ongeschikt of onbereikbaar maken van de burcht te overbruggen. Worden uitgangen van burchten handmatig vergraven, dan moet de burcht na uiterlijk 24 tot 48 uur definitief onbereikbaar of ongeschikt worden gemaakt.

Definitief onbereikbaar of ongeschikt maken van een burcht kan door de burcht onbereikbaar te maken door hem in te rasteren of door hem in zijn geheel te vergraven. Ook kan ervoor worden gekozen direct of kort na de verplaatsing met de beoogde activiteiten of werkzaamheden te starten. Het dagelijks verstoren van de burcht is niet voldoende effectief om hervestiging te voorkomen.

Semi-passief verplaatsen

Voor een ‘ontmoedigingsbeleid’ kan gedacht worden aan (een combinatie) van de volgende vier acties:

1. Verwijderen van vegetatie

Verwijder alle dekking, behalve in de richting van het beoogde nieuwe leefgebied. Maai vegetatie en verwijder struweel of dichte bosschages. Zorg daarbij dat het in te zetten materieel de bodem en dus ook de burchten niet beschadigd (zie paragraaf 4.3).

Bij het verwijderen van begroeiing op een burcht kan vrijgekomen materiaal de pijpen van de burcht bedekken. Dat is niet erg, want konijnen zullen dit gedeeltelijk zelf weghalen. Mocht in een later stadium het fretteren van de burcht nodig zijn, verwijder dan voorafgaand altijd alle vrijgekomen restanten van de vegetatie. De vegetatie kan anders de konijnen verhinderen veilig uit de burcht te vluchten als een fret in de burcht wordt losgetalen.

Om het foerageergebied rondom de burcht minder geschikt te maken, is het van belang om de grond stapsgewijs kaal te maken en te bewerken. Wel is het van belang dat er binnen 100 meter geschikt foerageergebied aanwezig is in het gebied. Konijnen moeten naar dit gebied toetrekken, anders kan dit leiden tot een voedseltekort bij de konijnen. Het aanbieden van voerwortels in de richting van de nieuwe burcht kan een goede toevoeging zijn.

De effectiviteit van deze actie is aannemelijk. Omdat het verwijderen van alle vegetatie het verplaatsen van konijnen bevorderd, kan deze als startmaatregel worden gebruikt.

2. Burcht verstoren

Het gebruik van de burcht kan mogelijk worden verstoord door het (roulerend) toepassen van visuele en akoestische middelen. Dit hindert het territoriumgevoel van de konijnen, waardoor ze op zoek gaan naar een rustigere plek. Zowel visuele als akoestische middelen hebben mogelijk een korte werking, daarna wennen de dieren eraan.

De verstoring dient vooral plaats te vinden gedurende de nacht, aangezien konijnen dan actief zijn. Deze actie kan doorgaans alleen worden ingezet als er geen omwonenden en andere beschermde diersoorten in de nabije omgeving zijn die hier hinder van kunnen ondervinden.

Verstoring kan ook plaatsvinden door middel van het starten van de werkzaamheden in de nabijheid van de burcht. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een ecologisch deskundige. Houd hierbij een afstand aan van ten minste 20 meter tot de burcht, om instorten van ondergrondse gangen te voorkomen (zie paragraaf 4.3).

De effectiviteit van deze actie is afhankelijk van de situatie ter plaatse en van de duur van de verstoring.

3. Inrasteren

Wanneer konijnen in een deel van het plangebied geweerd moeten worden, kan ervoor worden gekozen om dit deel in te rasteren. Dit inrasteren is inclusief een eventueel aanwezige burcht. Mochten er natuurlijke buffers zoals gevels, hekwerken of brede watergangen aanwezig zijn, dan hoeven deze niet altijd te worden voorzien van een raster.

Voorwaarden om deze methode te kunnen gebruiken:

  1. Het volledige gebied moet afgesloten kunnen worden met een gaasraster. Enkel het plaatsen van een raster op de pijpen, waardoor de konijnen enkel de pijp uit zouden kunnen, werkt niet. Konijnen graven er gewoon langs.
  2. Dit raster steekt tenminste 100 centimeter hoog boven de grond uit en is 50 centimeter ingegraven, waarbij het ingegraven deel halverwege een knik maakt naar buiten (zie figuur 4.4). Zo kunnen buitengesloten konijnen niet teruggraven naar de burcht.
  3. Controleer het raster de eerste twee weken (minimaal tweemaal per week) en maak eventuele graafplekken dicht. Voorkom dat de konijnen gangen onder het raster maken.
  4. Plaats uittredeheuvels (schuin aflopende zandheuvels) van ten minste 60 centimeter hoog op bestaande looproutes waardoor konijnen het gebied in en uit kunnen. Plaats deze zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde. Op die manier kunnen de konijnen gedurende twee weken wennen aan de voorziening. Boven op de uittredeheuvel wordt een kleine opening (15×15 centimeter) in het raster gemaakt waardoor konijnen in en uit kunnen lopen. Zie voor meer informatie en een afbeelding van een uittredeheuvel de Leidraad Faunavoorzieningen 2021 (pagina 95, de alinea Terugkeervoorzieningen).
  5. De eerste twee weken dient er direct buiten het raster extra voedsel en dekking te worden aangeboden direct buiten het raster. Voedsel bestaat uit wilgentakken, hooi en wortelen. Dekking kan bestaan uit takkenhopen (zie paragraaf 4.4.2). Deze kunnen konijnen dan tijdelijk gebruiken tot ze de aangeboden kunstburcht hebben ontdekt.
  6. Na deze twee weken wordt de uittredeheuvel aan de buitenzijde van het raster weggehaald, zodat konijnen het plangebied uit kunnen, maar niet meer terug kunnen keren.
Schematische weergave van een raster dat vanaf het maaiveld 20 centimeter verticaal de grond in gaat en vervolgens ondergronds 30 centimeter naar de wildzijde is omgebogen, om te voorkomen dat konijnen eronderdoor graven.

Figuur 4.4: Omslag van ingegraven Gaasraster (bron: Faunapreventetiekit Haasachtigen, BIJ12, 2026)

De effectiviteit van deze actie is aannemelijk.

4. Burcht afgraven

Aanvullend op de hiervoor genoemde acties kan overwogen worden de burcht gefaseerd open te graven. Doe dit voorzichtig en onder begeleiding van een ecologisch deskundige. Voorkom dat pijpen instorten en graaf nooit zo ver dat konijnen worden opgegraven. Storten gangen vroegtijdig in, dan dient deze gang als eerst vrijgegraven te worden voordat verdergegaan kan worden met de burcht.

Graaf aan het einde van de middag de gangen in lagen open. Ga uit van maximaal 10-20 centimeter per laag. Markeer hierbij de pijpen en de richting waarin de pijpen lopen, zodat deze na het afgraven van een laag weer handmatig geopend kunnen worden. Tijdens het afgraven dienen zo nu en dan pauzes te worden ingelast, en op ruime afstand van de burcht te worden gewacht, om konijnen de mogelijkheid te geven de burcht zelfstandig te verlaten. Graaf nooit een hele burcht binnen 24 uur open, maar verspreid het over minimaal 2-3 dagen met zo mogelijk nog tussenliggende dagen waarin niet gegraven wordt.

De effectiviteit van deze actie is hoog. Echter deze methode is erg risicovol omdat het zeer lastig is het instorten van gangen te voorkomen. Ook is niet altijd te voorkomen dat je een konijn opgraaft of zelfs raakt tijdens het graven. Zet deze methode bij voorkeur alleen in als fretteren geen optie is of wanneer er na het uitvoeren van een andere semi-passieve maatregel geen zekerheid is dat de burcht leeg is.

Actief verplaatsen

Bij actieve verplaatsing worden de konijnen gevangen en vervolgens op een nieuwe locatie uitgezet. In deze paragraaf worden aanbevelingen en richtlijnen gegeven voor het vangen, het vervoeren en het uitzetten van konijnen. Er worden daarnaast vier verschillende vangmethoden beschreven.

4.5.3.1 Voorbereiding

Het verplaatsen van konijnen is altijd maatwerk. De maatregel vraagt veel voorbereidingstijd en nazorg. Een concreet plan van aanpak ten aanzien van het vangen en verplaatsen moet daarom worden behandeld in het konijnenverplaatsingsplan en worden toegevoegd aan de vergunningsaanvraag. Hierin staat een goed doordacht stappenplan dat het vangen, transporteren en uitzetten omschrijft. Hier moet uit volgen dat er op zo’n wijze gewerkt wordt dat de stress onder de konijnen zo beperkt mogelijk blijft. Tijdens de verplaatsingsactie moet een logboek worden bijgehouden waarin te lezen valt hoeveel konijnen zijn gevangen, hoe lang ze zijn vastgehouden en waar ze zijn losgelaten.

Voordat tot het vangen en verplaatsen van konijnen kan worden overgegaan, dienen de volgende punten overwogen te worden:

  1. Voer enkele dagen voor de vangactie een telling (zie paragraaf 3.3.2.1) uit. Dit geeft een schatting van het aantal konijnen dat op de locatie leeft en verplaatst dient te worden.
  2. Het verplaatsen van konijnen die een slechte conditie hebben, vergroot de kans op sterfte aanzienlijk. Daarom is het niet aan te bevelen dieren te verplaatsen wanneer zij een slechte conditie hebben. Konijnen krijgen een slechte conditie door onder meer extreme weersomstandigheden (langdurige natte omstandigheden of extreme koude), dierziekten of voedseltekort.
  3. In het geval van acute uitbraken van ziekten kan het verstandig zijn om een periode het verloop van de ziekte af te wachten. Veranderend weer of uitrazen van een epidemie zorgen dat de situatie zich uiteindelijk zal stabiliseren, soms ook binnen het vangseizoen. De duur van deze periode dient bepaald te worden door een ecologisch deskundige.
  4. Worden bij een vangactie konijnen gevangen die een slechte conditie hebben, dan wordt met de ecologisch deskundige overlegd over het afbreken of voortzetten van de verplaatsing en het eventueel bijvoeren van de konijnen.
  5. Eenmaal gevangen konijnen worden altijd verplaatst, omdat een tweede maal vangen minder succesvol is.
  6. Het compensatiegebied hoort qua voedselhabitat te lijken op het gebied waar de dieren worden weggevangen. Is dat niet het geval, voer dan tijdelijk bij om konijnen te laten wennen aan de overgang in voedsel. Ook kan worden overwogen konijnen extra te beschermen tegen predatie, aangezien de konijnen de eerste weken zwakker kunnen zijn door de stress, vaccinatie en de omschakeling in hun verteringsproces.
  7. Het is van belang dat op de uitzetlocatie nog geen konijnen aanwezig zijn.
Vaccineren en behandelen tegen parasieten

Door dieren te verplaatsen, is er altijd het risico om dierziekten te verspreiden, maar ziekten zoals myxomatose en RHD verspreiden zich ook op andere wijzen en zijn al over heel Nederland verspreid. Het verplaatsen van dieren heeft daar geen grote additionele invloed op. Geadviseerd wordt om bij het verplaatsen de konijnen te vaccineren tegen RHD en myxomatose. Alhoewel deze vaccinatie geen meerjarige bescherming biedt, verbetert het wel de overlevingskans in het eerste jaar na uitzetten.

Omgaan met verwilderde tamme konijnen of nakomelingen hiervan

Houd bij het vangen van konijnen voor verplaatsing rekening met de aanwezigheid van verwilderde tamme konijnen of hun nakomelingen. Gedomesticeerde dieren mogen niet in het wild worden vrijgelaten, ook niet als je ze zelf eerst gevangen hebt. Die dieren zullen naar een vooraf geregelde opvanglocatie of asiel moeten.

4.5.3.2 Het vangen van konijnen

Er zijn verschillende vangstmethoden mogelijk, zoals beschreven in het OBN-werkprotocol ‘Konijnen uitzetten voor populatieherstel’ (Dekker et al., 2022). Dit protocol richt zich op bijplaatsingen in het kader van natuurherstel; in dit kennisdocument is deze werkwijze vertaald naar verplaatsingsacties bij ruimtelijke ingrepen.

De volgende vangmethoden worden in navolgende paragraaf toegelicht:

  1. Traditionele kastvallen;
  2. Repeterende kastvallen;
  3. Lange staande netten;
  4. Fretteren.
Tabel 4.3: Overzicht van de belangrijkste voor- en nadelen van verschillende vangmiddelen. (Bron: Aangepast naar Dekker et al., 2022)
MethodeBelangrijkste voordeelBelangrijkste nadeel
Traditionele kastvallenWeinig invasieve methode.Arbeidsintensief.
Beperkt vangresultaat
Repeterende kastvallenEfficiënt.Verblijfplek en foerageerplek moeten te scheiden zijn met een raster.
Kan lang blijven staan.Minstens een maand gewenningstijd noodzakelijk.
Lange staande nettenSnel weg te halen.Vangresultaten zijn beperkt.
Onzichtbaar voor publiek.Verblijfplek en foerageerplek moeten te scheiden zijn met een raster.
Ook inzetbaar als ondersteuning van methode fretteren.Andere diersoorten kunnen verstrikt raken in de netten.
FretterenEfficiënte vangmethode.Niet toepasbaar op plekken waar de gangen en kamers van konijnenburchten niet met handmatig graven bereikbaar zijn.
Bij minder overzichtelijke burchten goed te combineren met lange staande netten.

De vier methoden voor het actief verplaatsen worden hierna beschreven.

1. Traditionele kastvallen

Een kastval is een niet-selectieve vangmethode, die bestaat uit een langwerpige kast of kooi met aan één of twee zijden een ingang (zie figuur 4.5). Deze box is niet ingegraven maar staat bovengronds. Denk bij deze methode aan de volgende punten:

  1. Leg gedurende twee weken voerwortels in de vallen zonder dat deze op scherp staan.
  2. Na deze twee weken kunnen de vallen op scherp gezet worden.
  3. Controleer de vallen elke ochtend en elke avond, of rust ze uit met een valalarm.

Figuur 4.5: Foto van een traditionele kastval (bron: Jasja Dekker)

De effectiviteit van deze methode is beperkt.

2. Repeterende kastvallen (in een omheining)

Een repeterende kastval is een niet-selectieve vang¬methode, die bestaat uit een doorloop met een valklep. Onder de doorloop bevindt zich een kist. Als er een konijn door de doorloop loopt, valt deze via de valklep in de kist (zie figuur 4.6). Denk bij deze methode aan de volgende punten:

  1. De kastval moet de binnenmaat hebben van minimaal 50x50x40 centimeter (lxbxh). De bodem moet waterdoorlatend zijn.
  2. Plaats de val in een raster dat tussen de burcht en het (eventueel gecreëerde of verbeterde) foerageergebied is geplaatst. Het raster dwingt de konijnen om de doorloop van de val als onderdeel van hun wissel te gebruiken. De valklep is dan nog niet geactiveerd en de val staat op slot waardoor activering wordt voorkomen.
  3. Stem het aantal te gebruiken kastvallen af op het verwachte aantal weg te vangen konijnen.
  4. Graaf de kist in (zie figuur 4.7) en bedek de bodem van de kastval met grond. Leg ook voerwortels in de bak.
  5. De konijnen hebben minimaal één maand nodig om te wennen aan de nieuwe looproute door de val.
  6. Controleer dagelijks het raster en de vallen, totdat duidelijk is dat de konijnen de doorloop van de val gebruiken als wissel. Daarna kan de val geactiveerd worden. De val mag alleen op scherp staan gedurende een vangactie.
  7. De val kan in één nacht alle konijnen vangen die gebruik maken van de wissel.
  8. Controleer bij zonsopkomst of er konijnen in de val zitten. Bij een groot aantal te verwachten konijnen is een controle na een paar uur aanbevolen.

Figuur 4.6: Een repeterende kastval in een raster (foto: M. Moerman).

Schets van een repeterende kastval die ingegraven is onder maaiveld.

Figuur 4.7: Repeterende kastval (Dekker et al., 2022).

De effectiviteit van deze methode is hoog.

3. Lange staande netten

Lange staande netten zijn een niet-selectief vangmiddel die onder begeleiding van een ecologische deskundig als een selectieve vangmethode in te zetten zijn. Er worden ’s avonds of ’s nachts lange staande netten geplaatst tussen het foerageergebied en de burchten, of vluchtpijpen.

Wanneer de netten geplaatst zijn, kunnen de konijnen die in het open veld zijn verstoord worden. Verstoren kan worden uitgevoerd door drijvers, eventueel met aangelijnde honden. Door de verstoring rennen de konijnen richting hun verblijfplaatsen en komen in de netten terecht. Zitten er konijnen in hun burcht, dan kunnen lange staande netten worden gebruikt als aanvullend vangmiddel bij de methode fretteren. De fretten jagen de konijnen dan uit de bucht in de netten.

Zorg voor voldoende deskundige mensen, zodat de dieren direct uit de netten gehaald kunnen worden en in de transportboxen geplaatst kunnen worden.

Op de plek waar het lange staande net komt, moet de vegetatie laag zijn (zie figuur 4.8). Dit is noodzakelijk voor een goede werking van de netten.

Deze netten worden nadien weer verwijderd.

Figuur 4.8: Lange staande netten als aanvulling op de methode fretteren (foto: M. Moerman).

De effectiviteit van lange staande netten is beperkt. De methode is vooral geschikt in combinatie met andere methoden. Het biedt een aanvulling voor lastige terreinen, bijvoorbeeld bij het fretteren in onoverzichtelijk terrein. Deze methode is niet geschikt wanneer er geen duidelijk onderscheid is tussen foerageergebied en het gebied waar burchten of vluchtpijpen aanwezig zijn.

4. Fretteren

Bij deze methode zet een fretteur een fret uit in één van de gangen waarna deze konijnen opjaagt uit de burcht. De konijnen komen dan naar buiten. De volgende zaken zijn noodzakelijk voor een goed verloop van het fretteren:

  1. Zorg ervoor dat alle uitgangen van de burcht goed zichtbaar en bereikbaar zijn. Verwijder uiterlijk twee weken voor de fretteeractie struikvegetatie op en rondom de burcht en voer deze af.
  2. Fretteer niet binnen twee weken na verstorende semi-passieve maatregelen, zoals het verwijderen van vegetatie of het verstoren van de burcht. De konijnen zijn dan te schuw en komen minder snel de burcht uit bij het fretteren.
  3. De fretteur heeft aantoonbare ervaring met ecologische projecten die erop gericht zijn konijnen levend uit hun burcht te krijgen.
  4. Bij het actief verplaatsen door middel van fretteren is het noodzakelijk de konijnen te vangen en ten minste gedurende de vangactie in een vangkist vast te houden. Dit is belangrijk om te voorkomen dat de konijnen vluchten en direct weer terug in de burcht vluchten door één van de andere uitgangen. Als de konijnen direct terug de burcht in vluchten, kan dat het succes van de vangactie negatief beïnvloeden. Verstoorde konijnen zullen minder gemakkelijk opnieuw vluchten voor de fret, wat het risico op stress en sterfte groter maakt. Daarom moeten bij fretteren altijd buidels worden ingezet, eventueel aangevuld met lange staande netten. Een buidel is een vangmiddel van garen (vaak nylon) of van metaal (zie figuur 4.9). De fretteur plaatst zoveel als mogelijk een buidel over iedere uitgang van de burcht.

    Figuur 4.9: Toepassing van buidels van nylon en metaal (foto: M. Moerman).

  5. Na de vangst worden de konijnen in speciale kistjes of kratjes voor maximaal 32 uur vastgehouden tot het moment dat ze opnieuw in vrijheid worden gesteld. De kistjes of kratjes zijn voldoende goed geventileerd en gedraineerd om het konijn vast te houden zolang dat voor het betreffende project noodzakelijk is. Voor meer richtlijnen over het vasthouden van konijnen, zie even verderop in deze paragraaf (het vervoeren van konijnen).
  6. De fret moet worden voorzien van een telemetrische zender (ook wel fret-tracker). De fretteur neemt met de zender waar of de fret de gehele burcht goed heeft doorkruist. Daarnaast neemt de fretteur met de zender waar of de fret onverhoopt een konijn vastzet.
  7. Als de fret toch een konijn vastzet of grijpt, is het noodzakelijk de fret en het konijn snel uit te graven. Daardoor is deze methode van actief verplaatsen alleen mogelijk in konijnenburchten die door middel van handmatig graven goed bereikbaar zijn. Burchten die dieper dan 1,5 meter onder het maaiveld liggen zijn daardoor minder geschikt om af te vangen met fretten en buidels. Dit geldt ook voor burchten onder verhardingen zoals asfalt of beton, dichte houtige beplanting of bebouwing. Dergelijke burchten zijn immers niet bereikbaar door de aanwezigheid van obstakels op de burcht.
  8. Bij het toepassen van deze vangmethode is net als bij andere vangmethoden een kleine kans op sterfte of verwonden van de konijnen. In het geval dat de konijn ernstig wordt verwond door een vangmethode dient de uitvoerder van de vangactie te beoordelen of het noodzakelijk is om het konijn te euthanaseren. De uitvoerder beschikt over voldoende deskundigheid om deze afweging te maken en is in staat het konijn snel en op een humane wijze te doden.
  9. Wanneer de af te vangen burcht fysiek gescheiden is van de locatie waar de konijnen naartoe worden gebracht, kan de vangactie bestaan uit meerdere vangacties. De verplaatste dieren kunnen immers niet zelfstandig terugkeren naar de burcht waar zij werden gevangen. Toepassen van meerdere vangacties is zinvol wanneer een groot aantal konijnen dient te worden verplaatst, of als het vermoeden bestaat dat een deel van de konijnen niet in de burcht was tijdens de vangactie. Meerdere vangacties vergroten dan het aantal konijnen dat verplaatst kan worden. Bij fretteren zullen konijnen die zich buiten de burchten bevinden immers niet worden gevangen. Is de oude burcht wel bereikbaar vanuit de nieuwe burcht, vernietig dan de leeggevangen burcht direct na de vangactie, bijvoorbeeld door deze te vergraven.

De effectiviteit van deze methode is hoog; konijnen verlaten allemaal de burcht. Als het fretteren goed uitgevoerd wordt, is het sterftepercentage minder dan 5%.

4.5.3.3 Het vervoeren van konijnen

Na het vangen van konijnen worden ze vervoerd. Hierbij moeten de volgende richtlijnen meegenomen worden:

  1. Konijnen mogen alleen gevangen en gehanteerd worden door een deskundige met ervaring op dit gebied. Door stress kunnen konijnen heftige bewegingen maken waarmee ze zichzelf en de hanteerder kunnen verwonden.
  2. Plaats konijnen niet eerst in een aparte quarantaine-opvanglocatie om eventuele zieke konijnen te selecteren. Het is met het oog op de stressgevoeligheid van konijnen beter om ze direct te vervoeren naar de uitzetlocatie.
  3. Vervoer konijnen individueel. Gebruik voor elk individu een eigen (compartiment in de) transportbox.
  4. Gebruik transportboxen met een binnenmaat van ongeveer 40x30x25 centimeter (lxbxh).
  5. Zorg voor vochtabsorberende bodembedekking zoals zaagsel of stro.
  6. Zorg voor voedsel in de transportboxen. Denk bijvoorbeeld aan wortels.
  7. Zorg voor voldoende duisternis in de transportboxen, zonder de ventilatie te belemmeren.
  8. Zorg voor zo veel mogelijk rust rondom de transportboxen.
  9. Plaats de transportboxen niet op de tocht, houd ze zo veel als mogelijk vrij van regen en zet ze niet in de zon.
  10. Worden er meerdere burchten leeggevangen, noteer dan op iedere transportbox uit welke burcht het dier afkomstig is. Zo kan worden voorkomen dat individuen van verschillende sociale groepen samen in een kunstburcht worden uitgezet.
  11. Hanteer de transportboxen voorzichtig en probeer onverwachte bewegingen te voorkomen.
  12. Beperk de tijd dat konijnen getransporteerd worden. Uiteraard moet de transportkist hier dan wel op zijn ingericht door voldoende ventilatie en drainage.
4.5.3.4 Het uitzetten van konijnen

Bij het uitzetten van gevangen konijnen in het nieuwe leefgebied zijn de volgende richtlijnen van belang:

  1. De gevangen konijnen worden uitgezet in de ingang van de (kunst)burchten. Plaats de dieren in de gang van een kunstburcht, in een vluchtpijp, of een andere vorm van dekking, zodat ze rustig kunnen wennen aan de nieuwe situatie. Plaats elk konijn in een eigen gang. Laat ze nooit los in het open veld.
  2. De pijp van een kunstburcht moet altijd voldoende breed zijn (zie paragraaf 4.4.3).
  3. Nadat het konijn in een gang is geplaatst, dient de uitgang afgeschermd te worden door een losse prop hooi. Dit zorgt ervoor dat de dieren even tot rust kunnen komen en niet direct de pijp verlaten. De prop hooi mag niet worden aangedrukt, zo kan het konijn het hooi gemakkelijk opzij duwen.
  4. Konijnen die in dezelfde burcht zijn gevangen, moeten ook bij elkaar in dezelfde burcht of in aangrenzende gangen worden uitgezet.
  5. Een raster van één meter hoog en met een maaswijdte van maximaal 25 x 50 millimeter kan geplaatst worden om de uitgezette dieren te laten binden aan de aangeboden burcht.
  6. Als er weinig dekking is rond de kunstburcht, moeten konijnen gedurende de eerste twee weken worden beschermd tegen grondpredatoren. Dit kan door het plaatsen van een raster van tenminste 120 centimeter hoog bovengronds, met een elektrische afwering.
  7. Bescherm de konijnen ook tegen predatoren uit de lucht, zoals roofvogels. Dit kan door een of meer takkenhopen aan te brengen (zie paragraaf 4.4.2).
  8. De ecologisch deskundige bepaalt de afmetingen van het gebied dat direct rondom de burcht afgerasterd dient te worden. Hij maakt deze inschatting aan de hand van de lokale omstandigheden zoals voedsel, de grootte van de groep konijnen en de soort predatoren waartegen de konijnen beschermd moeten worden. Zorg dat de konijnen direct na het uitzetten over voldoende voedsel beschikken vlak bij de burcht. Voedsel bestaat uit natuurlijk aanwezig voedsel, eventueel aangevuld met wilgentakken, hooi en wortelen. Controleer de voedselbeschikbaarheid voor een periode van ten minste twee weken na het uitzetten en voer zo nodig bij. Is er voldoende voedsel aanwezig, dan is bijvoeren niet nodig.
  9. Na twee weken kunnen eventueel geplaatste rasters worden verwijderd of geopend, zodat de dieren het nieuwe leefgebied verder kunnen verkennen;
  10. Zorg dat grote grazers zoals paarden of runderen de kunstburcht en de rasters rond de kunstburcht niet beschadigen. Dit kan door de kunstburcht of de rasters rond de burcht te voorzien van schrikdraad op de juiste hoogte.

Opstellen ecologisch werkprotocol

Maatregel

Een ecologisch deskundige stelt een ecologisch werkprotocol op. Dit protocol moet op de locatie aanwezig zijn en de inhoud moet bij de betrokken medewerkers bekend zijn. De activiteiten dienen aantoonbaar volgens dit protocol te worden uitgevoerd.

Uitleg

In een ecologisch werkprotocol staan de maatregelen beschreven om negatieve effecten op beschermde soorten te minimaliseren en hoe deze maatregelen moeten worden uitgevoerd. Ook staat hierin hoe te handelen als deze negatieve effecten toch optreden. In het ecologisch werkprotocol is onder andere te vinden:

  1. welke activiteiten op welke locatie(s) en op welk moment plaatsvinden;
  2. welke maatregelen worden genomen gedurende de activiteiten en wat daarmee wordt gerealiseerd voor de konijnen;
  3. wanneer begeleiding door en/of aanwezigheid van een ecologisch deskundige noodzakelijk is;
  4. hoe monitoring van de effectiviteit van de genomen maatregelen plaatsvindt;
  5. wie de ecologisch deskundige is, wat zijn of haar ervaringen zijn op het gebied van het konijn en wat de deskundige exact gaat doen;
  6. wanneer en op welke wijze het logboek wordt bijgehouden.

Uitvoeren monitoring

Maatregel

Het kan zinvol zijn om het effect van activiteiten op de populatie konijnen en de werking van de genomen maatregelen te monitoren om indien nodig nog tijdig bij te kunnen sturen.

Uitleg

Monitoring van de konijnenpopulatie of van de effectiviteit van genomen maatregelen is toe te passen in verschillende situaties. Bijvoorbeeld als er een kwetsbare functie wordt aangetast, of als de staat van instandhouding ongunstig is. Ook valt monitoring toe te passen bij projecten die door de schaalgrootte of door de cumulatie met andere projecten in de buurt een negatief effect kunnen hebben op de staat van instandhouding. Monitoring valt tevens te gebruiken om de effectiviteit van (experimentele) maatregelen ter verbetering van de habitatkwaliteit te onderzoeken.

Monitoring kan alleen volgen op de uitvoering van verdiepend onderzoek (zie paragraaf 3.3), zodat er een vergelijking mogelijk is tussen de nieuwe en de oorspronkelijke situatie.

Het is raadzaam de werking van de gekozen (combinatie van) maatregelen, zoals opgenomen in hoofdstuk 4, te monitoren. Zo kan het ook nodig zijn om een verplaatste populatie te monitoren, bijvoorbeeld bij grote aantallen konijnen of meerdere burchten. Dit betekent dat er vooraf door een ecologisch deskundige wordt bepaald in welke situaties er moet worden bijgestuurd.

Het bevoegd gezag kan extra maatregelen opleggen als de resultaten van de monitoring hier aanleiding voor geven. Bijvoorbeeld door op te leggen dat het leefgebied aanvullend geoptimaliseerd moet worden, aanvullende beheermaatregelen genomen moeten worden of andere maatregelen die zijn opgenomen in dit kennisdocument. Dit is altijd afgestemd op de lokale situatie en daarmee maatwerk.

Monitoring kan ook zinvol zijn voor het meten van de effectiviteit van de maatregelen waarvan de effectiviteit nog niet van bewezen is, waaronder experimentele maatregelen . Experimentele maatregelen mogen niet ten koste gaan van de effectiviteit van de benodigde mitigatie/compensatie. Dit vraagt extra aandacht bij het beschrijven van de gehanteerde methodiek in de rapportage die bij de omgevingsvergunningsaanvraag nodig is.

Voor de uitvoering van monitoring zijn de richtlijnen van toepassing zoals beschreven in paragraaf 3.3. Een mogelijk protocol voor monitoring is het Kader Monitoring Maatregelen van de RVO. Het protocol hanteert de BACI-methode, Before After Control Impact (Bollerman et al., 2023). Welke onderzoeksinspanning en methodieken voor de monitoring nodig zijn, hangt af van wat er gemonitord wordt (gebruik, dichtheden, gedrag, reproductie, et cetera). Daarmee is monitoring altijd maatwerk.

Bronnen

Verwijzingen:

  • Arnold, J.M., Greiser, G., Kampmann, S., Martin, I., 2013. Status und Entwicklung ausgewählter Wildtierarten in Deutschland. Jahresbericht 2013. Wildtier-Informationssystem der Länder Deutschlands (WILD). Deutscher Jagdverband (Hrsg.), Berlin.
  • Arnold, J.M., Greiser, G., Krüger, S., Martin, I., 2016. Status und Entwicklung ausgewählter Wildtierarten in Deutschland. Jahresbericht 2015. Wildtier-Informationssystem der Länder Deutschlands (WILD). Deutscher Jagdverband (Hrsg.), Berlin.
  • Bankert, D., K.C.G.in ’t Groen & S.E.van Wieren, 2003. A review of the transect method by comparing it with three other counting methods to estimate rabbit (Oryctolagus cuniculus) density. Lutra 46:27-34.
  • Bell, D., Endean, J. & Mountjoy, P., 2021. Techniques to encourage European rabbit recovery. Back from the Brink, Natural England and University of East Anglia, Norwich.
  • Bijlsma, R. G., 2004. Long‑term population trends of rabbits (Oryctolagus cuniculus) on Pleistocene sands in the central and northern Netherlands, gepubliceerd in Lutra, 47(1): 3–20.
  • Bollerman, S., Bankert, D., Dekker, J., Klasberg, M. & Limpens, H., 2023. Kader Monitoring Maatregelen Soortenbescherming. RVO.
  • Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J. & Buys, J.C. 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren, Periodiek – Natuur van Nederland, Volume 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongwervelden, Leiden
  • Calvete, C., Estrada, R., Angulo, E. & Cabezas Ruiz, S., 2004. Habitat factors related to wild rabbit conservation in an agricultural landscape. Landscape Ecology, 19, 533–544
  • Calvete, C., Pelayo, E. & Sampietro, J., 2006. Habitat factors related to wild rabbit population trends after the initial impact of rabbit haemorrhagic disease. Wildlife Research, 33(6), 467–474.
  • Capucci, L., Cavadini, P., Schiavitto, M., Lombardi, G., Lavazza, A., 2017. Increased pathogenicity in rabbit haemorrhagic disease virus type 2 (RHDV2). Veterinary Record 180, 426–426.
  • Cowan D.P., 1987. Group living in the European rabbit (Oryctolagus cuniculus): mutual benefit or resource localization? J Anim Ecol 56:779–795. [Google Scholar]
  • Rouco, C., Barrio I.C., Cirilli, F., Tortosa, F.S., Villafuerte, R., 2019. Supplementary food reduces home ranges of European wild rabbits in an intensive agricultural landscape. Mammalian Biology 95 (1), 35-40
  • Cowan D.P. & Bell, D.J., 1986. Leporid social behavior and social organisation. Mammal Revie, 16 (3-4 169-179. Doi: 10.1111/j.1365-2907.1986.tb00039.x
  • Cowan, D.P., 1991. The availability of burrows in relation to dispersal in the wild rabbit Oryctolagus cuniculus. Symposium Zoological. Society London 63: 213-230.
  • Daniels, M. J., Lees, J. D., Hutchings, M. R., & Greig, A., 2003. The ranging behaviour and habitat use of rabbits on farmland and their potential role in the epidemiology of paratuberculosis. The Veterinary Journal, 165(3), 248–257.
  • Dekker, J.J.A., Groeneveld, M., en Wieren S., 2006. No effects of dominance rank or sex on spatial behaviour of rabbits.
  • Dekker, J.J.A., 2007. Rabbits, refuges and resources: how foraging of herbivores is affected by living in burrows. PhD‑thesis, Wageningen University, Wageningen, The Netherlands.
  • Dekker, J.J.A., Drees, J.M., 2016. Konijn, Oryctolagus cuniculuc. In Atlas van de Nederlandse Zoogdieren – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.
  • Dekker, J. J. A. en Van Norren, E., 2021. Achteruitgang van haas en konijn sinds 1950: oorzaken en beschermingsmogelijkheden. Rapport 2020.24. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
  • Dekker, J., Moerman, M., en Drees, M., 2022. Werkrprotocol Konijnen uitzetten voor populatieherstel obnkonijnenprotocol.pdf (natuurkennis.nl)
  • Dekker, J.J.A, Drees, J.M., Moerman, M.P., Nijssen, M., Oostermeijer, J.G.B., en Seip, L., 2022. Herstel konijnenpopulaties in de kustduinen. Rapport OBN-2017-86-DK, VBNE, Driebergen.
  • Descalzo, E., Tobajas, J., Villafuerte, R., Mateo, R. & Ferreras, P., 2021. Plasticity in daily activity patterns of a key prey species in the Iberian Peninsula to reduce predation risk. Wildlife Research, 48: 481–490.
  • Devillard, S., Aubineau, J., Berger, F., Léonard, Y., Roobrouck, A. & Marchandeau, S., 2008. Home range of the European rabbit (Oryctolagus cuniculus) in three contrasting French populations. Mammalian Biology, 73(2), 128–137.
  • Diepenbeek, A. van, 2021. Een konijnenwentel, Zoogdier, jaargang 32 nummer 1. Voorjaar 2021. Via: zoogdier-32-1-web.pdfDiepenbeek, A. van, 1999. Veldgids Diersporen, Annemarie van Diepenbeek, KNNV uitgeverij.
  • Díez C., Paez, J., Prieto, R., Alonso M.E. & Olmedo, J.A., 2005. Activity Patterns of Wild Rabbit (Oryctolagus cuniculus, L.1758), under Semi-Freedom Conditions, during Autumn and Winter. Wildlife Biology in Practice, 1 (1): 41-46.
  • Díez C., Sánchez-García C., Pérez J.A., Bartolomé D.J., González, V., Wheatley, C.J., Alonso M.E. & Gaudioso, V.R., 2013. Behavioral activity of wild rabbits (Oryctolagus Cuniculus) under semi-natural rearing systems: establishing a seasonal pattern. World Rabbit Sci. 2013, 21: 263-270
  • Drees, J.M., 1992. Konijn, Oryctolagus cuniculus. In: S. Broekhuizen, B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen (red.). Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij KNNV, Utrecht.
  • Drees, J.M., J.J.A. Dekker, A. Lavazza & Capucci, L., 2007. Voorkomen en verspreiding van Rabbit Haemorrhagic Disease en Myxomatose in Nederlandse konijnenpopulaties. Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming 2007.17.
  • Elsworth, P., Cooke, B., Kovaliski, J., Sinclair, R., Holmes, E.C., Strive, T., 2014. Increased virulence of rabbit haemorrhagic disease virus associated with genetic resistance in wild Australian rabbit (Oryctolagus cuniculus). Virology 464-465:415-423.
  • Fernandez-de-Simon, J., Diaz-Ruiz, F., Cirilli, F., Tortosa, F. S., Villafuerte, R., Delibes-Mateos, M., & Ferreras, P., 2011. Towards a standardized index of European rabbit abundance in Iberian Mediterranean habitats. European Journal of Wildlife Research 57(5): 1091-1100.
  • Flux, J. E. C., 2008. A review of competition between rabbits (Oryctolagus cuniculus) and hares (Lepus europaeus). In P. C. Alves, N. Ferrand & K. Hackländer (Eds.), Lagomorph Biology: Evolution, Ecology and Conservation (pp. 241–249). Springer, Berlin, Heidelberg.
  • Gálvez, L., López Pintor, A., De Miguel, J. M., Alonso, G., Rueda, M., Rebollo, S., & Gómez Sal, A., 2008. Ecosystem engineering effects of European rabbits in a Mediterranean habitat. In P. C. Alves, N. Ferrand & K. Hackländer (Eds.), Lagomorph Biology: Evolution, Ecology and Conservation (pp. 125–140). Springer.
  • González-Redondo, P., 2009. Number of faecal pellets dropped daily by the wild rabbit (Oryctolagus cuniculus). Journal of Animal and Veterinary Advances, 2635-2637.
  • Grolms, J., 2023. Diersporen van Europa: Determineren en interpreteren. Noordboek. (orgineel Tierspuren Europas, 2021)
  • Guerrero-Casado, J., Carpio, A.J., Tortosa, F.S., 2016. Recent negative trends of wild rabbit populations in southern Spain after the arrival of the new variant of the rabbit hemorrhagic disease virus RHDV2, Mammalian Biology, 81 (4), pp. 361-364
    • Hackländer, K. and Alves, P. C. (editors), 2023. Handbook of Mammels, Primates and Lagomorpha. Springer International Publishing, Cham.
  • Van der Hagen, H.G.J.M., 2022. Rabbits rule: evaluating livestock grazing in coastal sand dunes of Meijendel, the Netherlands. Wageningen University.
  • Halfpenny, J., 1986. A field guide to mammal tracking in North America. Johnson Books, Boulder, USA.
  • Hulbert, I., Iason, G., Elston, D., & Racey, P., 1996. Home-range sizes in a stratified upland landscape of two lagomorphs with different feeding strategies.
  • IJzer, J., Van Zeeland, Y.R.A., Montizaan, M.G.E., Egberink, H.F., König, P., Van Geijlswijk, I.M., 2016. Introductie van een nieuw type virus in Nederland in 2015. Rabbit Haemorrhagic Disease Virus 2 (RHDV2): bij de konijnen af. Tijdschrift voor Diergeneeskunde 3: 24-29.
  • Koopmans, M., Dekker, J., Kappers, E.F., & Loonstra, J., 2024. Soorten van de wildlijst. Verkenning van oorzaken populatiedaling en mogelijkheden tot herstel. A&W-rapport 22-401 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden
  • Lange, R., Twisk, P., van Winden A. & Van Diepenbeek, A., 2003 Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming, Utrecht, Nederland.
  • Lees, A. C. & Bell, D. J., 2008. A conservation paradox for the 21st century: The European wild rabbit Oryctolagus cuniculus, an invasive alien and an endangered native species. Mammal Review, 38(4), 304–320.
  • Lombardi, L., Fernández, N., & Moreno, S., 2007. Habitat use and spatial behaviour in the European rabbit in three Mediterranean environments. Basic and Applied Ecology, 8(5), 453–463. DOI: 10.1016/j.baae.2006.09.004 (sciencedirect.com)
  • Machado, R., Santos, P., 2019. Does wild rabbit population size affect connectivity? World Rabbit Sci. [Internet]. Dec. 23 [cited 2026 Jun. 12];27(4):207-16.
  • Marchandeau, S., Chaval, Y., Le Goff, E., 2000. Prolonged decline in the abundance of wild European rabbits Oryctolagus cuniculus and high immunity level over three years following the arrival of rabbit haemorrhagic disease. Wildl. Biol. 6, 141–147.
  • Moseby, K., Jong, S.D., Munro, N., & Pieck A., 2005. Home range, activity and habitat use of european rabbits (Oryctolagus cuniculus) in arid Australia: implications for control.
  • Moreno, S., R. Villafuerte, S. Cabezas & L. Lombardi, 2004. European rabbit restocking for predator con servation in Spain. Biological Conservation 118: 183-193.
  • Nauta, R., & Pot, A., 2018. Het prentenboek: Sporen van zoogdieren en vogels. KNNV Uitgeverij.
  • Northover, A.S., A.J. Lymbery, Wayne, A.F., Godfrey, S.S., Thompson, R.C.A. 2018. The hidden consequences of altering host-parasite relationships during fauna translocations. Biological Conservation 220: 140-148.
  • Norren, E. van en Dekker, J., 2021. Achteruitgang van haas en konijn sinds 1950, Oorzaken en beschermingsmogelijkheden. Rapport 2020.24. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
  • Olff, H., & Boersma, S. F., 1998. Lange termijn veranderingen in de konijnenstand van Nederlandse duingebieden: oorzaken en gevolgen voor de vegetatie. Wageningen Universiteit rapport. (PDF) Lange termijn veranderingen in de konijnenstand van Nederlandse duingebieden: oorzaken en gevolgen voor de vegetatie.
  • Oosten, H. v., Versluijs, R., Klaassen, O., Van Turnhout, C. & van den Burg, A. (2009). Knelpunten voor duinfauna -relaties met aantasting en beheer van duingraslanden-. Nijmegen: Stichting Bargerveen, SOVON Vogelonderzoek.
  • Palencia, P., Barroso, P., Vicente, J., Hofmeester, T.R., Ferreres, J. and Acevedo, P. (2022), Random encounter model is a reliable method for estimating population density of multiple species using camera traps. Remote Sens Ecol Conserv, 8: 670-682.
  • Palomares, F., 2001. Comparison of 3 methods to estimate rabbit abundance in a Mediterranean environment Wildlife Society Bulletin 29(2): 578-585.
  • Palomares, F., 2001. Spatial ecology of Iberian lynx and abundance of European rabbits in southwestern Spain. Wildlife Monographs, 148.
  • Palomares, F., 2003. Warren building by European rabbits (Oryctolagus cuniculus) in relation to cover availability in a sandy area. Journal of Zoology, 259(1), 63–67.
  • Peacock, D., Kovaliski, J., Sinclair, R., Mutze, G., Iannella, A., Capucci, L., 2017. RHDV2 overcoming RHDV immunity in wild rabbits (Oryctolagus cuniculus) in Australia. Short communication. Veterinary Record, March 18, 2017 pp.1-3.
  • Pech, R.P, Sinclair, A.R.E., Newsome A.E., & Catling, P.C., 1992. Limits to predator regulation of rabbits in Australia: evidence from predator-removal experiments. Oecologia 89:102-112.
  • Rödel, H. G., & Dekker, J. J. A., 2012. Weer konijn en haas. Invloed van het weer op populatiedynamiek. Zoogdier, 23(4), 1–3.
  • Rödel H. G., Starkloff A., Seltmann M. W., Prager G., Von Holst D., 2009. Causes and predictors of nest mortality in a European rabbit population. Mammalian Biology, 74, 198–209. 10.1016/j.mambio.2008.04.003
  • Rödel, H. G. & von Holst, D., 2008. Weather effects on reproduction, survival and body mass of European rabbits in a temperate zone habitat. In P. C. Alves, N. M. Ferrand & K. Hackländer (Eds.), Lagomorph Biology: Evolution, Ecology and Conservation (pp. 115–124). Springer, Berlin, Germany.
  • Rogers, P. M. & Myers, K., 1979. Ecology of the European wild rabbit, Oryctolagus cuniculus (L.), in Mediterranean habitats. I. Distribution in the landscape of the Coto Doñana, southern Spain. Journal of Applied Ecology, 16(3), 691–703.
  • Rogers, P. M., 1981. Ecology of the European wild rabbit (Oryctolagus cuniculus L.) in Mediterranean habitats. II. Distribution in the landscape of the Camargue, S. France. Journal of Applied Ecology, 18, 355–371.
  • Rogers, P. M., Arthur, C. P., & Soriguer, R. C., 1994. The rabbit in continental Europe. In H. V. Thompson & C. M. King (Eds.), The European rabbit: The history and biology of a successful colonizer (pp. 22–63). Oxford University Press.
  • Rowcliffe, J.M., Field, J., Turvey, S.T. & Carbone, C., 2008. Estimating animal density using camera traps without the need for individual recognition. Journal of Applied Ecology, 45(4), 1228–1236.
  • Jiménez-Ruiz, S., Rafael, M., Coelho, J., Pacheco, H., Fernandes, M., Alves, P.C., Santos, N., 2023. Hoge sterfte van wilde Europese konijnen tijdens een natuurlijke uitbraak van konijnenhemorragische ziekte GI.2 aangetoond door een Capture-Mark-Recapture studie. Transbound Emerg Dis. 19 jun; 2023:3451338. DOI: 10.1155/2023/3451338. PMID: 40303688; PMCID: PMC12017207
  • Santilli, F., & Bagliacca, M., 2010. Habitat use by the european wild rabbit (Oryctolagus cuniculus) in a coastal sandy dune ecosystem of central italy.
  • Santilli, F., Bagliacca, M. & Paci, G., 2014. Density and habitat use of sympatric brown hares and European rabbits in a Mediterranean farmland area of Tuscany (central Italy). Ethology Ecology & Evolution, 27(3), 233–243.
  • Schäfers, G., Ebersbach, H., Reimers, H., Körber, P., Janke, K., Borggräfer, K., Landweht, F., 2016. Atlas der Säugetiere Hamburg. Artenbestand, Verbreitung, Rote Liste, Gefährdung und Schutz. – Behörde für Umwelt und Energie, Amt f. Naturschutz, Grünplanung und Energie, Abteilung Naturschutz. Hamburg.
  • Scheppers, T., & Casaer, J., 2008. Wildbeheereenheden – Statistieken: Rapportering en verwerking over de periode 1998–2007. Mededeling van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek nr. 9, Brussel.
  • Siebenga, S., 1991. Virusziekte bij hazen (EBHS) en konijnen (VHS) nu ook in Nederland. De Nederlandse Jager 96: 4-6.
  • Smulders, P.B., Wansink, D.E.H., Van der Grift, E., Nouwens, L., Hofland, A.C., 2021. Leidraad Faunavoorzieningen bij infrastructuur. Rijkswaterstaat, Dienst Water, Verkeer en Leefomgeving, Utrecht. Wildl Res 40:545–551
  • Stott, P., 2003. Use of space by sympatric European hares (Lepus europaeus) and European rabbits (Oryctolagus cuniculus) in Australia.
  • Smith, A.T., Johnston, C.H., Alves, P.C., Hacklander, K., 2018. Lagomorphs: Pikas, rabbits, and hares of the world. John Hopkins University Press, Baltimore US.
  • Southern, H.N., 1940. The ecology and population dynamics of the wild rabbit (Oryctolagus cuniculus). Annals of Applied Biology, 27(4), 509–526.
  • Stott, P., 2003. Use of space by sympatric European hares (Lepus europaeus) and European rabbits (Oryctolagus cuniculus) in Australia. Mammalian Biology, 68(5), 317–327.
  • Tablado, Z., Revilla, E. & Palomares, F., 2009. Breeding like rabbits: global patterns of variability and determinants of European wild rabbit reproduction. Ecography, 32, 310–320.
  • Ter Harmsel, R., Bijlsma, R.J., van der Grift, E., Villing, N., van Eupen, M., Biersteker, L. & Los, S., 2022. Staat van instandhouding haas en konijn. Wageningen Environmental Research Rapport 3153. Wageningen University & Research
  • Thompson, H.V. & King, C.M. (red.), 1994. The European Rabbit. The history and biology of a successful colonizer. Oxford University Press, Oxford, VK
  • Tittensor A. M., Lloyd H.G, 1983. Rabbits Forestry Commission Record 125. Her Majesty’s Stationery Office.
  • Vandenabeele, M.A., 2004. Betrouwbaarheid van keuteltellingen voor het inschatten van tijdsbesteding, ruimtegebruik en populatiedensiteit van het konijn (Oryctolagus cuniculus L.). MSc Thesis. Universiteit Gent: Gent. 81, bijlagen pp.
  • Van Strien, A.J., Dekker, J.J.A., Straver, M., van der Meij, T., Soldaat, L.L., Ehrenburg A., & van Loon, E., 2011. Occupancy trends in wild rabbit (Oryctolagus cuniculus) in the coastal dunes of the Netherlands adjusted for imperfect detection. Wildlife Research 38(8): 717-725.
  • Villafuerte, R. & Moreno, S., 1997. Predation risk, cover type, and group size in European rabbits in Doñana (SW Spain). Acta Theriologica, 42(2), 225–230. doi:10.4098/AT.arch.97-23.
  • Virgós, E., Caberzas-Diaz, S., Malo, A.F., & Lozano, J., 2004. Factors shaping European rabbit abundance in continuous and fragmented populations of central Spain.
  • Weterings, M.J.A., Weiß, M., & Kuipers, H., 2023. Impact-analyse: Gevolgen sluiting van jacht op de populatie van wildlijstsoorten. Rapport VHL.2023. 7902350001. Van Hall Larenstein University of Applied Sciences, Leeuwarden
  • Wallage-Drees, J.M., & Deinum, B., 1988. Quality of the diet selected by wild rabbits in autumn and winter. Netherlands Journal of Zoology, 36, 438–450.
  • Ziege, M., Babitsch, D., Brix, M., Kriesten, S., Seidemann, A., Wenninger, S., & Plath, M., 2013. Anpassungsfähigkeit des Europäischen Wildkaninchens entlang eines rural-urbanen Gradienten. Beiträge zur Jagd- und Wildtierforschung, 38, 189–199.
  • Ziege, M., Brix, M., Schulze, M., Seidemann, A., Straskraba, S., Wenninger, S., & Plath, M., 2015. From multifamily residences to studio apartments: Shifts in burrow structures of European rabbits along a rural-to-urban gradient. Journal of Zoology, 295(4), 286–293

Foto header: Saxifraga-Mark Zekhuis.

Totstandkoming publicatie

Het tot stand komen van dit kennisdocument is in 2026 begeleid door Sana Okayasu/ procesbegeleider BIJ12, Mirjam Vijfhuize/ ecoloog BIJ12 en Irene van Laatum/ Ecogroen namens Netwerk Groene Bureaus. De kwaliteitscontrole is uitgevoerd door Kees Straates/ ecoloog BIJ12.
Deze publicatie is tot stand gekomen in samenwerking met Jasja Dekker/ Jasja Dekker Dierecologie, Jeroen Nagtegaal/ TAUW, Alfred Melissen/ Zoogdiervereniging, Martijn Weterings/ Hogeschool Van Hall Larenstein en Michael Moerman/ Moerman Eco & Agro.
Vanuit de provincie en RVO zijn de volgende personen betrokken: Joyce Verschoor/ Provincie Utrecht, Jeroen Bevers/ Provincie Groningen, Noortje Meijdam/ Provincie Zeeland, Huub Vlemmix/ Provincie Drenthe en Jurrienne Beihuisen/ Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Deze publicatie is in opdracht van het Interprovinciaal Overleg (IPO) door BIJ12 opgesteld en gecoördineerd.

Colofon

Dit is een publicatie van BIJ12

BIJ12
Leidseveer 2
3511 SB Utrecht

Meer informatie
http://www.bij12.nl
info@bij12.nl

Bronvermelding
Kennisdocument Konijn, versie 1.0
BIJ12 juli 2026

Bijlage 1: Begrippenlijst

BegripDefinitie
AlternatievenafwegingDe alternatievenafweging is het systematisch onderzoeken of een voorgenomen activiteit kan worden uitgevoerd op een andere wijze of locatie die minder negatieve effecten heeft op beschermde soorten.
Onder de Omgevingswet moet bij een besluit over een project of omgevingsvergunning worden aangetoond dat:
• er geen uitvoerbaar alternatief bestaat dat dezelfde doelen bereikt met minder of geen significante negatieve effecten op milieu en natuurwaarden;
• negatieve effecten zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt voordat mitigerende maatregelen worden toegepast.
BelangenafwegingDe belangenafweging is het proces waarbij een bevoegd gezag de belangen van het voorgenomen project afweegt tegen de bescherming van natuur en milieu, inclusief beschermde soorten.
Bewezen effectieve maatregelBewezen effectieve maatregelen zijn maatregelen waarvan op basis van objectieve gegevens, wetenschappelijk onderzoek of aantoonbare praktijkervaring is vastgesteld dat zij daadwerkelijk leiden tot de beoogde mitigatie van negatieve effecten op beschermde soorten.
BurchtEen stelsel van kamers en gangen die door een konijnengroep gebruikt wordt als vaste voortplantingsplaats en rustplaats.
Compenserende maatregelCompenserende maatregelen zijn maatregelen die worden genomen om onvermijdelijke negatieve effecten van een project op beschermde soorten, te vergoeden of goed te maken, zodat de gunstige staat van instandhouding van de soorten op lange termijn wordt gewaarborgd.
Deze maatregelen worden toegepast wanneer negatieve effecten niet volledig kunnen worden vermeden. Ze hebben als doel om het ecologische verlies op een andere plek of op een andere manier te compenseren. Compenserende maatregelen dienen te functioneren voordat de negatieve effecten van een ingreep plaatsvinden.
Cumulatieve effectenCumulatieve effecten zijn de gezamenlijke gevolgen van een voorgenomen activiteit in combinatie met andere bestaande, vergunde of redelijkerwijs te verwachten activiteiten of plannen op beschermde soorten.
In de context van de Omgevingswet betekent dit dat niet alleen het individuele effect van een project wordt beoordeeld, maar ook de opgetelde invloed van meerdere projecten of ingrepen die in ruimte en tijd samen kunnen optreden. Deze gezamenlijke effecten kunnen leiden tot significante effecten op soorten, zelfs wanneer elke afzonderlijke activiteit op zichzelf beperkt lijkt.
DispersieHet verlaten van jongen van hun geboortegebied om een eigen leefgebied te zoeken.
Ecologisch deskundigeOnder een ecologisch deskundige wordt een persoon verstaan die, voor de situatie waarvoor diegene gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van:
- de ecologie van het konijn;
- de wet- en regelgeving rondom het konijn;
- de onderzoeksmethodieken naar het konijn;
- en de maatregelen ten behoeve van het konijn.
Experimentele maatregelEen experimentele maatregel is een maatregel waarvan de werking, uitvoerbaarheid of effectiviteit nog niet voldoende is aangetoond, maar die wordt toegepast om te onderzoeken of zij kan bijdragen aan het verminderen van negatieve effecten.
Flora- en fauna-activiteitActiviteit met mogelijke negatieve gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten.
Functionele leefomgevingDe omgeving waar alles aanwezig is om de levenscyclus van het konijn te voltooien.
HybridisatieDe kruising tussen wilde konijnen en gedomesticeerde konijnen.
LatrinesVaste plekken waar konijnen hun keutels leggen.
Leefgebied van een sociale groepHet gebied waar één sociale groep leeft die dit gebruikt voor alle dagelijkse activiteiten, zoals foerageren, paren en het grootbrengen van jongen (Burt, 1943).
JuvenielEen jong dat niet meer afhankelijk is van moedermelk, maar ook nog niet heeft meegedaan aan de voortplanting.
LeefgebiedKonijnenhabitat, biotoop waar konijnen leven.
Mitigerende maatregelMaatregel die wordt genomen om negatieve effecten van een project op beschermde soorten te voorkomen of te beperken. De maatregel richt zich op het minimaliseren van schade, zodat de negatieve impact op de soorten zo laag mogelijk blijft.
VoedsterVrouwelijk adult konijn.
Ram of rammelaarMannelijk adult konijn.
Sociale groepEen groep konijnen die samen een gestructureerde eenheid vormen van meerdere volwassen dieren en hun jongen, met een onderlinge hiërarchie. Ze gebruiken samen een burchtsysteem en vormen een voortplantingsgroep. De groep bestaat niet uitsluitend uit nauw verwante familieleden.
Staat van instandhoudingDit geeft aan in hoeverre de populatie van de soort duurzaam levensvatbaar is binnen haar leefgebied en haar natuurlijke verspreidingsgebied. Hierop wordt getoetst in de vergunningverlening.
WisselEen wissel is een vaste looproute die konijnen regelmatig gebruiken om zich tussen burcht, voedselbronnen, drinkplaatsen of rustplaatsen te verplaatsen. Deze paden ontstaan door herhaald gebruik en zijn vaak zichtbaar als smalle, uitgesleten sporen in de vegetatie of op de bodem.
WentelEen enkele ondergronds gegraven gang van maximaal 2 meter, met aan het einde een nestkamer. Deze is los van de burcht.

Bijlage 2: Overzicht van kennislacunes

Het kennisdocument Konijn is een verzameling van kennis, inschattingen en ervaringen van experts zoals deze beschikbaar was in het voorjaar van 2026. Tijdens de totstandkoming zijn enkele kennislacunes geïdentificeerd. Deze zijn in onderstaande lijst opgenomen.

  • Het is onbekend in hoeverre er geografische of landschappelijke verschillen zijn in de dichtheid van konijnen of in de omvang van het leefgebied van één sociale groep. Als deze informatie beschikbaar komt, kan dit worden toegevoegd aan het kennisdocument.
  • Hoe groot een geïsoleerde konijnenpopulatie minimaal moet zijn om duurzaam levensvatbaar te zijn, is voor konijnen niet bepaald. Als deze informatie beschikbaar komt, kan dit worden toegevoegd aan het kennisdocument.
  • WENR heeft in 2022 de landelijke staat van instandhouding van het konijn bepaald en ook een habitatgeschiktheidsindex gemaakt. Mogelijk is deze methodiek ook bruikbaar op provinciaal niveau. Mocht er meer informatie beschikbaar komen over de regionale staat van instandhouding, dan kan dit worden toegevoegd.
  • Met camera’s of cameravallen kan in theorie ook een inschatting gemaakt worden van het aantal konijnen in een burcht. Echter, zoals het kennisdocument aangeeft, is hier in de praktijk nog weinig ervaring mee. Een onderzoekopzet wordt niet verder behandeld in dit kennisdocument. Mocht er in de toekomst wel ervaring worden opgedaan met deze vorm van onderzoek om aantallen konijnen te bepalen, dan kan deze methodiek worden opgenomen in het kennisdocument. Aandachtpunten bij dit onderzoek zijn in elk geval dat alle (vlucht)pijpen worden voorzien van camera’s. De camera’s mogen geen vertragingsinterval hebben en alle camera’s moeten qua tijd zijn gesynchroniseerd. Het verdient daarnaast de aanbeveling om bij de analyse van beelden om eventuele individuele kenmerken (zoals wonden aan oren, kleurafwijkingen etc.) en de leeftijd (adult en juveniel) te noteren van elk konijn.
  • Veel van de in het kennisdocument opgenomen optimalisatiemaatregelen, zoals het aanbieden van kunstburchten als permanente verblijfplaats (paragraaf 4.4) zijn nog niet voldoende onderzocht en daardoor (nog) niet bewezen effectief. Het wordt aanbevolen hier nader wetenschappelijk onderzoek naar te laten doen. Zodra meer ervaring is opgedaan met de maatregelen kunnen in het kennisdocument deze ervaringen worden toegevoegd.

Bij een toekomstige actualisatie van het kennisdocument zal BIJ12 onderzoeken in hoeverre nieuwe kennis is toe te voegen. Aanvullende kennis kan worden gemaild naar kennisdocumenten@bij12.nl.

Inhoudsopgave