Kraai

Kraaiachtigen

De ‘Faunaschade PreventieKit’ voor kraaiachtigen laat zien met welke preventieve maatregelen u gewasschade door kraaien, roeken en kauwen, evenals eksters en gaaien, kunt voorkomen of beperken. Tot de Nederlandse kraaiachtigen behoren zwarte kraai, roek, kauw, ekster, gaai en raaf. Met name zwarte kraai, roek en kauw veroorzaken schade in de landbouw.

1. Zwarte kraai

Zwarte kraaien behoren tot de meest verspreide broedvogels en zijn zowel in open landbouwgebieden als bossen en steden aanwezig. De verspreiding en de landelijke broedpopulatie zijn sinds 1975 sterk toegenomen, vooral in agrarisch en stedelijk gebied. Momenteel komen er 70.000 tot 100.000 broedparen in Nederland voor.

1.1 Roek

De Nederlandse roekenpopulatie bevond zich rond 1970 op een dieptepunt, maar herstelde zich in de periode daarna. Sinds 2000 neemt de populatie licht af. Circa 80 procent van de roeken broedt in Gelderland, Drenthe, Overijssel, Noord-Brabant en Friesland. Vestigingen in het westen van het land zijn momenteel schaars maar nemen toe. Nederland telt zo’n 55.000 broedparen.

  • Lees hier meer informatie over tegemoetkomingen in faunaschade door roeken.

1.2 Kauw

Kauwen komen in heel Nederland voor. Het talrijkst zijn ze in stedelijk gebied en kleinschalig agrarisch gebied. Aaneengesloten bos wordt gemeden, terwijl open landschappen en natuurgebieden soms wel, soms niet bezet zijn. De landelijke stand is al tientallen jaren min of meer stabiel. Het gaat om 180.000 tot 220.000 broedparen.

Kraaiachtigen kunnen op allerlei manieren schade veroorzaken in de landbouw. In de zaai- en kiemperiode gaat het om pik- en krabschade aan zaaibedden en kiemplantjes. Daarnaast treedt vraat op aan vele soorten afrijpend fruit, akkerbouwgewassen, vollegrondgroenten en overige teeltvormen. Ook kan schade aan boomteelten ontstaan doordat kraaiachtigen takken afbreken of stekken en kiemplanten uit zaaibedden uittrekken. Ze vreten ook van kuilvoer en pikken gaten in de afsluitende folie waardoor broei ontstaat. Incidenteel ontstaat vraatschade aan voer bij eenden- en nertsenfokkerijen en predatie van jonge eenden en kuikens.

2. Preventieve maatregelen

Hieronder vindt u enkele verjaagmethoden. Zowel visuele als akoestische middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan. Door werende middelen af te wisselen en bovendien te combineren met afschot met het geweer, verhoogt u de effectiviteit en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen.

De zwarte kraai en kauw zijn landelijk vrijgesteld vanwege de omvangrijke schade die deze soorten veroorzaken. Om de roek te mogen verjagen en bestrijden, hebt u een ontheffing of provinciale vrijstelling nodig. Ditzelfde geldt voor ekster en gaai.

2.1 Visuele middelen

Visuele middelen als vlaggen, vogelverschrikkers, ballonnen en flitsmolens mogen door elkaar gebruikt worden en kunnen elkaar ook vervangen.


Vogelverschrikker

Vogelverschrikkers

Een vogelverschrikker bootst een menselijke gedaante na. Vogelverschrikkers worden met name gebruikt om vogelschade in zaaibedden en afrijpende gewassen te voorkomen.

Vogelverschrikkers bestaan vaak uit oude kleren om een houten frame, opgestopt met stro of iets dergelijks. Loshangende mouwen en broekspijpen die wapperen in de wind, versterken het effect. U moet vogelverschrikkers regelmatig verplaatsen om gewenning te voorkomen.

Er zijn ook vogelverschrikkers die zich na een bepaald tijdsinterval automatisch opblazen/oprichten (Scary Man). Dit soort vogelverschrikkers heeft ook een (uitschakelbare) sirene en lamp met dag/nachtschakeling. Volgens de fabrikant is deze vogelverschrikker effectief voor diverse vogelsoorten en ’s nachts (door de ingebouwde lamp) ook voor reeën en konijnen. Eén vogelverschrikker is voldoende voor een gebied van 1 tot 4 hectare.

In aanvulling op vogelverschrikkers kunt u nog landbouwvoertuigen op percelen zetten. Bejaagde diersoorten kunnen zich ook laten afschrikken door nabootsingen van ‘jachthutjes’ in de vorm van rietmatten, camouflagenetten en dergelijke.

Richtlijn BIJ12

  • normale vogelverschrikkers: plaats vier stuks per hectare, regelmatig verspreid over het perceel;
  • opblaasbare vogelverschrikkers: volg de voorschriften van de fabrikant.

Vlaggen en linten

Vlaggen en linten

Vlaggen en linten worden veel toegepast om vogels en zoogdieren uit landbouwpercelen te weren. U kunt hiervoor zakken, lappen of stroken folie aan een stok of paal boven het gewas hangen. Let erop dat de wind zoveel mogelijk vat heeft op de vlaggen en deze vrij kunnen wapperen. Lange stroken lichte folie zijn bij geringe windkracht al zeer bewegelijk.

Richtlijn BIJ12

  • Hang vier stuks op per hectare, regelmatig verspreid over het perceel daar waar schade te verwachten valt:
    • afmetingen rechthoekige vlaggen: minimaal 60 x 90 cm;
    • afmetingen linten: minimaal 7 x 150 cm;
    • lengte paal: minimaal 1,5 meter.
  • Percelen groter dan 5 ha: minimaal één vlag/lint per 100 meter.

Ballonnen

Ballonnen

Ook ballonnen gevuld met helium worden wel boven het gewas opgelaten om vogels te verjagen. U kunt de ballonnen voorzien van staarten (buisvormig of een windzak), waardoor een grillig vliegpatroon ontstaat. Er zijn ook ballonnen met ‘roofdierogen’ verkrijgbaar.

Ballonnen verjagen effectief maar zijn kwetsbaar bij harde wind (> 6 Beaufort). Bij regen en mist vliegen ballonnen niet of minder goed.

Richtlijn BIJ12

  • laat vier ballonnen op per hectare, regelmatig verspreid over het perceel.

Nabootsing roofvogel

Deze methode is gepatenteerd en bestaat uit een vlieger in de vormen en kleuren van een zeearend of slechtvalk. De vlieger is bevestigd aan een lange mast. De vliegers vliegen zelfstandig en natuurgetrouw op de wind. Volgens de leverancier treedt er nauwelijks gewenning op door het grillige vliegpatroon. De vliegers werken niet bij windstilte en kunnen niet worden toegepast bij harde wind. Het aantal vliegers dat nodig is, is afhankelijk van het gewas en de te verjagen soorten, de hoogte waarop de vlieger in de lucht hangt en het type vlieger.

Richtlijn BIJ12

  • gebruik de vlieger conform de gebruiksaanwijzing van de fabrikant/leverancier.

Flitslampen en flitsmolens

Flitsmolens

Flitsmolens bestaan uit drie vanen (zes vlakken), afwisselend zwart en fel gekleurd of voorzien van een reflectiefolie. De molentjes staan op een poot van circa 1,50 meter en draaien op de wind. De afwisseling in kleurvlakken veroorzaakt bij het draaien een soort flitsen. Er zijn ook molens die voorzien zijn van een roofvogelsilhouet.

Richtlijn BIJ12

  • de flitsen moeten vanaf elke positie op het perceel zichtbaar zijn;
  • gebruik tenminste vier flitsmolens per hectare, regelmatig verspreid over het perceel.

Ophangen dode vogels

U kunt kraaiachtigen op kleine schaal weren door dode soortgenoten op te hangen. U kunt met deze methode pikschade aan kuilvoer en zaaibedden voorkomen. De werking is van beperkte duur; er treedt vrij snel gewenning op. Enkel het ophangen van landelijk vrijgestelde soorten is toegestaan.

Richtlijn BIJ12

  • hang bij grotere percelen vier dode kraaien of kauwen per hectare op, regelmatig verspreid over het perceel.

2.2 Akoestische middelen

Knalapparaat

Knalapparaat

Knalapparaten zijn gaskanonnen die harde knallen afgeven. De apparaten werken op propaan of butaan. U haalt de beste resultaten als u de knallen elke 3 tot 5 minuten af laat gaan. Er zijn ook modellen die dubbele knallen afgeven en modellen die met elke knal een aantal graden van richting veranderen. Zo wordt het geweer realistischer nagebootst.

Voor het gebruik van knalapparaten hebt u in bepaalde gemeenten een ontheffing in het kader van de Algemene Plaatselijke Verordening nodig. De apparaten mogen niet gebruikt worden vlakbij de bebouwde kom. Houd er rekening mee dat knalapparaten bij weidend vee schrik- en vluchtreacties kunnen geven.

Richtlijn BIJ12

  • het tijdsinterval tussen de knallen mag maximaal 30 minuten bedragen
    verder geldt:

    • < 5 ha 1 knalapparaat
    • > 5 ha minimaal 1 knalapparaat per 5 ha
    • overig: verplaats de apparaten iedere 2 tot 3 dagen.

Vogelafweerpistool

Vogelafweerpistool

Een vogelafweerpistool bestaat meestal uit een standaard alarm- of startpistool, voorzien van een opschroefbare schietbuis. Met de schietbuis worden vogelafweerpatronen afgeschoten. Deze patronen ontploffen op een hoogte van 40 tot 60 meter (als knaller of giller, eventueel gecombineerd met lichteffecten).

Het vogelafweerpistool is een vuurwapen en valt onder de Wet Wapens en Munitie. Daarom hebt u een bijzondere machtiging van de korpschef van de regiopolitie nodig om er een te mogen bezitten en gebruiken. In sommige gemeenten is ook een ontheffing verplicht.

Richtlijn BIJ12

Het gebruik van een vogelafweerpistool is een arbeidsintensief, maar zeer effectief middel om vogels te verjagen.

  • u moet de percelen minimaal tweemaal per dag controleren en eventuele aanwezige vogels verjagen;
  • u moet er als grondgebruiker voor zorgen dat het gebruik van dit middel controleerbaar is; een ondertekende verklaring van de eigenaar van het vogelafweerpistool dat hij het middel bij u heeft ingezet, volstaat (eventueel moet u ook lege patronen of nota’s bewaren).

Kleppermolentjes – rammelblikjes

Kleppermolentjes/rammelblikjes

Zowel kleppermolentjes als rammelblikjes worden gebruikt om vogels uit boomgaarden en kleinfruitpercelen te verjagen. Kleppermolentjes worden door de wind aangedreven. U moet de molentjes op een paal monteren waarbij ze boven het gewas uitsteken. Nadeel van deze methode is een snelle gewenning. Bovendien werken ze niet als het windstil is.

Bij de zogenaamde rammelblikjes wordt een groot aantal rammelblikjes (bijvoorbeeld metalen blikjes met knikkers) opgehangen tussen de fruitbomen of –struiken. De blikjes worden vanuit een centrale uitkijkpost bediend door aan touwen te trekken. Het systeem dient overdag continu bemand te worden en is zeer arbeidsintensief. De methode is wel effectief omdat de verstoring alleen in de directe omgeving van de aanwezige vogels plaatsvindt. Hierdoor treedt nauwelijks gewenning op.


Ratels/krekels

Ratels/krekels

Ook handmatig aangedreven ratels en kleppers worden gebruikt om vogels uit boomgaarden en percelen met kleinfruit te verjagen. Omdat in de methode zowel een persoon nadert als lawaai wordt gebruikt, treedt minder snel gewenning op. Het is wel essentieel dat u de eerste vogels direct verjaagt, omdat ze anders andere vogels aantrekken (en grote groepen vogels zijn moeilijker te verjagen dan kleine groepjes). Daarna moet u de methode meerdere keren per dag herhalen. De methode is dus erg arbeidsintensief.

Het krekelsysteem bestaat uit een aandrijfkast met vier krekels (metalen buizen met schuin afgezaagde uiteinden en een as). De aandrijfkasten drijven de krekels met behulp van touwen en katrollen aan. Zware schakels aan de as slaan tegen de binnenkant van de metalen buis. Daardoor ontstaat een scherp ratelend geluid van 95-100 decibel. Met de tijdschakelaar kunt u de duur en de frequentie instellen.

Richtlijn BIJ12

  • een krekelsysteem met vier krekels heeft een effectief bereik van circa 2 hectare, mogelijk meer;
  • het krekelsysteem is nog in ontwikkeling en nog niet regulier verkrijgbaar.

Angstkreten

Angstkreten

Vogels kunnen gewend raken aan onnatuurlijke, harde geluiden (knalapparaat) wanneer deze geen reële bedreiging vormen. Daarnaast kunt u een knalapparaat niet overal inzetten in verband met geluidsoverlast voor de omgeving.

Voor het gebruik van geluidsbanden geldt dat vogels gealarmeerd kunnen worden door de natuurlijke angstkreten van vogels of de geluiden van roofvogels. Omdat iedere vogel voornamelijk reageert op de angstkreten van de ‘in nood verkerende soortgenoot’, is het zinvol als u juist de angstkreten afspeelt van de vogelsoort die de schade veroorzaakt of de kreten van zijn natuurlijke predator. Er zijn inmiddels complete systemen op de markt. Deze systemen zijn waterdicht, beschikken over meerdere luidsprekers en zijn programmeerbaar voor vogelsoort, het interval en de periode van de dag dat de angstkreten worden afgespeeld.

Ook bij het gebruik van geluidsbanden geldt dat gewenning op kan treden wanneer het middel te lang en niet onregelmatig ingezet wordt. Afwisseling en combinatie met andere preventieve middelen is natuurlijk ook hier zinvol.

Richtlijn BIJ12

  • het hangt van de sterkte af hoeveel luidsprekers u nodig hebt; volgt u de voorschriften van de fabrikant/leverancier.

Schriklint/-koord

Schriklint/-koord en ritselfolie

Schriklint (ook wel bromlint of zoemlint genoemd) bestaat uit een speciaal lint dat langs perceelsranden of tussen gewasrijen wordt gespannen. Het gaat door de wind trillen en brommen. Schriklint wordt toegepast om vogelschade in kleinschalig teelten (kleinfruitpercelen, bloemen- en bloemzaadteelt) te voorkomen.

Ritselfolie bestaat uit een zeer lichte metaalfolie. U kunt stroken van deze folie met een soepel draadje ophangen aan spandraden, de afrastering of paaltjes.

De folie beweegt op de wind en maakt hierbij een ritselend geluid. Ook de weerkaatsing van het zonlicht op de folie werkt afschrikwekkend.

Richtlijn BIJ12

Schriklint:

  • breng de linten over de gehele lengte of breedte van het perceel aan;
  • zorg ervoor dat de onderlinge afstand tussen de linten maximaal 15 meter bedraagt.

Ritselfolie:

  • hang de stroken folie op maximaal 10 meter uit elkaar.

2.3. Afscherming

Afdeknetten

Afdeknetten worden in de fruitteelt gebruikt om vogels te weren. De netten worden los over het gewas gelegd of aangebracht op een frame van palen en touwen. Afdeknetten worden ook gebruikt ter bescherming van opgeslagen ruwvoer.

Afdeknetten

Richtlijn BIJ12

gebruik stevige, fijnmazige netten en span ze strak zodat vogels niet verstrikt raken.

2.4. Teelttechnische maatregelen

Percelen gelijktijdig inzaaien

Percelen gelijktijdig inzaaien

Door uw gewas(sen) op alle percelen gelijktijdig in te zaaien, verkleint u de kans op schade.


Aanpassen pootdiepte (bollen)

Aanpassen pootdiepte (bollen)

Door de bollen dieper te poten, verkleint u de kans op schade.

 

2.5. Geur- en smaakmiddelen

Negatieve Conditionering

Conditionering gewas (smaak)

Bij conditionering leert u dieren gedrag aan als reactie op een bepaalde prikkel. In dit geval brengt u smaakmiddelen aan op uw gewas die zorgen voor een bittere of afstotende smaak. Dieren die van het gewas eten, krijgen negatieve associaties bij het gewas. Daardoor gaan zij het gewas in de toekomst mijden.

Richtlijn BIJ12

Er is nog geen richtlijn voorhanden. Wilt u een nieuw middel uittesten, dan kunt u vooraf de verwachte werking met een consultant van BIJ12 bespreken. Als u aanspraak wilt houden op een tegemoetkoming, vraag dan schriftelijke toestemming voor de inzet van het betreffende middel.


Zaaizaadbehandeling conditionering (smaak)

Zaaizaadbehandeling conditionering (smaak)

Ook zaaizaad kan worden behandeld met (chemische) stoffen om vraatschade in pas gezaaide percelen te voorkomen. In de biologische landbouw wordt Tabasco of hertshoornolie gebruikt.

Richtlijn BIJ12

De zaaizaadbehandeling dient volgens beproefde methodiek en met behulp van toegelaten middelen te gebeuren.

2.6. Beheer

Ondersteunend afschot

Ondersteunend afschot en populatiebeheer

U kunt het geweer inzetten voor afschot. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen: (1) afschot om verjaging te ondersteunen en (2) populatiebeheer. In het eerste geval schiet u individuele dieren ter verjaging en gaat het om directe schadebestrijding. Dit gebeurt op het perceel. In het tweede geval (populatiebeheer) voorkomt u schade door de aantallen te reguleren. Populatiebeheer heeft als doel om de populatieomvang binnen een bepaald gebied op een niveau te brengen dat aansluit bij de maatschappelijke doelen.
U mag het geweer alleen zelf gebruiken als u jachtaktehouder bent. Bent u dat niet, dan kunt u een jager of een andere schadebestrijder vragen om dit middel toe te passen.
U kunt een jager of een andere schadebestrijder een grondgebruikersverklaring geven. Hij of zij mag dan in het kader van schadebestrijding op kraaien en kauwen jagen. Daarbuiten en voor de andere soorten hebt u vaak een ontheffing of machtiging nodig om daadwerkelijk afschot te mogen plegen.

Richtlijn BIJ12

Nota bene: de richtlijn is van toepassing op ‘aan verjaging ondersteunend afschot’.

  • minimaal twee keer per week schade bestrijden door middel van afschot van de schadeveroorzakende diersoort in de periode dat er schade wordt veroorzaakt;
  • op grotere percelen, bij kwetsbare gewassen, of bij veel schadeveroorzakers moet u een grotere inspanning leveren (hogere frequentie); ook de inzet van meerdere schadebestrijders (meer geweren) ligt dan voor de hand;

Als u een verzoek doet voor een tegemoetkoming in de schade moet u aantonen dat u adequaat gebruik hebt gemaakt van de ontheffing. Met de volgende link vindt u meer informatie over het adequaat gebruik van de ontheffing.


Vangkooi

Vangkooi

Er zijn zeer veel verschillende typen kastvallen en vangkooien. Een bekend type is de val waarbij één of twee deuren dichtslaan of –vallen als het dier op een tredplaat stapt. Vangkooien voor het vangen van eksters berusten op een dergelijk principe. De zogenaamde kraaienvangkooi bestaat uit een grote kooi van gaas, met aan de bovenzijde een soort ‘fuik’, waarbij de vogels (aangetrokken door voer en lokvogels) de kooi wel in kunnen maar deze niet meer kunnen verlaten. Voor het gebruik van kastvallen en vangkooien is voor de meeste diersoorten een ontheffing vereist.

Richtlijn BIJ12

Wilt u levende lokvogels gebruiken in combinatie met een kastval om ekster, zwarte kraai of kauw te vangen, dan moet u rekening houden met de volgende eisen:

  • u hebt een provinciale ontheffing nodig om een vangkooi te mogen gebruiken;
  • als lokvogel mag u alleen gefokte exemplaren van de ekster, zwarte kraai en kauw gebruiken en de lokvogels moeten geringd zijn;
  • de kastval moet zodanig geconstrueerd zijn dat geen lichamelijk contact mogelijk is tussen de lokvogel en de te vangen vogel;
  • de lokvogels moeten zijn voorzien van voldoende voedsel en water.

2.7. Overige middelen

Roofvogels

Het gecontroleerd inzetten van predatoren om diersoorten van percelen te verjagen kan zeer effectief zijn. De aanwezigheid van een natuurlijke vijand is voor veel dieren al voldoende om hun heil elders te gaan zoeken. Bovendien kan de methode ingezet worden op plaatsen waar niet met het geweer kan worden opgetreden. Wel is de methode zeer arbeidsintensief en de oppervlakte die één verjager aankan beperkt.

Verjagen met roofvogels, zoals havik en slechtvalk door valkeniers, is een bewezen methode om overlast van met name. vogels zoals duiven en kraaiachtigen lokaal te beperken. Echter, zolang er voor de overlast veroorzakende vogels voldoende voedsel aanwezig blijft, zal herhaalde of permanente inzet van deze methode noodzakelijk blijven.


Nader te specificeren

Drone

Nader te specificeren middelen zijn alle, op de markt als veilig te gebruiken arbeidsmiddel toegelaten middelen, die grondgebruikers willen uitproberen. Het gaat om middelen waarvan de werking in de praktijk tot nog toe niet of onvoldoende is bewezen en die niet in de Faunaschade Preventiekit (FPK) zijn opgenomen, maar waarvan de grondgebruiker wél een effectieve preventieve werking verwacht. Denk bijvoorbeeld aan afleidend voeren, lasers en de inzet van robots of drones. BIJ12 kan op eigen initiatief of op voorstel van derden onderzoek naar de effectiviteit van het middel laten doen, al dan niet in samenwerking met de betreffende grondgebruiker. Op deze manier stimuleert BIJ12 de inzet van innovatieve wildwerende maatregelen. Lees hier meer over onderzoeken van BIJ12.

Wilt u een nieuw middel uittesten, dan kunt u dat vooraf met een consulent van BIJ12 bespreken. Om aanspraak te behouden op een tegemoetkoming, heeft u voor de inzet van het betreffende middel de schriftelijke toestemming van BIJ12 nodig. Let op: dien het schriftelijk gemotiveerd verzoek tot toestemming ten minste een maand voor het gebruik in bij BIJ12 t.a.v. Faunazaken. De kleine lettertjes, artikel 4.4, zijn ook van toepassing op nader te specificeren middelen.

3. Soorten faunaschade

Bij verschillende gewassoorten kunnen er over het algemeen acht soorten schade aangericht worden door kraaiachtigen: vraatschade, pikschade, krabschade, vernieling, predatie van landbouwhuisdieren, bevuiling, vernieling en geluidoverlast.

In onderstaande infographics ziet u wanneer faunaschade voornamelijk optreedt. Schade kunt u voorkomen met de preventieve middelen uit paragraaf 2.

3.1 Schade aan akkerbouwgewassen

Extra informatie

Granen (zomer en winter): vooral in gelegerd graan.

Infographic kraaiachtigen schade aan akkerbouw

3.2 Schade aan vollegrondsgroenten

Infographic kraaiachtigen schade aan vollegrondsgroenten

3.3 Schade aan fruit

Extra informatie

Appels en peren: afhankelijk van de lokale situatie mag u met een ontheffing vangkooien plaatsen. Ook afschot van zwarte kraai en kauw kan op beperkte schaal iets uitrichten. Voor de roek en ekster hebt u voor afschot een ontheffing nodig.

Bessen (rode – en witte aalbes, kruisbes, zwarte bes, blauwe bes): afhankelijk van de lokale situatie mag u met een ontheffing vangkooien plaatsen. Ook afschot van zwarte kraai en kauw kan op beperkte schaal iets uitrichten. Voor de roek en ekster hebt u een ontheffing nodig om gebruik te maken van afschot.

Infographic kraaiachtigen schade aan fruit

3.4 Schade aan overige gewassen

Extra informatie

Bloemen, bloemzaden en bloembollen: vraatschade in het voorjaar.

Bosbouw en boomteelt: vraatschade en vernieling gedurende het gehele jaar doordat kraaiachtigen van zaaibedden vreten, stekken en kiemplanten in zaaibedden uittrekken, knoppen uitpikken en scheuten/toppen bij bomenteelt afbreken.

Landbouwhuisdieren: incidenteel vraatschade aan voer bij eenden- en nertsenfokkerijen en predatie van jonge eenden en kuikens.

Opgeslagen ruwvoer (kuilvoer, silage, pakken en rollen): kraaiachtigen vreten ruwvoer en pikken gaten in het afsluitende folie van kuilvoer waardoor broei ontstaat.

Opstallen en erven: bevuiling, vernieling en geluidoverlast gedurende het gehele jaar, omdat kraaiachtigen gebouwen bevuilen, schade aanrichten aan rieten daken en schoorstenen verstoppen.

Infographic kraaiachtigen schade aan overige gewassen

4. Algemeen

BIJ12 kan onder voorwaarden tegemoetkomen in de schade die beschermde inheemse diersoorten veroorzaken aan bedrijfsmatig geteelde landbouwgewassen of gehouden landbouwhuisdieren. Vervolgschade, bijvoorbeeld door vertrapping, verslemping en vervuiling, komt niet voor een tegemoetkoming in de schade in aanmerking.

Als u in aanmerking wilt komen voor een tegemoetkoming, moet u in veel gevallen (preventieve) maatregelen nemen om de schade te voorkomen en/of beperken. De vereiste maatregelen kunnen afhankelijk zijn van gewas, diersoort, periode en gebiedsstatus. Zie hiervoor in deze preventiekit beschreven preventieve maatregelen.

4.1 Wat te doen bij schade

Als er ondanks preventieve maatregelen toch nog schade van enige omvang optreedt, kunt u een tegemoetkoming in de schade aanvragen bij BIJ12. Deze aanvragen worden getoetst aan de beleidsregels van de provincie waarin de schadepercelen liggen.

Het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag doet u via MijnFaunazaken. Het melden van schade doet u via www.faunaschade.nl.

Let op: aan het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag zijn behandelkosten van 300 euro verbonden. De aanvraag kan pas worden ingediend nadat deze kosten via de betaalfunctie (iDEAL) in de applicatie zijn betaald.

Heeft u vragen over het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag of over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen, neem dan tijdig contact op met BIJ12. BIJ12 is bereikbaar via het telefoonnummer 085 – 486 22 22 of info@mijnfaunazakenbij12.nl.

4.2 Ontheffing

Voor het verjagen van een diersoort met ondersteunend afschot, is een ontheffing nodig. De Faunabeheereenheid (FBE) kan u op aanvraag machtigen om van de ontheffing gebruikt te maken, of u kunt zelf een ontheffing aanvragen:

  • als u een machtiging voor een ontheffing wilt aanvragen, neem dan bij dreigende of optredende schade direct contact op met de FBE in de provincie waarin uw percelen liggen;
  • als er nog geen ontheffing aan de FBE is verleend voor de betreffende diersoort, vraag deze dan direct zelf aan bij de provincie;
  • neem dezelfde dag nog preventieve maatregelen (voor zover die zijn toegestaan zonder ontheffing);
  • ontvangt u een machtiging via de FBE of een ontheffing van de provincie, neem dan meteen ook de maatregelen die volgens de ontheffing zijn toegestaan.

Voor verdere informatie over de provinciale FBE’s verwijzen we u naar www.faunabeheereenheid.nl.

4.3 Meer informatie

Wilt u meer weten over faunaschade en de voorkoming ervan? Raadpleeg dan de Faunaschade Preventie Kits (‘Bevers en beverratten’, Dassen, Duiven, Eenden, Ganzen, Haasachtigen, Hertachtigen, Hoenderachtigen, Kleine zangvogels, Koeten, Kraaiachtigen, Meeuwen, Roofvogels, Woelmuizen, ‘Wolven, vossen en marterachtigen’ en Zwanen). Maatregelen voor andere soortgroepen en de daarbij eventueel geldende richtlijnen vanuit BIJ12 zijn te vinden in de Handreiking Faunaschade (2009) (bijgewerkt op 08-02-2024).

4.4 Kleine lettertjes

Aan de informatie zoals weergegeven in de ‘Faunaschade Preventie Kit Kraaiachtigen’ kunnen geen rechten worden ontleend. Weersomstandigheden, teeltkeuzes, enzovoort kunnen leiden tot schadesituaties die niet zijn beschreven. De grondgebruiker blijft in alle gevallen primair verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van schade. Alle FPK’s vormen een weergave van gedeelde praktijkervaringen en niet van alle middelen waarvan de werking wetenschappelijk is aangetoond.

5. Over team Faunazaken

BIJ12 houdt zich bezig met taken op het gebied van faunaschade door natuurlijk in het wild levende beschermde dieren. Zij reiken handvatten aan om faunaschade te voorkomen en te bestrijden. Als dat niet (meer) mogelijk is, kunnen agrariërs in bepaalde gevallen bij het BIJ12 terecht voor een tegemoetkoming in de schade.

Colofon

  • Mede samengesteld door Van Bommel FAUNAWERK en Communicatiebureau de Lynx (logo, illustraties, infographics en print css).
  • Voor het beste printresultaat gebruikt u bij voorkeur Google Chrome.
  • Download de tekst op deze pagina als PDF bovenaan deze pagina (knop ‘PDF’).