Marter

Vossen en marterachtigen

De ‘Faunaschade PreventieKit’ voor vossen en marterachtigen laat zien met welke preventieve maatregelen u schade door vossen en steenmarters kunt voorkomen of beperken.

1. De vos

De vos is – na de wolf – het grootste roofdier in Nederland. Hij komt bijna overal voor, ook in stedelijk gebied. Tot in de jaren zeventig kwam de vos voornamelijk in het oostelijk deel van ons land voor. De jaren daarna heeft de vos zich verspreid over het hele land, doordat hij zich goed kon aanpassen aan de omstandigheden en aanwezigheid van de mens. Vanaf begin jaren zeventig heeft de vos  zich ook in de duinen gevestigd en is de stand daar sterk toegenomen. In zijn leefgebied komt de vos met enige regelmaat in conflict met de mens doordat hij bijvoorbeeld kippen of weidevogels opeet..

Vossen zijn solitaire jagers die voornamelijk leven van kleine zoogdieren zoals muizen en konijnen. Maar zijn overlevingsstrategie is flexibel en vossen weten voedselbronnen snel te vinden. Zo kunnen vossen in gebieden met veel fruitteelt in het oogstseizoen langere tijd van valfruit leven. Hij laat bij gelegenheid ook geen kans onbenut om een kip of eend mee te pikken. Dit betekent echter niet dat alle vossen pluimveerovers zijn en voortdurend  pluimvee belagen. Maar juist de paniekreactie van het pluimvee en het feit dat de vogels niet kunnen vluchten, wakkert het jachtinstinct van de vos aan waardoor deze soms meer dieren doodt dan noodzakelijk. Dit fenomeen wordt ‘surplus killing’ genoemd.

Meer informatie, onder andere over de uiterlijke kenmerken, de ecologie, bedreiging en bescherming, het waarnemen en de verspreiding over de vos vindt u op de website van de Zoogdiervereniging.

Het aantal bedrijven dat zich richt op Freiland-kippen of vrije-uitloopkippen is de laatste jaren toegenomen. De kippen lopen bij deze bedrijven net als de biologische kippen buiten in het weiland, wat erg aantrekkelijk is voor de vos. Om frequente predatie te voorkomen zijn specifieke maatregelen nodig.

Sinds 12 mei 2006 staat de vos op de landelijke vrijstellingslijst. Dit betekent dat de vos niet beschermd wordt tegen de jacht en dus met het geweer bejaagd mag worden. Alleen in het stedelijk gebied en een aantal natuurgebieden is bestrijding van vossen niet toegestaan. Daar waar schade wordt veroorzaakt door de vos, mag het dier met een aantal middelen bestreden worden.

1.1 De marterachtigen

Marters zijn slanke, middelgrote vleeseters met een lange borstelige staart. Er zijn twee soorten marters die in ons land voorkomen: de boommarter en de steenmarter.

De marter leeft alleen en is polygaam. Oorspronkelijk komt de marter uit bosgebieden (boommarter) en kleinschalige agrarische cultuurlandschappen (steenmarter). Het zijn uitstekende klimmers. Hoewel de marter vooral leeft van  kleine zoogdieren en vogels, eet hij ook vruchten, insecten en zelfs vissen. Marters laten zich niet snel aan mensen zien, maar ze zijn wel graag in hun nabijheid. Dit zorgt de laatste jaren voor een toename van  meldingen  van overlast door  steenmarters. Veel mensen hebben last van steenmarters in hun auto of hun huis. Omdat de marter in Nederland  een beschermde diersoort is  mag het dier niet gedood, gevangen of verjaagd worden. Dit geldt zowel voor de boom- als de steenmarter.

De steenmarter herken je aan de witte keelvlek (en het contrast tussen het bruine bovendeel van de vacht en de grauwbruine ondervacht. Bij de boommarter is de keelvlek okergeel. De steenmarter leeft over het algemeen  dichtbij de mens. Hij neemt regelmatig zijn intrek in huizen, op de zolder of in een spouwmuur. Ook vind je hem in stallen en schuren. Een marter deponeert zijn uitwerpselen in zijn verblijfplaats in een soort latrine. Hij gebruikt dus altijd dezelfde plaats. Doordat de uitwerpselen zich ophopen, ontstaat geuroverlast. Ook de bewegingen van de steenmarter kunnen zorgen voor nachtelijke verstoring. Onder de motorkap van een auto kunnen steenmarters grote schade veroorzaken aan bedrading en isolatiemateriaal.

De steenmarter is een alleseter met een voorkeur voor vlees. Hij eet graag andere knaagdieren, jonge konijnen en vogels, kippen en eieren. Ook insecten zoals rupsen, kevers, kikkers en regenwormen staan op het menu. Verder eet de marter weleens fruit en bessen. Incidenteel jaagt hij op kippen en ander pluimvee en sleept ze uit hun hokken.

De marter past zich gemakkelijk aan aan verschillende omstandigheden. Daardoor is de populatie is de laatste decennia sterk toegenomen.

Meer informatie onder andere over de uiterlijke kenmerken, de ecologie, bedreiging en bescherming, het waarnemen en de verspreiding over de marterachtigen vindt u op de website van de Zoogdierenvereniging (steenmarter en boommarter).

2. Preventieve maatregelen vos en marter

Algemeen

Hieronder vindt u enkele verjaagmethoden. Zowel visuele als akoestische middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan. Door werende middelen af te wisselen en eventueel, indien wettelijk toegestaan, dit te combineren met afschot met het geweer (bij de vos), verhoogt u de effectiviteit en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen.

preventie met fladderlinten

Vlaggen en linten

Vlaggen en linten/Lappzäune

Met name weerspiegelende linten en spiegelbollen kunnen effect hebben om de vos te weren, onder andere bij kippenhouderijen zoals vrije uitloop- of Freiland-bedrijven.

Visuele middelen als vlaggen, vogelverschrikkers, ballonnen en flitsmolens mogen door elkaar gebruikt worden en kunnen elkaar ook vervangen.


Afrasteringen

Het plaatsen van afrasteringen is een zeer effectieve manier om (niet-vliegende) diersoorten te weren van landbouwpercelen. Gaasrasters worden vooral gebruikt bij vaste percelen waar vee geweid wordt. Gaasrasters die nu al gebruikt worden bij schapenweides om edelherten of wilde zwijnen te weren zijn vaak ook geschikt om vossen en marters op afstand te houden. Voor een raster gelden echter specifieke eisen. Deze worden hieronder toegelicht.

Minimale normen rasters

Voor rasters die gebruikt worden om schapenweides af te rasteren hanteert BIJ12 onderstaande normen:

  • vaste afrastering;
  • stroomdraden.

Een stroomdraad is zeer geschikt om vossen en marters te weren. De stroomdraden geven een stroomschok bij contact. Dit wordt door vossen en marters als zeer onaangenaam ervaren, waardoor hij/zij een volgende poging zal vermijden. Stroomdraden zijn goedkoper dan een combinatie van gaas en stroomdraden. Bovendien zijn ze eenvoudiger te plaatsen en te verplaatsen. Wel vragen ze om meer toezicht en onderhoud. De stroomdraadapparaten zijn bovendien diefstalgevoelig. Ook is het belangrijk dat de draden geen contact maken met de ondergrond of vegetatie om de stroomgeleiding te waarborgen.

Normen voor vaste afrastering met stroomdraden

  • minimaal 4.5 kV elektrische spanning; minimaal 1,5 joule impulsenergie;
  • minimaal 5 draden bij nieuwe stroomdraden en/of poorten;
  • verdeling van de draden:
    • onderste draad maximaal op 20 cm hoogte van de grond;
    • bovenste draad minimaal 120 cm hoogte vanaf de grond;
    • tussen draden op 40, 60, 90 cm hoogte.
preventie door vaste elektrische afrastering

Vaste afrastering met stroomdraad

  • draden dienen aan de buitenzijde van het raster geplaatst te zijn;
  • de afwijking voor de draden mag niet meer dan 5 cm zijn;
  • er mag geen opstapmogelijkheid zijn die groter is dan 30 cm buiten het raster op een afstand van 2 meter;
  • maximale afstand tussen de palen is 10 meter.

Overige suggesties

Het spreekt voor zich dat de rasterpalen van goede kwaliteit dienen te zijn. Hieronder een suggestie welke afmetingen deze palen zouden kunnen hebben:

  • rasterpalen: 2,00 tot 3,00 meter lang, diameter 10/12 cm;
  • hoek- en schoorpalen: 3,50 meter lang, diameter 12/14 cm;
  • gebruik bij bochten en hoeken een steunpaal om de draden strak te houden;
  • ten overvloede: bij toegangspoorten gelden, afhankelijk van de uitvoering, dezelfde eisen als voor de afrastering zelf;
  • gebruik de middelste draad als aardedraad;
  • om overal voldoende spanning op de draden te houden kan bij grotere percelen een hogere impulsenergie nodig zijn;
  • plaats op 1,20 meter hoogte eventueel extra schriklint zonder stroom als extra optische barrière.
Preventie door elektrisch draadraster

Elektrisch draadraster


Vaste afrastering van gaas en stroomdraden

Normen voor vaste afrastering van gaas en stroomdraden

  • minimaal 4.5 kV elektrische spanning; minimaal 1,5 joule impulsenergie;
  • minimaal 3 draden bij gaas en/of bestaande dichte poorten;
  • verdeling van de draden:
    • onderste draad maximaal op 20 cm van de grond;
    • bovenste draad minimaal 120 cm hoogte;
    • tussen draden op 40 tot 60 cm hoogte;
  • draden dienen aan de buitenzijde van het raster geplaatst te zijn;
  • er mag geen opstapmogelijkheid zijn die groter is dan 30 cm buiten het raster op een afstand van 2 meter;
  • maximale afstand tussen de palen is zodanig dat het gaas stevig staat (4 – 6 meter).

Overige suggesties

  • gebruik gepuntlast verzinkt gaas: zwaar vierkant vlechtwerk van 1,20 m bijvoorbeeld zwaartype 120;
  • het spreekt voor zich: maar het gaas dient géén gaten te hebben;
  • de rasterpalen dienen van goede kwaliteit te zijn. Hieronder vindt u een suggestie voor de afmetingen. Behalve houten palen, kunt u ook kunststofpalen of insultimber gebruiken;
  • rasterpalen: minimaal 1,80 meter lang, diameter 10/12 cm;
  • hoek- en schoorpalen: ca. 2,50 meter lang, diameter 12/14 cm.
Preventie door wolfwerend gaasraster

Gaasraster


Verplaatsbare afrastering

Stroomdraad, flexinet of flexinet met stroomdraad

Een verplaatsbare afrastering met gaas (al dan niet met stroomdraad) blijkt een goed toepasbare en effectieve methode om vossen en marters van landbouwpercelen te weren. De werking is hetzelfde als bij een vaste afrastering met stroomdraad. U kunt de flexinetten na enige oefening vrij simpel aanbrengen en opruimen. Het flexinet met stroomdraad vraagt net zoals een vaste afrastering met stroomdraad meer toezicht en onderhoud.

Schrikapparaten op 220 V kunnen een grotere lengte onder spanning houden dan apparaten op accu’s. Daarbij zijn accu’s op zonnecellen bedrijfszekerder dan losse accu’s. Op plekken die vaak overstromen of waar de bodem vaak nat is, kan ook een soort rubberen stroomdraad gebruikt worden. Deze blijft ook onder zeer natte omstan­digheden bij beroering een schok afgeven en verliest geen stroom.

Normen voor verplaatsbare afrastering of flexinet, al dan niet met stroomdraad

  • minimaal 4.5 kV elektrische spanning; minimaal 1,5 joule impulsenergie;
  • stevige en strakke opstelling: de hoeken dienen daarbij geschoren te zijn;
  • er mag geen opstapmogelijkheid zijn die groter is dan 30 cm buiten het raster op een afstand van 2 meter.
preventie door verplaatsbare afrastering

Verplaatsbare afrastering flexinet

Preventie door verplaatsbare afrastering flexinet met stroomdraad

Verplaatsbare afrastering flexinet met stroomdraad

Normen voor verplaatsbaar raster met stroomdraden

  • minimaal 4.5 kV elektrische spanning; minimaal 1,5 joule impulsenergie;
  • minimaal 5 draden;
  • verdeling van de draden:
    • onderste draad maximaal op 20 cm hoogte van de grond;
    • bovenste draad minimaal 120 cm hoogte vanaf de grond;
    • tussen draden op 40, 60, 90 cm hoogte;
  • draden dienen aan de buitenzijde van het raster geplaatst te zijn;
  • de afwijking voor de draden mag niet meer dan 5 cm zijn;
  • er mag geen opstapmogelijkheid zijn die groter is dan 30 cm buiten het raster op een afstand van 2 meter;
  • maximale afstand tussen de palen is 10 meter.
Preventie door verplaatsbare afrastering met draden

Verplaatsbare afrastering met draden

Overige suggesties

Het is aan te bevelen de onderste draad 20 cm boven de grond te plaatsen, zodat deze vrij ligt en geen contact maakt met begroeiing. Ook is het aan te raden, waar nodig en mogelijk, de strook onder de stroomdraad vooraf te maaien. Plaats het raster, indien mogelijk, ook zo vlak mogelijk boven de ondergrond. Dit zorgt voor minder stroomverlies, waardoor de minimale spanning van 4,5 kV gehaald wordt en de accu niet te snel leeg raakt.

Voor goede en regelmatige aarding is het aan te raden bij elke koppeling van netrollen (50 meter) een koppeling aarde te maken. Bij bochten en hoeken is het handig om een steunpaal te gebruiken. Eventueel kan bovenlangs nog een schriklint geplaatst worden als extra optische barrière.


Elektrisch netwerk/Euronet (vossen, marters)

Fijnmazig elektrisch netwerk blijkt een goed toepasbare en effectieve methode om vossen en marters van landbouwpercelen te weren. U kunt de netten na enige oefening vrij simpel aanbrengen en opruimen. De kosten voor aanschaf en onderhoud liggen vrij hoog, waardoor deze methode vooral in aanmerking komt voor de wat kapitaalintensievere teelten. De netten met bijbehorende schrikdraadapparaten zijn diefstalgevoelig en daardoor niet overal toepasbaar.

Elektrisch netwerk / Euronet / Schrikdraad

Elektrisch netwerk / Euronet / Schrikdraad

Instructies voor gebruik:

  • 1,00 tot 1,20 meter hoog;
  • zorg voor goede en regelmatige aarding; het beste is om bij elke koppeling van netrollen (50 meter) een koppeling aarde te maken;
  • bij bochten en hoeken steunpaal gebruiken;
  • minimaal 3.000 volt/1,5 joule impulsenergie;
  • eventueel bovenlangs nog een schriklint plaatsen als extra optische barrière

2.1 Specifieke preventie maatregelen voor steenmaters

Preventie door boommanchetten

Boommanchet

Boommanchetten

Voor steenmarters kunnen speciale metalen ringmanchetten gebruikt worden om te voorkomen dat ze in woningen of opslagplaatsen binnendringen. Deze manchetten kunnen om kabels, regenpijpen en zelfs boomstammen worden bevestigd.


Ultrasone marterverjager

Een ultrasone marterverjager is een handig apparaat dat krachtige ultrasone geluidstonen uitzendt, al dan niet in combinatie met lichtflitsen. Hiermee kunnen marters verjaagd worden uit schuren of huizen. Tegenwoordig zijn er veel varianten te vinden op internet.


Anti-marterspray

Een anti-martespray kan op of onder de motor worden gespoten en heeft een voor de marters onaangename en afstotende lucht. Met name in de gebieden en in de periode dat marters het meest actief zijn, kan dit effect hebben.

Anti-marter(gazen)matten

Marters hebben gevoelige poten en lopen daarom niet graag over roosters of gaas. Een anti-martermat is daarom een effectief en goedkoop middel om marters te weren. Dit is een mat van gaas die plat op de grond, onder de auto komt te liggen. Er zijn een aantal kant-en-klare varianten te koop via internet (anti-martertapijten), maar het is ook mogelijk om deze zelf te maken. Met een stuk gaas en vier latten is dit vrij eenvoudig te realiseren.

Ommanteling kabels

Slangen en bougiekabels kunnen met bijtbestendige ommanteling worden uitgerust om vraatschade te voorkomen.

2.2 Specifieke preventie maatregelen voor vossen

Tijdig ophokken van kippen

Om schade op bijvoorbeeld Freilandkippenbedrijven te voorkomen, is het van belang om de kippen tijdig met of voor zonsondergang op te hokken.


Verjagen ondersteunen door afschot

Ondersteunend afschot

Ondersteunend afschot en populatiebeheer

Met behulp van de Landelijke Vrijstelling  (art 3.10 lid 1 Wet Natuurbescherming) kan de vos tussen zonsopkomst en zonondergang worden bestreden met behulp van het geweer. Eventueel kan dit ook met  aardhonden, kastvallen en vangkooien.

Voor grondgebruikers die kippen houden en houders van Freilandkippenbedrijven geldt dat met de jachthouder goede afspraken moeten worden gemaakt over de striktere bejaging in de directe omgeving.

Aanvullende middelen om effectief de vos te bestrijden zijn het gebruik van een vangkooi en  kunstlicht, restlicht- of warmtebeeldversterking en een geluiddemper. Voor een geluiddemper is wel een ontheffing nodig. Raadpleeg hiervoor uw Faunabeheereenheid (FBE). Om in aanmerking te komen voor een ontheffing is het van belang dat schadegegevens uit het verleden worden verzameld en aangeleverd. Bijvoorbeeld hoeveel kippen er zijn gedood door de vos (omgerekend naar financiële schade) en welke  andere preventieve middelen zijn gebruikt om de schade te voorkomen.

Als u een ontheffing wilt aanvragen, neem dan bij dreigende of optredende schade direct contact op met de FBE in de provincie waarin uw bedrijf is gelegen.

Als er nog geen ontheffing aan de FBE is verleend voor de betreffende diersoort, vraag deze dan direct zelf aan bij de provincie. Houd daarbij rekening met het volgende:

  • neem dezelfde dag nog preventieve maatregelen (voor zover die zijn toegestaan zonder ontheffing);
  • ontvangt u een machtiging via de FBE of een ontheffing van de provincie, neem dan meteen ook de maatregelen die volgens de ontheffing zijn toegestaan.

Voor verdere informatie over de provinciale FBE’s verwijzen we u naar www.faunabeheereenheid.nl.


Vangkooi

Naast de bejaging van vossen met het geweer is het ook toegestaan om vossen te vangen met een kastval of vangkooi. Hiervoor is schriftelijke toestemming nodig van de grondgebruiker. Hiervoor geldt echter niet de minimale 40 ha regeling zoals dit wel het geval is bij de bestrijding met het geweer. U kunt daarom een kastval of vangkooi plaatsen en gebruiken met de schriftelijke toestemming van de grondgebruiker van 1 ha. Ook is het mogelijk om een vangkooi of kastval binnen de bebouwde kom te gebruiken. De locatie van de vangkooi of kastval dient echter wel in het werkgebied van een Wildbeheereenheid (WBE) gelegen te zijn om gebruik te kunnen maken van de landelijke vrijstelling. Er zijn zeer veel verschillende typen kastvallen en vangkooien. Een bekend type is de val waarbij één of twee deuren dichtslaan of dichtvallen als het dier op een tredplaat stapt.

Gebruik bij voorkeur  aas uit het eigen veld zoals een konijn of een houtduif. Gebruik geen eieren, vis of slachtafval. Hiermee bent u in overtreding met specifieke milieuwetgevingen (voorheen de destructiewet). Ook het gebruik van levende lokkers zoals kippen is niet toegestaan.

Vossen – met name de oudere dieren – zijn erg voorzichtig en zullen niet gauw over de gazen bodem lopen van de kastval of vangkooi. Strooi daarom een laagje grond of strooisel op de bodem van de kastval of vangkooi zodat de vos niet direct over het gaas loopt. Gebruik bij voorkeur grond of strooisel dat uit de omgeving komt en bijvoorbeeld geen ophoogzand. Ook is het mogelijk om de bodem van de val te voorzien van een dunne plak graszode als de omgeving ook uit gras bestaat. Let hierbij wel op of de val nog wel geheel sluit als deze dicht slaat. U dient de kooi dagelijks te controleren.

3. Predatie

Bij landbouwhuisdieren kunnen er over het algemeen verschillende soorten schade aangericht worden door vossen en marters zoals predatie, verwonding en stress. De vos bijt het strottenhoofd van zijn prooi door en versleept het dier. Tot zijn prooi behoren voornamelijk kippen en siervogels. Daarnaast is er kans dat door de stress moederdieren hun lammeren of kalveren verwerpen, of dat (landbouw)huisdieren uitbreken en elkaar dooddrukken. De marter bijt het strottenhoofd van zijn prooi door en zuigt het bloed uit het dier. De prooi van de marter bestaat voornamelijk uit kippen en siervogels.

3.1 Schade aan akkerbouwgewassen

Schade aan akkerbouwgewassen komt slechts incidenteel voor. In het verleden is schade door de vos geconstateerd aan winterwortelen doordat ze teeltruggen opgraven vanwege de aanwezigheid van muizen. Deze vorm van schade kan worden voorkomen met de preventieve middelen uit paragraaf 2.

4. Tegemoetkoming

Voor de vos en marter wordt geen tegemoetkoming in schade verleend.

Met betrekking tot de vos heeft dit te maken met de beleidsregels, waarin staat vermeld dat geen tegemoetkoming in de schade wordt verleend voor landelijk vrijgestelde diersoorten. Voor de vos geldt een dergelijke landelijke vrijstelling.

In de beleidsregels van de provincies staat verder vermeld dat Gedeputeerde Staten uitsluitend een tegemoetkoming verleend voor schade veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten als genoemd in artikel 6.1, eerste lid onder a en b, van de Wet natuurbescherming, welke door vraat, graven, wroeten of vegen aan landbouw is veroorzaakt.

Schade door steenmarters aan bijvoorbeeld  kabels van auto’s en overlast van stank en vervuiling vallen hier niet onder.

4.1 Wat te doen bij schade

Als u in aanmerking wilt komen voor een tegemoetkoming, moet u in veel gevallen eerst (preventieve) maatregelen nemen om de schade te voorkomen en/of beperken. De vereiste maatregelen kunnen afhankelijk zijn van gewas, diersoort, periode en gebiedsstatus. Zie hiervoor in deze preventiekit beschreven preventieve maatregelen.

Wel melden!

Hoewel schade niet altijd vergoed wordt, is het wel van belang om schade door marters te melden. De meldingen worden verzameld om een goed beeld van de verspreiding van dieren en schade door Nederland te krijgen. Bovendien weten we dan sneller of overlast toeneemt, zodat we op tijd juiste maatregelen kunnen nemen. Hier kunnen beleidsmakers dan op anticiperen. Een win-win situatie dus.

Om een indruk te krijgen van de omvang van de schade toegebracht door vos en marter is het dus wel aan raden om de schade te melden. Dit kunt u doen via www.faunaschade.nl.

Heeft u vragen over het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag of over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen, neem dan tijdig contact op met BIJ12. BIJ12 is bereikbaar via het telefoonnummer 085 – 486 22 22 (keuzeoptie 1) of info@mijnfaunazakenbij12.nl.

4.2 Ontheffing

Voor beheer en schadebestrijding en de eventueel in te zetten middelen kan een ontheffing noodzakelijk zijn. De Faunabeheereenheid (FBE) kan u op aanvraag machtigen om van bestaande ontheffingen gebruikt te maken, of u kunt zelf een ontheffing aanvragen:

  • als u een machtiging voor een ontheffing wilt aanvragen, neem dan bij dreigende of optredende schade direct contact op met de FBE in de provincie waarin uw percelen liggen;
  • als er nog geen ontheffing aan de FBE is verleend voor de betreffende diersoort of middel, vraag deze dan direct zelf aan bij de FBE, provincie of omgevingsdienst/regionale uitvoeringsdienst;
  • neem dezelfde dag nog preventieve maatregelen (voor zover die zijn toegestaan zonder ontheffing);
  • ontvangt u een machtiging via de FBE of een ontheffing van de provincie, neem dan meteen ook de maatregelen die volgens de ontheffing zijn toegestaan.

Voor verdere informatie over de provinciale FBE’s verwijzen we u naar www.faunabeheereenheid.nl.

4.3 Meer informatie

Wilt u meer weten over faunaschade en de voorkoming ervan? Raadpleeg dan de Faunaschade Preventie Kits (‘Bevers en beverratten’, Dassen, Duiven, Eenden, Ganzen, Haasachtigen, Hertachtigen, Hoenderachtigen, Kleine zangvogels, Koeten, Kraaiachtigen, Meeuwen, Roofvogels, Woelmuizen, Wolven, Vossen en Marterachtigen en Zwanen). Maatregelen voor andere soortgroepen en de daarbij eventueel geldende richtlijnen vanuit BIJ12 zijn te vinden in de Handreiking Faunaschade (2009) (bijgewerkt op 08-02-2024).

4.4 Kleine lettertjes

Aan de informatie zoals weergegeven in de ‘Faunaschade Preventie Kit Vossen en marterachtigen’ kunnen geen rechten worden ontleend. Weersomstandigheden, teeltkeuzes, enzovoort kunnen leiden tot schadesituaties die niet zijn beschreven. De grondgebruiker blijft in alle gevallen primair verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van schade. Alle FPK’s vormen een weergave van gedeelde praktijkervaringen en niet van alle middelen waarvan de werking wetenschappelijk is aangetoond.

5. Over BIJ12

BIJ12 houdt zich bezig met taken op het gebied van faunaschade door natuurlijk in het wild levende beschermde dieren. Zij reiken handvatten aan om faunaschade te voorkomen en te bestrijden. Als dat niet (meer) mogelijk is, kunnen agrariërs in bepaalde gevallen bij BIJ12 terecht voor een tegemoetkoming in de schade.

Colofon

  • Mede samengesteld door Van Bommel FAUNAWERK en Communicatiebureau de Lynx (logo, illustraties, infographics en print css). Sommige teksten zijn gedeeltelijk afkomstig van de Dierenbescherming.
  • Voor het beste printresultaat gebruikt u bij voorkeur Google Chrome.
  • Download de tekst op deze pagina als PDF bovenaan deze pagina (knop ‘PDF’).