Algemene kenmerken
De haas (Lepus europaeus) is een middelgroot zoogdier met een lengte van 50 tot 65 centimeter en een lichaamsgewicht van 3 tot 5 kilogram. De vachtkleur varieert van grijzig in kleigebieden tot bruinachtig in zandgebieden, altijd met een witte buik. Een enkele keer worden ook witte hazen aangetroffen. De opvallende oren – ‘lepels’ genoemd – zijn 9 tot 12 centimeter lang en hebben donkere uiteinden, zoals zichtbaar is in afbeelding 1.1. De staart is kort (8-10 centimeter), donker van boven en wit van onder.
Verwarring met het konijn is mogelijk, maar konijnen zijn kleiner, hebben een rondere kop, kortere poten en oren en missen de donkere punten aan het uiteinde van de oren. De haas houdt zijn staart meestal omlaag, waardoor alleen de donkere bovenzijde zichtbaar is.

Figuur 1.1: Een haas in grasland.
De haas heeft een uitstekend gehoor dankzij de grote oren die onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen en 190 graden naar buiten kunnen draaien. Dankzij de zijwaarts geplaatste ogen heeft de haas een vrijwel volledig panoramisch zicht (360 graden), met slechts een kleine dode hoek direct vóór en achter hem. Diepte inschatten kan hij echter slecht.
Snorharen van zo’n 10 centimeter en een sterke reukzin helpen de haas om gevaren op te sporen en bronstige vrouwtjes te vinden. De lange, gespierde achterpoten maken hoge snelheden mogelijk tot 65 kilometer per uur, waarmee hij zigzaggend, met haakse bochten van wel 90 graden, aan roofdieren ontsnapt (Zoogdiervereniging, 2025).
Sporen van de haas
Hazenharen kunnen gevonden worden in of rond de legers, maar ook op de wissels en bijvoorbeeld aan prikkeldraad. Pootafdrukken kunnen zichtbaar zijn op wissels. De wissels zijn meestal zo’n 10 centimeter breed. Soms volgt een haas zijn eigen spoor terug, waardoor het lijkt of het spoor ineens ophoudt.
Hazen hebben voorpoten met vijf tenen en lange achterpoten met vier tenen. De duim is zo klein dat de afdruk ervan meestal niet goed te zien is. Alle nagels zijn ongeveer even groot. Omdat de middelste teen iets langer is, krijgt de pootafdruk aan de voorkant een wat spitsere vorm. Voetkussens zijn niet zichtbaar in de afdrukken, en doordat de poten sterk behaard zijn, zijn de prenten vaak niet heel duidelijk. De afdrukken zijn zo’n 30 tot 35 millimeter breed en variëren in lengte van 40 millimeter bij de voorpoten tot 60 millimeter bij de achterpoten.
Als de haas zit, kan de afdruk van de hele achterpoot inclusief hiel wel 16 centimeter lang zijn. De afstand tussen de poten (spreiding) is meestal 12 tot 16 centimeter. In een rustige huppelgang maakt de haas passen van ongeveer 40 centimeter. Bij een snelle sprongengalop kunnen de sprongen variëren van een paar decimeter tot wel 3,5 meter. In galop plaatst de haas zijn achterpoten ver voor de afdrukken van de voorpoten. In huppelgang staan de voorpoten naast of schuin achter elkaar.
Hazenkeutels zijn ongeveer twee keer zo groot als die van konijnen. Toch is het onderscheid niet altijd te maken, bijvoorbeeld als het geregend heeft of bij vergelijkbaar dieet. Hazen laten hun keutels verspreid achter in het gebied waar ze eten. De keutels zijn rond, een beetje plat en hebben soms een klein puntje. Ze zijn 1,5 tot 2 centimeter in lengte. In de keutels zijn vaak nog stukjes plantenresten zichtbaar. De kleur varieert van licht- of geelbruin tot donkergroen bij oudere keutels, of zwart als ze nog vers zijn. Hazenkeutels lijken ook erg op reeënkeutels en zijn ongeveer even groot. Reeënkeutels bestaan echter uit veel fijner materiaal, als deze worden uitgesmeerd tussen duim en wijsvinger. Dit komt omdat reeënkeutels geen plantenresten bevatten.
De aanwezigheid van hazen is ook zichtbaar in vraatsporen. Hazen bijten bloemhoofdjes van paardenbloemen af om zo bij de onrijpe zaden te komen. Ook vers opgekomen wintergraan kan door hazen worden aangevreten; dit is te herkennen aan een schuin afgebeten sprietje. Wanneer hazen kruidachtige planten eten (late voorjaar, zomer en begin herfst), laten ze een scherp en schuin snijvlak achter, alsof de stengel met een mes is doorgesneden. Bij reeën of herten daarentegen is het snijvlak rafelig en vezelig. Hazen knagen dwars op de lengterichting van stammen en takken en voeden zich met zowel de schors als de bast in de winter. Soms worden omgevallen bomen volledig van hun schors ontdaan. De vraatsporen van hazen en konijnen zijn vrijwel identiek, met als belangrijkste verschil dat hazen hoger kunnen reiken. Beide diersoorten knagen aan loof- én naaldbomen.
Leefwijze
Hazen zijn schemer- en nachtactief, hoewel ze in de zomer ook overdag actief kunnen zijn. Ze graven geen burchten of holen, zoals konijnen, maar rusten in legers, met hun achterlijf in het diepste deel. Legers zijn ondiepe (10 tot 25 centimeter) uithollingen die met name te vinden zijn in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen, maar legers kunnen ook in hoog gras of tussen de kluiten van een geploegde akker liggen. In de winter zijn hazen teruggetrokken en minder zichtbaar, maar ze houden geen winterslaap.
Hoewel hazen solitair leven, zijn ze niet territoriaal en doorgaans tolerant tegenover soortgenoten. De home ranges van verschillende individuen overlappen vaak, vooral in de lente (Rühe & Hohmann, 2004; Dekker, 2010; Pfister et al., 2002; Cowan & Bell, 1993). Tijdens de voortplantingsperiode komen hazen in paren voor, waarbij mannetjes bronstige vrouwtjes ‘bewaken’. Ook worden er met regelmaat groepjes gevormd waar meerdere mannetjes rond een vrouwtje verzameld zijn. Hazen worden daarnaast vaak in de schemer of nacht samen etend waargenomen rond voedselrijke plekken in korte vegetatie of op droge plekken tijdens natte periodes.
Gemiddeld worden hazen in het wild slechts één jaar oud, door de hoge sterfte onder net geboren jongen (Zoogdiervereniging, 2025; Broekhuizen, 1982). Van alle jongen die een moerhaas in één voortplantingsseizoen krijgt, blijven er vaak maar tussen de drie en vier in leven tot het najaar (start jachtseizoen). Als jongen eenmaal overleven tot aan de eerste winter worden hazen gemiddeld 3 jaar oud, met een maximum van 8 jaar (Schneider, 1978; Broekhuizen, 1982).
Leefgebied
Bij voorkeur leven hazen in kleinschalig gras- en bouwland en open veld, zoals akkers en weilanden. Hierin is variatie belangrijk, zowel qua gewassoorten en teeltstadia als afwisseling met beschutting in de vorm van ruigtezomen, bosranden, windkeringen en heggen. Ook komen hazen voor in open bos, heide en kwelders, maar ze lijken dorpen en steden te mijden, met uitzondering van bijvoorbeeld recent ontwikkelde bedrijventerreinen of woonwijken, waar hazen zich nog standhouden tot er te veel menselijke activiteit is.
Omvang en gebruik van een home range
Hazen zijn plaatsgebonden. Zelfs hazen die voor onderzoek gevangen en elders geïntroduceerd werden, bevonden zich enkele weken later op nog geen 500 meter van de plek waar ze waren losgelaten (Jezierski, 1976). Er zijn geen seizoensgebonden grootschalige migraties. Migraties van meer dan anderhalve kilometer worden, zowel bij juvenielen als adulte hazen, als zeldzaam beschouwd (Broekhuizen & Maaskamp, 1982; Bray et al., 2007). Hazen gebruiken vaak dezelfde wissels voor hun dagelijkse verplaatsingen.
Hoewel hazen plaatsgebonden zijn, hebben ze geen strak vastliggend gebied waarbinnen een individu leeft, foerageert en zich voortplant. Deze individuele functionele ruimte van een haas wordt hierna aangeduid met de term home range, ter onderscheid van het begrip leefgebied dat gebruikt wordt voor het gehele biotoop waarin hazen kunnen leven. Home ranges van verschillende individuen overlappen vaak sterk met elkaar. In de rammeltijd vertonen mannetjes wel enig territoriaal gedrag.
Ondanks hun plaatsgebondenheid verplaatsen hazen zich binnen hun home range als sprake is van menselijke activiteit. Bijvoorbeeld maai-, oogst- of grondbewerkingsactiviteiten op agrarische percelen, (onvoorspelbare) verstoring door honden of verstoring door mensen (zoals jacht). Omdat hazen niet gebonden zijn aan holen zijn ze vrij flexibel in het gebruik van hun leefgebied. Hoe een gebied door de tijd heen benut wordt, hangt af van de beschikbaarheid van dekking en van partners. Ook speelt de aanwezigheid van verstoring en predatoren een rol (Häcklander, 2023). De primaire functies van een home range zijn rusten en foerageren. Hoe lager de habitatkwaliteit, met weinig voedsel en dekking, hoe groter de home ranges (Tapper & Barnes, 1986) en hoe vaker dieren van gebied wisselen. Dieren die veel verhuizen gebruiken jaarrond dus een groter gebied. Omgekeerd geldt dat, hoe meer variatie en jaarrond voedsel en dekking aanwezig zijn, hoe kleiner de home range is (Schai-Braun et al., 2014). In akkergebieden wordt de ligging van het activiteitengebied van individuele hazen vaak gestuurd door voedselaanbod en dekking, dat op zijn beurt wordt beïnvloed door oogsten en ploegen.
De minimale omvang van een home range voor één haas, hangt sterk af van de habitatkwaliteit. In agrarisch gebied in Oostenrijk zijn home ranges van 6 tot 50 hectare vastgesteld (Schai-Braun et al., 2014). In Nederland zijn home ranges gemeten van 26 tot 38 hectare (Broekhuizen & Maaskamp, 1982 (in Cortenoever en de Noordoostpolder); Kunst et al., 2021 (op de kwelder)). Voor het beeld: 26-38 hectare komt overeen met een gebied van 500-600 meter breed en 500-600 meter diep. In het buitenland zijn er grotere home ranges vastgesteld (zie Häcklander, 2023 voor een overzicht), tot wel 300 hectare in grootschalige monotone akkerbouwgebieden. Dit komt overeen met een gebied van ca. 1750 bij 1750 meter.
Rustplaatsen
Een haas heeft doorgaans meer dan één leger. Deze worden afwisselend gebruikt, afhankelijk van de tijd van het jaar, de weersgesteldheid en windrichting, en afhankelijk van de leeftijd en ervaring van de haas. Als de haas in zijn leger verstoord wordt, gebruikt hij tijdelijk een ander leger en keert hij meestal na enkele dagen terug naar zijn verstoorde leger (Hoeksma, 1950). De haas foerageert doorgaans niet op of bij zijn leger (Huber, 2004), maar is ook niet ver uit de buurt, meestal niet meer dan 500 meter (Broekhuizen en Maaskamp, 1982).
Voortplanting en voortplantingsplaatsen
Een mannetjeshaas noemt men een rammelaar; een vrouwtjeshaas een moerhaas. De gehele voortplantingsperiode, bestaande uit paarvorming, paren, zwangerschap en zogen, loopt van januari (soms al eerder) tot augustus – september (soms nog later). De zogenoemde rammeltijd, als paren gevormd worden, vindt in de eerste helft van de voortplantingsperiode plaats. Hazen verliezen dan tijdelijk hun voorzichtigheid. In die periode zijn hazen opvallend actief: ze rennen achter elkaar aan, springen en boksen staand op hun achterpoten, zoals zichtbaar is in afbeelding 1.2. Als hazen door het veld rennen, is het voorste dier meestal een loopse moerhaas en zijn het enkele rammelaars die achter haar aanzitten. Zowel rammelaars kunnen met elkaar boksen als een moerhaas die een rammelaar van zich afhoudt (Zoogdiervereniging, 2025).

Figuur 1.2: Foto van rammelende hazen.
Hazen zijn na vijf tot zes maanden geslachtsrijp. De eerste voortplanting gebeurt meestal in het jaar na het geboortejaar. Echter, jongen uit de eerste worp, die vroeg in het voorjaar geboren zijn, kunnen soms al in hetzelfde jaar voortplanten (data in Weterings et al., 2022).
In de maand december, voorafgaand aan de voortplantingsperiode, bouwen hazen extra reserves op (‘capital breeder’). Deze voorbereiding verhoogt de overlevingskansen van zowel de jongen als die van de adulte vrouwtjes tijdens de eerste worp.
De voortplanting start in januari waarbij twee derde van de vrouwtjes drachtig is, zie tabel 1.1. Jongen zijn vanaf februari te verwachten, tot en met september. In april is het percentage vrouwtjes wat drachtig is 100% waarmee een piek aan jongen een maand later te verwachten is (Broekhuizen, 1982).
| % Drachtige moerhazen |
| Jan | 68% |
| Feb | 86% |
| Mrt | 73% |
| Apr | 100% |
| Mei | 89% |
| Jun | 80% |
| Jul | 62% |
| Aug | 78% |
| Sep | 22% |
| Okt | 0% |
| Nov | 0% |
| Dec | 0% |
Tabel 1.1: Percentage drachtige moerhazen gedurende het jaar zoals onderzocht door Broekhuizen in 1982. NB: zogende vrouwtjes zijn meestal niet drachtig en vallen niet onder het percentage drachtige vrouwtjes, terwijl ze wel op dat moment meedoen aan de voortplanting.
De draagtijd is ongeveer 42 dagen. Gemiddeld werpt een haas 10 tot 13 jongen per voortplantingsseizoen en kan een moerhaas wel 4 nestjes per jaar krijgen. Een worp bestaat uit 1 tot 3 (maximaal 6) jongen. Moerhazen kunnen dubbel drachtig zijn, doordat ze in de laatste fase van de draagtijd opnieuw bevrucht kunnen worden. Deze vruchtjes beginnen zich dan al te ontwikkelen in de eileider tot de baarmoeder beschikbaar is om zich in te nestelen.
De jongen worden in het vrije veld geworpen. Dit kan als tijdelijke (maar niet als zodanig herkenbare) voortplantingsplaats gezien worden. De jongen hebben meteen hun ogen open, zijn volledig behaard (zogenaamde nestvlieders) en binnen 4 weken zelfstandig.
De eerste dagen verplaatsen jonge hazen zich niet of nauwelijks van de werplocatie, maar 3 tot 5 dagen na de geboorte verspreiden zij zich een klein stukje ten opzichte van de geboorteplek en schuilen dan solitair. Hoewel dat in het midden van akkers of graslanden kan zijn, schuilt 70% van de jongen overdag in lijnvormige landschapselementen als heggen en kruidenstroken, mits deze aanwezig zijn (Tapper & Barnes, 1986).
Elke avond, ongeveer drie kwartier na zonsondergang, keren de jongen terug naar de geboorteplek. Een uur na zonsondergang verschijnt de moerhaas om hen daar te zogen. Ze worden ongeveer een maand lang eenmaal per etmaal slechts enkele minuten gezoogd. De rest van de tijd verstoppen de jongen zich, zoals te zien is op afbeelding 1.3.

Figuur 1.3: Foto van een jonge haas in dekking
Veel jongen sterven in het eerste jaar. Het percentage jongen dat voor het einde van de zoogperiode van ca. vier weken al sterft was 48% in Flevoland in 1982 (Broekhuizen, 1982). In een studie in het Zwitserse laagland werd zelfs een sterfte van 80% gemeten in de eerste vier levensweken (Karp & Gehr, 2020), en er zijn situaties beschreven van 100% sterfte door maaiactiviteiten (Grendelmeier, 2011). Koude en natte periodes zijn daarnaast voor jonge hazen vaak erg ongunstig (Rödel & Dekker, 2012).
Dispersie is in Nederland en Frankrijk alleen over beperkte afstanden waargenomen. Juvenielen die op zoek moeten naar een eigen home range, verplaatsen zich niet meer dan 1,5 kilometer (Bray et al., 2007; Rühe & Hohmann, 2004; Reitz & Leonard, 1994; Broekhuizen & Maaskamp, 1982).
Voedsel
De haas is een herbivoor en heel selectief in zijn voedselkeuze. Het voedsel bestaat uit (groeipunten van) kruidachtige planten (inclusief landbouwgewassen zoals jonge halmen van graan, bieten, jonge bladeren van maïs, klaver en aardappel), grassen en akkerkruiden als paardenbloem, viooltjes en soorten klaverachtigen (Brüll, 1973). In de winter worden ook bast en twijgen gegeten, terwijl in de zomer ook bloemen en aren op het menu staan. Hazen herkauwen zogeheten ‘nachtkeutels’, die afkomstig zijn uit een speciaal gedeelte van de darm. Zo benutten ze efficiënt de door darmflora vrijgemaakte energie, vitaminen en aminozuren.
Moerhazen die zogen of zich voorbereiden op hun eerste worp (‘capital breeders’) hebben behoefte aan voedsel dat rijk is aan energie, vetten en meervoudig onverzadigde vetzuren, wat gevonden wordt in gevarieerde kruidenrijke vegetatietypen of zaden. Wanneer deze voedingsstoffen ontbreken, daalt de overlevingskans van hun jongen (Häcklander et al., 2002; Valencak et al., 2009).
Foerageergebied
Hazen foerageren binnen hun gehele home range. Het dieet is gevarieerd en dat vereist een omgeving met een divers aanbod aan gewassen en/of soortenrijke perceelranden of braakliggende percelen (Häcklander et al. 2002; Pepin & Angibault, 2007; Schai-Braun, 2015). Het optimale foerageergebied voor de haas bestaat uit kleinschalige kruidenrijke akkers en weilanden met een afwisselende samenstelling van gewassoorten en teeltstadia. In gebieden die worden gedomineerd door monoculturen, concentreren hazen zich vooral langs perceelranden, waar de vegetatie doorgaans meer variatie biedt (Lewandowski & Nowakowski, 1993; Petrovan, 2011). Idealiter biedt het foerageergebied jaarrond voldoende en gevarieerd voedsel. Sommige delen bieden enkel seizoensgebonden voedsel, bijvoorbeeld enkel in de periode dat er gewassen groeien. De kwaliteit en diversiteit van de vegetatie zijn dan ook bewezen cruciale factoren die de draagkracht van een leefgebied voor hazen bepalen. Bij het ontbreken hiervan kan een leefgebied onvoldoende hazen onderhouden met lage dichtheden en reproductiviteit tot gevolg.
Schade door de haas
Hazen kunnen lokaal, vooral bij hoge populatiedichtheden, een aanzienlijke invloed hebben op de vegetatie. Hazen worden gerekend tot ‘kleine grazers’. Hazen kunnen schade veroorzaken op akkerlanden, vooral aan granen, suikerbieten, wortelen en peulvruchten. Gewasschade door hazen in percelen met fruitbomen, boomkwekerijen en vollegrondsgroenten is deels te voorkomen door het toepassen van de preventieve maatregelen van de ‘Faunaschade Preventie Kit’ (FPK) voor haasachtigen (Haasachtigen – Maatregelen vanaf november 2024 – BIJ12).
Beschutting en dekking
Landschapselementen, zoals ruigtezomen, bosranden, windkeringen en heggen, bieden voor hazen belangrijke beschutting. Ze zijn van waarde voor adulte hazen tijdens het foerageren (Brandsen et al., 2023) en bieden jonge hazen de mogelijkheid zich te verstoppen. In Noord-Duitsland bleek dat 70% van de jongen jonger dan vijf weken binnen gecultiveerde landbouwgebieden overdag schuilde in lineaire structuren (zoals heggen of houtwallen) of kleine vlakke structuren (zoals ruigtehoekjes). Ze gaven daarbij duidelijk de voorkeur aan veldranden, heggen en ruigtezones.
Tijdens de nacht verlieten de jonge hazen hun schuilplaats, maar 93% van de individuen bleef binnen een straal van 20 meter van de dekking. Voor het einde van de zoogperiode kwamen nachtelijke afstanden van meer dan 60 meter tot de dichtstbijzijnde rand zelden voor (Voigt & Siebert, 2019). Deze structuren vergroten de overlevingskansen waarschijnlijk door het bieden van een gunstig microklimaat, bescherming tegen predatie en het vermijden van landbouwmachines.
Ook in zeer open gebieden komen hazen voor. In dergelijke landschappen bieden juist greppels, graspollen of kuilen de nodige dekking. Micro-reliëf is dus essentieel voor het functioneren van zeer open gebieden als leefgebied voor de haas. De overlevingskansen van jonge hazen zijn in zeer open gebieden echter aanzienlijk lager.
Uit onderzoek van Voigt & Siebert (2020) bleek dat na één week nog 87% van de jongen in gebieden met veel beschutting in leven was, tegenover slechts 19% in open gebieden. Het verschil in sterfte tussen deze twee gebieden was al groot in de eerste dagen na de geboorte. Na een maand was dit verschil nog groter: 5% in open terrein tegenover 50% in beschutte gebieden.
Barrières in het landschap
Druk bereden wegen, spoorlijnen of hekwerken van ongeveer een meter of hoger, en brede watergangen vormen belangrijke barrières voor de haas. Steile, beschoeide of dichtbegroeide oevers van watergangen kunnen een belemmering zijn, waarbij verdrinking een risico vormt. Rivieren met een sterke stroming zijn doorgaans te breed en te gevaarlijk voor hazen om over te steken (Schäfers et al., 2016).
Smalle watergangen tot ongeveer drie meter kunnen door hazen zonder problemen worden overgesprongen, tenzij dichte vegetatie dit belemmert. Bij bredere watergangen wordt soms gezwommen, mits de oevers toegankelijk zijn om weer aan land te komen. Het is echter onduidelijk of hazen alleen zwemmen uit noodzaak, bijvoorbeeld om aan predatoren of hoogwater te ontsnappen, of dat zwemmen ook een regulier onderdeel vormt van hun verplaatsingsgedrag. Brede watergangen kunnen daarmee een natuurlijke grens vormen van de home range van individuele hazen.
Verspreiding en aantalsontwikkeling
Verspreiding
De haas is een soort met een grote verspreiding in Nederland. Vrijwel overal in het buitengebied komen hazen voor (zie figuur 1.4).

Figuur 1.4: Verspreiding van de haas per atlasblok, een gebied ter grootte van 5 bij 5 km (bron: Nationale Databank Flora en Fauna, Verspreidingsatlas, 2025).
Gemiddelde dichtheden van het aantal hazen per vierkante kilometer
Fluctuaties in aantallen
Het aantal hazen in een gebied kan sterk verschillen tussen het voor- en het naseizoen. Zo werden in Duitsland in de lente 31,3 hazen per vierkante kilometer geteld, en in de herfst 44,2. Op andere plekken waren dat er 83 in de lente en 147,4 in de herfst (Straub et al., 2008; Kilias & Ackermann, 2001; Schäfers et al., 2016).
Het aantal hazen in een gebied kan ook snel veranderen tussen jaren. In eenzelfde gebied steeg het aantal hazen in twee jaar tijd van 67 naar 91 per vierkante kilometer, maar in vier jaar tijd daalde het aantal hazen ergens anders juist van 13 naar 3 per vierkante kilometer (Frylestam, 1979; Marboutin et al., 2003).
Fluctuaties in het aantal hazen tussen seizoenen en jaren kunnen komen door o.a. aanwas van jongen, ziekten, predatie, jacht en grondgebruik (zie verder paragraaf 1.5).
Dichtheden
Ook tussen gebieden kunnen er grote verschillen bestaan. De dichtheden zijn over het algemeen het hoogst in kleinschalig agrarisch gebied. In Zuid-Holland worden in agrarische gebieden ongeveer 115 hazen per 100 hectare gemeten (Dekker, 2024). Dichtheden zijn lager in duingebieden en in heide- en bosgebieden.
Ter Harmsel et al., (2022) stelde het aantal hazen, op basis van literatuuronderzoek in optimaal habitat tussen de 15 en de 40 hazen per vierkante kilometer. Lokaal in Nederland zijn echter hogere dichtheden mogelijk, met uitschieters van 156 hazen in het voorjaar (Zoogdiervereniging, 2025) tot 272 hazen per vierkante kilometer tijdens nachttellingen met warmtebeeldcamera (Weterings in prep.; zie ook Schai-Braun et al., 2019). Echter, slechts in 7,4% van de 335 onderzochte locaties in Nederland werden er dichtheden van meer dan 100 individuen per vierkante kilometer waargenomen tijdens nachttellingen in het voorjaar van 2024 (Weterings in prep).
Onderzoek uit Duitsland met warmtebeeldcamera liet zien dat er gemiddeld 13,5 hazen per vierkante kilometer waren in gebieden met weinig hazen, 22,2 in gebieden met een gemiddelde dichtheid, en 40,2 in gebieden met veel hazen (Sliwinski et al., 2021).
De onderstaande tabel 1.2 toont een classificatie van de verschillende dichtheden van het aantal hazen in het voorjaar (april), zoals ingeschat door de hazenexperts betrokken bij dit kennisdocument.
| Aantal hazen per ha | Aantal hazen per km2 | Classificatie |
| 0,01-0,10 | 1-10 | Zeer laag |
| 0,11-0,40 | 11-40 | Matig |
| 0,41-1,00 | 41-100 | Goed |
| 1,01-2,00 | 101-200 | Hoog |
| 2,01-> | 201-> | Zeer hoog |
Tabel 1.2 Voorjaarsdichtheden van hazen.
Minimale dichtheden van het aantal hazen voor een duurzaam voortbestaan
Er kunnen meerdere lokale subpopulaties in een gebied aanwezig zijn die met elkaar in verbinding staan waardoor uitwisseling van individuen plaats vindt. Dit wordt een metapopulatie genoemd. In een metapopulatie kunnen één of meerdere grotere populaties leven, maar een metapopulatie kan ook bestaan uit een veelvoud aan kleine subpopulaties die ieder op zich geen levensvatbare populatie zouden zijn. De uitwisseling van individuen tussen subpopulaties is dan van essentieel belang voor een metapopulatie. Om uitwisseling mogelijk te maken, moeten verschillende subpopulaties van de haas niet veel verder dan 1,5 kilometer uiteen liggen, zonder tussenliggende barrières voor hazen. Dit zijn afstanden die dispergerende jonge hazen afleggen (zie subparagraaf 1.3.3).
Hoe groot moet een populatie minimaal zijn om duurzaam levensvatbaar te zijn? Voor de haas zijn dergelijke groottes van een populatie bepaald door Marboutin et al. (2003) en McLaren et al. (1997). Beide publicaties geven een minimale dichtheid van 3 hazen per 100 hectare voor geïsoleerde gebieden van rond de 100 vierkante kilometer (10.000 hectare). Dit betekent dus een populatieomvang van 300 dieren bij geïsoleerde populaties. Pfister et al., (2002) stelde dat als er minder dan 2 hazen per 100 hectare (1 vierkante kilometer) zijn, de kans groot is dat de hazen uit het gebied verdwijnen.
Aantalsontwikkeling
Ondanks het feit dat de haas algemeen aanwezig is, zijn er toch zorgen. Populatietrends worden in Nederland in opdracht van de landelijke overheid vastgesteld binnen het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), door de Zoogdiervereniging, SOVON en het Centraal Bureau voor de Statistiek.
De haas staat sinds 3 november 2020 als ‘gevoelig’ gekenmerkt op de Nederlandse Rode Lijst van Zoogdieren. De haas is op de Rode Lijst opgenomen omdat de populatie weliswaar nog in vrijwel heel Nederland voorkomt, maar sinds de jaren 1950 sterk in aantal is afgenomen (Dekker & Norren, 2021). Deze afname is in heel West-Europa te zien (Smith et al., 2005).
Wageningen Environmental Research (hierna: WUR) heeft, in opdracht van het ministerie van LNV, in 2022 onderzoek gedaan naar de staat van instandhouding van de haas. Deze blijkt zeer ongunstig te zijn. Tussen 1997 en 2020 laat de haas een negatieve populatietrend zien van gemiddeld 1,2% (Ter Harmsel et al., 2022). Onderzoek van het CBS in 2024 door Borkent et al. laat een matige toename zien van het aantal hazen tussen 2013 en 2024, zie figuur 1.5.

Figuur 1.5: Geïndexeerde populatietrend haas (1997 = 100), CBS/NEM, 2024
Drukfactoren
Om te achterhalen waardoor de populatie onder druk staat is het relevant om alle belangrijke factoren in beeld te brengen die zorgen voor een dalende populatietrend, de zogenoemde drukfactoren. In vier recente onderzoekspublicaties wordt in beeld gebracht welke factoren een rol spelen. Het gaat om de rapporten “De staat van instandhouding haas en konijn” van de WUR (Ter Harmsel et al., 2022), “Achteruitgang van haas en konijn sinds 1950” (Dekker & Norren, 2021), het rapport “Impact-analyse: Gevolgen sluiting van jacht op de populatie van wildlijstsoorten” (Weterings et al., 2023) en het rapport “Soorten van de wildlijst: Verkenning van oorzaken populatiedaling en mogelijkheden tot herstel” (Koopmans et al., 2024).
Het meest cruciale proces in de populatiedynamiek van hazen bleek de overleving van jonge haasjes (Marboutin et al.,2003; en Schai-Braun et al.,2019). Factoren die van invloed zijn op geboorte en overleving van hazen zijn doorgaans divers, zoals beschikbaarheid van voedsel, predatoren en jacht, regen, kou, ziekten en plagen. De achterliggende oorzaak van de afname van de hazenpopulatie is het gevolg van grootschalige veranderingen in de inrichting van het Nederlandse landschap, die verband houden met de intensivering van het agrarisch gebruik.
Nederland is hierin niet uniek: bij een analyse van de populatieveranderingen van hazen in Europa bleken populaties soms al sinds de jaren ’30 van de twintigste eeuw af te nemen, waarbij landschapsveranderingen door intensivering van landbouw als ultieme hoofdoorzaak naar voren kwamen (Olesen & Asferg, 2006; Lundström-Gilliéron & Schlaepfer, 2003; Hutchings & Harris, 1996; Tapper & Barnes, 1986; Edwards et al. 2000; Smith et al. 2005; Pepin & Angiboult, 2007).
Op welke manier veranderingen in het landschap en de intensivering van de landbouw invloed hebben op de achteruitgang van de haas sinds de jaren ‘30 wordt in onderstaande paragrafen toegelicht. De invloed van predatie en jacht, verkeer, ziekten en weersinvloeden worden in subparagrafen 1.5.4, 1.5.5 en 1.5.6 behandeld.
Afname van geschikt voedsel
Hazen, en zeker zogende moerhazen, hebben een gevarieerd landschap nodig voor voedsel, bijvoorbeeld in de vorm van kruidenrijke perceelranden (zie subparagraaf 1.3.4). De conditie en overleving van jonge haasjes is sterk afhankelijk van de gezondheidstoestand van de moeder (voor de eerste worp en tijdens zogen), wat op haar beurt wordt bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van voedsel voor en tijdens de voortplanting (Valencak et al., 2009). Wat betreft voedsel is zowel de diversiteit tussen percelen als binnen percelen van belang (Petrovan, 2011). Bij verschillende agrarische bedrijven verplaatsen hazen zich tussen heggen en akkers in verschillende teeltstadia (gezaaid, groeiend, rijp, geoogst) (Tapper & Barnes, 1986). Petrovan (2011) liet zien dat zeer kort gegraasde percelen werden vermeden door adulte hazen en er overdag een voorkeur was voor onbewerkte perceelranden, bosjes en bos.
Het vergroten van percelen, het gebruik van herbiciden en het opruimen van akkerranden verkleinen de diversiteit van de vegetatie. Daarnaast kan de verschuiving van koeien in de wei naar jaarrond in de stal ook van invloed zijn geweest: weilanden worden dan omgevormd naar maïs- of grasland voor veevoer. Grasland wordt eerder in het jaar en frequenter gemaaid, waardoor de variatie aan kruiden afneemt (Montizaan & Dekker, 2016).
In gebieden met monoculturen worden hazen dan ook voornamelijk gevonden aan randen van percelen, waar een meer soortenrijke vegetatie te vinden is (Lewandowski & Nowakowski, 1993; Petrovan, 2011). Bertoti (1975) constateerde een afname van 90% in de hazendichtheid, nadat het studiegebied werd omgevormd tot monocultuur. Ook Petrov (1976) meldde een afname bij omvorming naar grootschalige monoculturen op landbouwgronden. Bij graslanden blijkt de samenstelling en bemesting van belang: niet-bemeste planten worden door hazen beter verteerd dan intensief bemest gras, dat geldt met name voor Engels raaigras (Schneider & Heidenreich, 1989). Als gevolg van verlies van diversiteit in gewassen, neemt tijdens rijping en oogst de voedselbeschikbaarheid in een groot areaal af. Alternatieve voedselbronnen zijn vaak eveneens minder beschikbaar, door de afwezigheid van hagen en smalle perceelsgrenzen (Frylestam, 1980, 1986; McLaren, 1997).
Afname van dekking
Hazen hebben een gevarieerd landschap nodig voor dekking, in de vorm van hagen, houtwallen of eveneens perceelranden (zie subparagraaf 1.3.6). Hazen doen het daarom goed bij kleinschalig structuurrijk leefgebied. Hierin is veel dekking te vinden in kuilen of bij graspollen; in greppels, perceelranden of onder hagen. Dat dekking voor jonge haasjes van groot belang is, blijkt uit de veel grotere overlevingskansen van haasjes die overdag schuilen in lijnvormige landschapselementen (zie subparagraaf 1.3.6). Schuilend in zulke structuren koelen jonge haasjes minder snel af, vallen ze minder op en worden ze niet doodgemaaid. Ook voor oudere hazen zijn zulke structuren een goede rustplaats. Afname van dekking is ongunstig voor de populatie. Door schaalvergroting zijn veel landschapselementen verdwenen en zijn percelen geëgaliseerd.
Sterfte door geïntensiveerde grond- en gewasbewerkingen
Jonge hazen zijn erg gevoelig voor maaiactiviteiten. Bij aankomend gevaar rennen ze niet weg, maar drukken ze zich juist tegen de grond om zo onopvallend mogelijk te zijn. Dit zorgt ervoor dat er veel slachtoffers vallen onder jonge hazen (Zoogdiervereniging, 2025). Uit een analyse van landbouwstatistieken blijkt dat door modernisering van de landbouw steeds vaker en eerder in het seizoen geoogst wordt. Hierdoor is de kans toegenomen dat vroege worpen van hazen tijdens maaibeurten worden vernietigd (Van Vliet & Bron, 2018).
Het effect van grond- en gewasbewerking op hazen is sterk afhankelijk van het type gewas dat wordt geteeld en de bijbehorende intensiteit en werkwijze (Pépin, 1989). De sterfte onder jonge hazen door landbouwmachines kan aanzienlijk zijn. Zo zijn verliezen van 2 tot 20% van de jaarlijkse aanwas aan jongen vastgesteld door oogst- en grondbewerkingen in graangewassen (Voigt & Siebert, 2020; Kaluzinski & Pielowski, 1976; Milanov, 1996, in Edwards et al., 2020). In grasland en luzerne (alfalfa) zijn echter nog hogere verliezen van jongen gerapporteerd: respectievelijk 44% en 45% (Milanova & Dimov, 1990 in Voigt & Siebert, 2020; Kaluzinski & Pielowski, 1976), en lokaal zelfs tot 100% (Grendelmeier, 2011).
Predatie
Het zooggedrag van de moerhaas, namelijk één kort zoogmoment per dag, is erop gericht om de jongen zo goed mogelijk te verbergen voor predatoren. Ook wast ze de jongen kort na het zogen. Hoewel jonge hazen (nagenoeg) geurloos geboren worden, een camouflerende vacht hebben en goed verborgen kunnen blijven in de vegetatie, zijn ze toch kwetsbaar voor predatoren. Zo rapporteerden Voigt & Siebert (2020) dat bij hazen tot vijf weken oud 42% van de sterfte zeker het gevolg was van predatie en vermoedelijk nog eens 36% door predatoren werd veroorzaakt. Pas vanaf de leeftijd van een week of 3 à 4 kunnen jonge hazen goed vluchten.
Er is in Nederland geen systematisch onderzoek beschikbaar dat in kaart brengt welke predatoren in welke mate bijdragen aan de predatie op hazen. Uit diverse prooi- en dieetonderzoeken komt naar voren dat hazen, en zeker jonge hazen, door allerlei diersoorten, zoals vossen, boommarters, steenmarters en roofvogels (zie afbeelding 1.6) worden gegeten. In het buitenland blijkt met name de vos een belangrijke predator van hazen (o.a. Knauer et al., 2010). Vermoedelijk heeft de verwilderde (huis)kat lokaal een flinke impact (Van den Ende, 2011; Op de Hoek et al., 2015). Maar ook loslopende honden moeten worden beschouwd als potentiële predatoren.

Figuur 1.6: Foto van bruine kiekendief die een haas aanvalt.
Naast directe predatie, die leidt tot sterfte, kunnen predatoren ook een indirect effect uitoefenen op hazen. Hun aanwezigheid kan leiden tot chronische stress, aangepast ruimtegebruik en veranderingen in habitatkeuze, wat een negatieve invloed heeft op de energiehuishouding, lichaamsconditie en voortplanting van hazen (Krebs et al., 2001; Weterings, 2018). Bij een hogere energiebehoefte van predatoren (hogere predatiedruk) is de lichaamsconditie van de haas slechter, de bijnier groter (indicatie van chronische stress) en het aantal jongen dat wordt geboren lager (Weterings et al.,2022). Aangezien een moerhaas de jongen maar 1x per 24 uur zoogt, kan een verstoring van haar normale ritme directe gevolgen hebben voor de overlevingskansen van de jongen. Er zijn sterke aanwijzingen dat deze indirecte effecten op prooidieren zoals de haas minstens even ingrijpend kunnen zijn als de directe impact van predatie (Preisser et al., 2005).
Een modelstudie van Reynolds & Tapper (1995) voorspelde dat vossen lokaal een sterke daling in hazendichtheid kunnen veroorzaken. In verschillende gebieden is aangetoond dat intensieve vossenbestrijding een positief effect kan hebben op hazenpopulaties, vooral wanneer deze werd gecombineerd met gericht habitatbeheer ten gunste van de haas (Reynolds et al., 2010; Panek et al., 2006; Goszczynski & Wasilewski, 1992). Tegelijkertijd wordt niet overal een duidelijk verband gevonden tussen de aanwezigheid of dichtheid van vossen en die van hazen (Pavliska et al., 2018). Ook blijken maatregelen ter verbetering van het leefgebied zonder vossenbestrijding in sommige gevallen voldoende om hazendichtheden te verhogen (Weber et al., 2019).
In een analyse van oorzaken achter de achteruitgang van hazen in Engeland concludeerden Edwards et al. (2000) dat predatie (en ziekten) lokaal van invloed kunnen zijn, maar waarschijnlijk geen doorslaggevende rol spelen in de lange termijn trend. In Denemarken daarentegen werd de afname van hazenpopulaties in de afgelopen decennia toegeschreven aan een combinatie van toenemende vossenpopulaties en landbouwintensivering (Schmidt et al., 2004), waarbij volgens Knauer et al. (2010) de landbouw de grootste invloed had op de neerwaartse trend.
Jacht
Net als natuurlijke predatie leidt jacht door de mens tot het verdwijnen van dieren uit de populatie, zie afbeelding 1.7. Jacht kan resulteren in een lagere hazendichtheid. Er zijn echter weinig studies die in detail hebben onderzocht welke invloed jacht precies heeft op de populatiedynamiek van hazen. Wel blijkt uit een meta-analyse van Smith (2005) dat jacht zelden de primaire oorzaak was van landelijke populatieachteruitgangen sinds de jaren zestig. Weterings et al. (2022) vond geen (‘stress’-) effect van jachtdruk op lichaamsconditie en reproductie van hazen in Nederland (zie ook Smith et al., 2024).

Figuur 1.7: Foto van jachthond met geschoten haas.
Jacht hoeft, net als predatie door dieren, niet per definitie te leiden tot een afname van de populatie. Wanneer jacht op een verantwoorde manier plaatsvindt – ook wel ‘duurzaam oogsten’ genoemd –, wordt alleen dat aantal dieren uit de populatie gehaald waarbij de totale populatie stabiel blijft of zelfs kan groeien. Voor het vaststellen van zulke oogstbare aantallen of percentages zijn protocollen en modellen ontwikkeld (Marboutin et al., 2003; Schai-Braun et al., 2019). In een Frans populatiemodel bleek het mogelijk om jaarlijks 30% van de hazenpopulatie te oogsten zonder negatieve effecten op de populatiegrootte. Schai-Braun et al. (2019) ontwikkelden een model met grenswaarden voor duurzaam oogsten in het Oostenrijkse laagland. Bij een dichtheid van 45 hazen per vierkante kilometer bleek 10% duurzaam te kunnen worden geoogst, met een ondergrens waarbij de jacht gestopt zou moeten worden bij een dichtheid van 15 hazen per vierkante kilometer. Deze grenswaarden zijn echter afhankelijk van diverse variabelen en kunnen niet een-op-een worden toegepast op de Nederlandse situatie. Het afschotpercentage hazen in Nederland, en de invloed hiervan op de populatie, is niet bekend.
Overige drukfactoren
Naast de genoemde drukfactoren die leiden tot een afname aan hazendichtheden, zijn er nog de invloeden van het weer, aanrijdingen met verkeer, verdrinkingen in watergangen en sterfte door parasieten en ziekten.
Weersinvloeden
Hazen maken geen holen, zodat de jongen vanaf geboorte in het open veld moeten overleven. Dit maakt jonge haasjes kwetsbaar voor koude en regen. In Zwitsers laagland zorgde regenval voor een sterk verlaagde overlevingskans. Verblijf in perceelranden verhoogde de overleving weer (Karp & Gehr, 2020). Voigt & Siebert (2020) vonden bij 10% van de gevolgde jonge hazen geen doodsoorzaak, maar vermoeden dat een deel daarvan te wijten was aan hypothermie. Ook bij adulte hazen worden wijzigingen in overlevingskans geweten aan neerslag en kou (Marboutin & Aebischer, 1996). Het effect van kou en regenval werkt daarbij door op provinciale populatieomvang (Rödel & Dekker, 2012).
Parasieten en ziekten
De ziekte coccidiose die door een parasiet wordt veroorzaakt en andere (infectie-)ziekten, waaronder tularemie, kunnen een aanzienlijk deel van sterfte van adulte hazen veroorzaken (Lamarque et al.,1996). Het is echter onduidelijk welke invloed deze op de populatie hebben. Als percelen worden vernat, treedt vaker coccidiose op (Rödel & Dekker, 2012). Sinds het najaar van 2024 is er in Nederland de ziekte hazen-Myxomatose vastgesteld (Dutch Wildlife Health Centre – hazenonderzoek). Het is nog niet duidelijk of deze ziekte net zo desastreus voor de populatie hazen zal verlopen als bij de konijnen-Myxomatose. Myxomatose bij konijnen is één van de hoofdoorzaken voor de huidige zeer ongunstige staat van instandhouding (Ter Harmsel et al., 2022).
Onduidelijk is of ziekten daadwerkelijk invloed hebben op de Nederlandse populatie hazen. In een analyse van oorzaken achter de achteruitgang van hazen in Engeland concludeerden Edwards et al. (2000) dat ziekten lokaal van invloed kunnen zijn, maar waarschijnlijk geen doorslaggevende rol spelen in de lange termijn trend.
Versnippering en verkeersmortaliteit
Versnippering van habitat door bijvoorbeeld de aanleg van wegen speelt ook een rol bij afname van populatie. Grotere wegen worden actief vermeden als de variatie in het landschap dit toestaat (Mayer et al., 2023). Bij een grootschalig monotoon landschap worden wegen, waarschijnlijk noodgedwongen, overgestoken. Veel hazen sterven door aanrijdingen met verkeer. Lokaal wordt een hoge mortaliteit door verkeer gemeld (Tapper et al., 1996; Haerer et al., 2001), en in Zwitserland was er een negatieve relatie tussen het aantal hazen en dichtheid van wegen (Roedenbeck et al., 2008). Anekdotisch wordt verdrinking in afwateringssloten met steile kanten gemeld. Hoe groot het aandeel in de mortaliteit hiervan is, is niet bekend. In het algemeen kan gesteld worden dat het onduidelijk is of sterfte door verkeer en verdrinking invloed heeft op de Nederlandse populatie hazen.