Warning: For the most recent and accurate version of this document, visit BIJ12.nl

Kennisdocument Haas

Lepus Europaeus

Gepubliceerd op: 01 december 2025 Inhoudelijk gewijzigd op: 12 januari 2026

Leeswijzer

Dit document is opgebouwd uit vier inhoudelijke hoofdstukken die los van elkaar, maar ook in samenhang met elkaar te lezen zijn. Afhankelijk van uw primaire vraag kunt u direct door naar één van deze vier hoofdstukken en zo nodig kunt u teruggrijpen op één van de andere hoofdstukken. Hieronder lichten we de inhoud per hoofdstuk toe.

Hoofdstuk 1: Ecologische informatie

Wilt u meer weten over de haas als diersoort, dan vindt u in hoofdstuk 1 inhoudelijke ecologische informatie. Hier leest u bijvoorbeeld informatie over het type leefgebied waarin hazen leven.

Hoofdstuk 2: Bepalen van effecten van flora- en fauna-activiteiten op de haas

De haas is beschermd onder de Omgevingswet. Alle activiteiten die direct of indirect leiden tot negatieve effecten op hazen zijn verboden. Welke verbodsbepalingen er in het omgevingsrecht gelden voor de haas, en bij welk type activiteiten die kunnen worden overtreden, wordt in hoofdstuk 2 beschreven.

Hoofdstuk 3: Ecologisch onderzoek

Bent u vooral geïnteresseerd in welk ecologisch onderzoek u op welk moment moet (laten) uitvoeren om aan de vereisten vanuit de soortbescherming te voldoen, dan start u met hoofdstuk 3. Hierin staat onder meer beschreven op welke wijze u de aan- of afwezigheid van hazen kunt aantonen.

Hoofdstuk 4: Mogelijke maatregelen

Hoofdstuk 4 geeft voorbeelden van maatregelen ten gunste van de haas die u bij uw activiteiten kunt nemen. Het nemen van één of meerdere van deze maatregelen stelt u in staat om negatieve effecten van uw activiteiten op de hazen geheel of zoveel mogelijk te voorkomen. Hiermee voorkomt u mogelijk een overtreding van het omgevingsrecht. Wanneer een overtreding niet te vermijden is, kunnen dit maatregelen zijn om in aanmerking te komen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.

Hoofdstuk 5: Bronnen

De in het kennisdocument gebruikte bronnen zijn opgenomen in hoofdstuk 5.

Bijlage 1: Juridisch kader

Het juridisch kader voor de bescherming van de haas is vastgelegd in de artikelen 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet (Ow) en in de artikelen 11.54, 11.6, 11.27 en 11.116 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (zie bijlage 1 van dit document voor de wetsteksten). Het hele kader staat nader beschreven in een afzonderlijk document: het juridisch kader horende bij de kennisdocumenten. Op provinciaal niveau kunnen Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten binnen dit kader beleidskeuzes maken. Deze beleidskeuzes zijn niet beschreven in het juridisch kader. Op de websites van de provincies zijn de beleidsregels en verordeningen te vinden voor omgevingsvergunningen en vrijstellingen van de omgevingsvergunningsplicht.

Bijlage 2: Begrippenlijst

De begrippenlijst geeft een overzicht van veelgebruikte termen in dit kennisdocument en de betekenis van deze termen.

Bijlage 3: Overzicht van kennislacunes

Het Kennisdocument Haas is een verzameling van kennis, inschattingen en ervaringen van experts zoals deze beschikbaar was in het najaar van 2025. Tijdens de totstandkoming zijn enkele kennislacunes geïdentificeerd. Deze zijn in bijlage 3 opgenomen.

Inleiding

Waarom het kennisdocument?

De haas is een beschermde diersoort waarvoor verbodsbepalingen, genoemd in de Omgevingswet, gelden. Dit kennisdocument is een verzameling van alle actuele en relevante kennis over de haas met oog op deze beschermde status. Het is een hulpmiddel om met ecologische kennis van de soort een goede invulling te geven aan de juridische vereisten die spelen bij activiteiten die invloed hebben op de haas.

Dit kennisdocument geeft eerst een beschrijving van de soort. Vervolgens wordt uitgewerkt welke onderzoeksinspanning nodig is om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van hazen in een plangebied. Daarna volgt een overzicht van voorbeelden van maatregelen. Deze kunnen genomen worden als de beschermde soort aanwezig is in of nabij een gebied waar ruimtelijke activiteiten gaan plaatsvinden. Deze maatregelen zijn bedoeld om negatieve effecten op de soort te voorkomen of te verminderen.

Wat kunnen gebruikers ermee?

Kennisdocumenten kunnen toegepast worden in elke provincie en ook bij activiteiten die onder bevoegd gezag van het Rijk vallen. De twee voornaamste doelgroepen van het kennisdocument zijn de ecologische adviseurs van initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten en de bevoegde gezagen. Het bevoegd gezag kan informatie uit het kennisdocument gebruiken bij de beoordeling van omgevingsvergunningsaanvragen, afgifte van advies met instemming of handhaving. Het kennisdocument en het juridisch kader zijn samen met het provincie specifieke beleid te gebruiken voor omgevingsvergunningen en vrijstellingen.

Samenhang met andere instrumenten

Het kennisdocument werkt nader uit wat getoond wordt in de Beschermde Soortenindicator (BeSi). Deze indicator is een internetapplicatie van een verwachtingskaart waarin opgevraagd kan worden welke beschermde soorten er mogelijk aanwezig zijn op de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden. Ook kan hierin worden opgevraagd wat de verwachte negatieve effecten op de soorten zijn.

De kennisdocumenten moeten niet verward worden met door de minister goedgekeurde en landelijk toe te passen gedragscodes. In een gedragscode staat voor welke activiteiten en voor welke organisatie een vrijstelling van een vergunning geldt. Een gedragscode bevat ook maatregelen om negatieve effecten aan beschermde soorten te voorkomen of te beperken. In specifieke situaties, zoals bepaalde sectoren of activiteiten, is het mogelijk om te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode die als vrijstelling van de verboden geldt. Een lijst met alle goedgekeurde gedragscodes is te vinden op de site van Rijkdienst voor Ondernemend Nederland, Overzicht gedragscodes.

Controleer per gedragscode of bij gebruik van deze gedragscode een vrijstelling wordt verleend ten aanzien van de haas. Soms wordt de haas wel genoemd als een soort waar de gedragscode maatregelen voor neemt, maar zijn deze maatregelen voorgeschreven vanuit de zorgplicht. Voor het overtreden van verbodsbepalingen kan dan, ook bij gebruik van een gedragscode, alsnog een vergunning noodzakelijk zijn.

Is afwijken van het kennisdocument mogelijk?

Dit kennisdocument is tot stand gekomen op basis van de meest recente kennis, literatuur en expertise. Aan de hand hiervan zijn de onderzoeksmethoden, maatregelen ten gunste van de soort en overige richtlijnen geformuleerd. In de vergunningprocedure wordt vaak getoetst aan de uitvoering en invulling van deze aspecten. Het is daarbij van belang om te benadrukken dat een kennisdocument een informatiedocument voor een specifieke soort betreft en de geformuleerde richtlijnen in dit document niet als enige oplossing moeten worden beschouwd. Dat wil zeggen dat er beargumenteerd van afgeweken kan worden van bijvoorbeeld de voorgestelde onderzoeksprotocollen of maatregelen, mits een gedegen ecologische en soort specifieke en/of een project specifieke onderbouwing gegeven wordt. Dit kan gebaseerd zijn op bijvoorbeeld wetenschappelijke en peer-reviewed literatuur, (monitorings-)data die representatief zijn voor de gegeven situatie en/of modelmatige berekeningen.

Vragen of reageren

Heeft u vragen of suggesties? Stuur een e-mail naar kennisdocumenten@bij12.nl. Voor inhoudelijke vragen over bijvoorbeeld de uitvoering van de Omgevingswet of beoordeling van een aanvraag, kunt u contact opnemen met de desbetreffende provincie of RVO.

Versie

Het Kennisdocument Haas 2025 is een nieuw kennisdocument en vormt de eerste landelijke leidraad voor de aanpak rondom activiteiten die invloed hebben op hazen door onder andere de ruimtelijke ontwikkeling. Deze versie van het kennisdocument is een doorontwikkeling van het Toetsingskader Haas van de Provincie Utrecht (2024) en is tot stand gekomen op basis van inhoudelijke (ecologische) kennis en in samenspraak met diverse experts, vertegenwoordigers van drie provincies en een vertegenwoordiger van RVO.

Disclaimer

Het kennisdocument geeft informatie over maatregelen om effecten te minimaliseren of te compenseren, maar verleent de initiatiefnemer die daar gebruik van wil maken geen omgevingsvergunning. Het is de keuze en verantwoordelijkheid van de ecologische deskundige van de initiatiefnemer zelf om de maatregelen, eventueel aan de hand van het kennisdocument, te formuleren en tijdig en correct uit te voeren ter voorkoming van overtredingen. Wanneer een verbodsbepaling overtreden wordt, moet er altijd een juridische toestemming worden verkregen.

De haas

Algemene kenmerken

De haas (Lepus europaeus) is een middelgroot zoogdier met een lengte van 50 tot 65 centimeter en een lichaamsgewicht van 3 tot 5 kilogram. De vachtkleur varieert van grijzig in kleigebieden tot bruinachtig in zandgebieden, altijd met een witte buik. Een enkele keer worden ook witte hazen aangetroffen. De opvallende oren – ‘lepels’ genoemd – zijn 9 tot 12 centimeter lang en hebben donkere uiteinden, zoals zichtbaar is in afbeelding 1.1. De staart is kort (8-10 centimeter), donker van boven en wit van onder.

Verwarring met het konijn is mogelijk, maar konijnen zijn kleiner, hebben een rondere kop, kortere poten en oren en missen de donkere punten aan het uiteinde van de oren. De haas houdt zijn staart meestal omlaag, waardoor alleen de donkere bovenzijde zichtbaar is.

Afbeelding van een haas waarbij de oren, ogen, kop, postuur en vacht goed zichtbaar is.

Figuur 1.1: Een haas in grasland.

De haas heeft een uitstekend gehoor dankzij de grote oren die onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen en 190 graden naar buiten kunnen draaien. Dankzij de zijwaarts geplaatste ogen heeft de haas een vrijwel volledig panoramisch zicht (360 graden), met slechts een kleine dode hoek direct vóór en achter hem. Diepte inschatten kan hij echter slecht.

Snorharen van zo’n 10 centimeter en een sterke reukzin helpen de haas om gevaren op te sporen en bronstige vrouwtjes te vinden. De lange, gespierde achterpoten maken hoge snelheden mogelijk tot 65 kilometer per uur, waarmee hij zigzaggend, met haakse bochten van wel 90 graden, aan roofdieren ontsnapt (Zoogdiervereniging, 2025).

Sporen van de haas

Hazenharen kunnen gevonden worden in of rond de legers, maar ook op de wissels en bijvoorbeeld aan prikkeldraad. Pootafdrukken kunnen zichtbaar zijn op wissels. De wissels zijn meestal zo’n 10 centimeter breed. Soms volgt een haas zijn eigen spoor terug, waardoor het lijkt of het spoor ineens ophoudt.

Hazen hebben voorpoten met vijf tenen en lange achterpoten met vier tenen. De duim is zo klein dat de afdruk ervan meestal niet goed te zien is. Alle nagels zijn ongeveer even groot. Omdat de middelste teen iets langer is, krijgt de pootafdruk aan de voorkant een wat spitsere vorm. Voetkussens zijn niet zichtbaar in de afdrukken, en doordat de poten sterk behaard zijn, zijn de prenten vaak niet heel duidelijk. De afdrukken zijn zo’n 30 tot 35 millimeter breed en variëren in lengte van 40 millimeter bij de voorpoten tot 60 millimeter bij de achterpoten.

Als de haas zit, kan de afdruk van de hele achterpoot inclusief hiel wel 16 centimeter lang zijn. De afstand tussen de poten (spreiding) is meestal 12 tot 16 centimeter. In een rustige huppelgang maakt de haas passen van ongeveer 40 centimeter. Bij een snelle sprongengalop kunnen de sprongen variëren van een paar decimeter tot wel 3,5 meter. In galop plaatst de haas zijn achterpoten ver voor de afdrukken van de voorpoten. In huppelgang staan de voorpoten naast of schuin achter elkaar.

Hazenkeutels zijn ongeveer twee keer zo groot als die van konijnen. Toch is het onderscheid niet altijd te maken, bijvoorbeeld als het geregend heeft of bij vergelijkbaar dieet. Hazen laten hun keutels verspreid achter in het gebied waar ze eten. De keutels zijn rond, een beetje plat en hebben soms een klein puntje. Ze zijn 1,5 tot 2 centimeter in lengte. In de keutels zijn vaak nog stukjes plantenresten zichtbaar. De kleur varieert van licht- of geelbruin tot donkergroen bij oudere keutels, of zwart als ze nog vers zijn. Hazenkeutels lijken ook erg op reeënkeutels en zijn ongeveer even groot. Reeënkeutels bestaan echter uit veel fijner materiaal, als deze worden uitgesmeerd tussen duim en wijsvinger. Dit komt omdat reeënkeutels geen plantenresten bevatten.

De aanwezigheid van hazen is ook zichtbaar in vraatsporen. Hazen bijten bloemhoofdjes van paardenbloemen af om zo bij de onrijpe zaden te komen. Ook vers opgekomen wintergraan kan door hazen worden aangevreten; dit is te herkennen aan een schuin afgebeten sprietje. Wanneer hazen kruidachtige planten eten (late voorjaar, zomer en begin herfst), laten ze een scherp en schuin snijvlak achter, alsof de stengel met een mes is doorgesneden. Bij reeën of herten daarentegen is het snijvlak rafelig en vezelig. Hazen knagen dwars op de lengterichting van stammen en takken en voeden zich met zowel de schors als de bast in de winter. Soms worden omgevallen bomen volledig van hun schors ontdaan. De vraatsporen van hazen en konijnen zijn vrijwel identiek, met als belangrijkste verschil dat hazen hoger kunnen reiken. Beide diersoorten knagen aan loof- én naaldbomen.

Leefwijze

Hazen zijn schemer- en nachtactief, hoewel ze in de zomer ook overdag actief kunnen zijn. Ze graven geen burchten of holen, zoals konijnen, maar rusten in legers, met hun achterlijf in het diepste deel. Legers zijn ondiepe (10 tot 25 centimeter) uithollingen die met name te vinden zijn in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen, maar legers kunnen ook in hoog gras of tussen de kluiten van een geploegde akker liggen. In de winter zijn hazen teruggetrokken en minder zichtbaar, maar ze houden geen winterslaap.

Hoewel hazen solitair leven, zijn ze niet territoriaal en doorgaans tolerant tegenover soortgenoten. De home ranges van verschillende individuen overlappen vaak, vooral in de lente (Rühe & Hohmann, 2004; Dekker, 2010; Pfister et al., 2002; Cowan & Bell, 1993). Tijdens de voortplantingsperiode komen hazen in paren voor, waarbij mannetjes bronstige vrouwtjes ‘bewaken’. Ook worden er met regelmaat groepjes gevormd waar meerdere mannetjes rond een vrouwtje verzameld zijn. Hazen worden daarnaast vaak in de schemer of nacht samen etend waargenomen rond voedselrijke plekken in korte vegetatie of op droge plekken tijdens natte periodes.

Gemiddeld worden hazen in het wild slechts één jaar oud, door de hoge sterfte onder net geboren jongen (Zoogdiervereniging, 2025; Broekhuizen, 1982). Van alle jongen die een moerhaas in één voortplantingsseizoen krijgt, blijven er vaak maar tussen de drie en vier in leven tot het najaar (start jachtseizoen). Als jongen eenmaal overleven tot aan de eerste winter worden hazen gemiddeld 3 jaar oud, met een maximum van 8 jaar (Schneider, 1978; Broekhuizen, 1982).

Leefgebied

Bij voorkeur leven hazen in kleinschalig gras- en bouwland en open veld, zoals akkers en weilanden. Hierin is variatie belangrijk, zowel qua gewassoorten en teeltstadia als afwisseling met beschutting in de vorm van ruigtezomen, bosranden, windkeringen en heggen. Ook komen hazen voor in open bos, heide en kwelders, maar ze lijken dorpen en steden te mijden, met uitzondering van bijvoorbeeld recent ontwikkelde bedrijventerreinen of woonwijken, waar hazen zich nog standhouden tot er te veel menselijke activiteit is.

Omvang en gebruik van een home range

Hazen zijn plaatsgebonden. Zelfs hazen die voor onderzoek gevangen en elders geïntroduceerd werden, bevonden zich enkele weken later op nog geen 500 meter van de plek waar ze waren losgelaten (Jezierski, 1976). Er zijn geen seizoensgebonden grootschalige migraties. Migraties van meer dan anderhalve kilometer worden, zowel bij juvenielen als adulte hazen, als zeldzaam beschouwd (Broekhuizen & Maaskamp, 1982; Bray et al., 2007). Hazen gebruiken vaak dezelfde wissels voor hun dagelijkse verplaatsingen.

Hoewel hazen plaatsgebonden zijn, hebben ze geen strak vastliggend gebied waarbinnen een individu leeft, foerageert en zich voortplant. Deze individuele functionele ruimte van een haas wordt hierna aangeduid met de term home range, ter onderscheid van het begrip leefgebied dat gebruikt wordt voor het gehele biotoop waarin hazen kunnen leven. Home ranges van verschillende individuen overlappen vaak sterk met elkaar. In de rammeltijd vertonen mannetjes wel enig territoriaal gedrag.

Ondanks hun plaatsgebondenheid verplaatsen hazen zich binnen hun home range als sprake is van menselijke activiteit. Bijvoorbeeld maai-, oogst- of grondbewerkingsactiviteiten op agrarische percelen, (onvoorspelbare) verstoring door honden of verstoring door mensen (zoals jacht). Omdat hazen niet gebonden zijn aan holen zijn ze vrij flexibel in het gebruik van hun leefgebied. Hoe een gebied door de tijd heen benut wordt, hangt af van de beschikbaarheid van dekking en van partners. Ook speelt de aanwezigheid van verstoring en predatoren een rol (Häcklander, 2023). De primaire functies van een home range zijn rusten en foerageren. Hoe lager de habitatkwaliteit, met weinig voedsel en dekking, hoe groter de home ranges (Tapper & Barnes, 1986) en hoe vaker dieren van gebied wisselen. Dieren die veel verhuizen gebruiken jaarrond dus een groter gebied. Omgekeerd geldt dat, hoe meer variatie en jaarrond voedsel en dekking aanwezig zijn, hoe kleiner de home range is (Schai-Braun et al., 2014). In akkergebieden wordt de ligging van het activiteitengebied van individuele hazen vaak gestuurd door voedselaanbod en dekking, dat op zijn beurt wordt beïnvloed door oogsten en ploegen.

De minimale omvang van een home range voor één haas, hangt sterk af van de habitatkwaliteit. In agrarisch gebied in Oostenrijk zijn home ranges van 6 tot 50 hectare vastgesteld (Schai-Braun et al., 2014). In Nederland zijn home ranges gemeten van 26 tot 38 hectare (Broekhuizen & Maaskamp, 1982 (in Cortenoever en de Noordoostpolder); Kunst et al., 2021 (op de kwelder)). Voor het beeld: 26-38 hectare komt overeen met een gebied van 500-600 meter breed en 500-600 meter diep. In het buitenland zijn er grotere home ranges vastgesteld (zie Häcklander, 2023 voor een overzicht), tot wel 300 hectare in grootschalige monotone akkerbouwgebieden. Dit komt overeen met een gebied van ca. 1750 bij 1750 meter.

Rustplaatsen

Een haas heeft doorgaans meer dan één leger. Deze worden afwisselend gebruikt, afhankelijk van de tijd van het jaar, de weersgesteldheid en windrichting, en afhankelijk van de leeftijd en ervaring van de haas. Als de haas in zijn leger verstoord wordt, gebruikt hij tijdelijk een ander leger en keert hij meestal na enkele dagen terug naar zijn verstoorde leger (Hoeksma, 1950). De haas foerageert doorgaans niet op of bij zijn leger (Huber, 2004), maar is ook niet ver uit de buurt, meestal niet meer dan 500 meter (Broekhuizen en Maaskamp, 1982).

Voortplanting en voortplantingsplaatsen

Een mannetjeshaas noemt men een rammelaar; een vrouwtjeshaas een moerhaas. De gehele voortplantingsperiode, bestaande uit paarvorming, paren, zwangerschap en zogen, loopt van januari (soms al eerder) tot augustus – september (soms nog later). De zogenoemde rammeltijd, als paren gevormd worden, vindt in de eerste helft van de voortplantingsperiode plaats. Hazen verliezen dan tijdelijk hun voorzichtigheid. In die periode zijn hazen opvallend actief: ze rennen achter elkaar aan, springen en boksen staand op hun achterpoten, zoals zichtbaar is in afbeelding 1.2. Als hazen door het veld rennen, is het voorste dier meestal een loopse moerhaas en zijn het enkele rammelaars die achter haar aanzitten. Zowel rammelaars kunnen met elkaar boksen als een moerhaas die een rammelaar van zich afhoudt (Zoogdiervereniging, 2025).

Afbeelding met twee boksende hazen waarbij een haas de voorpoot in het gezicht van de andere haas heeft staan. Temidden van een veld vol paardenbloemen.

Figuur 1.2: Foto van rammelende hazen.

Hazen zijn na vijf tot zes maanden geslachtsrijp. De eerste voortplanting gebeurt meestal in het jaar na het geboortejaar. Echter, jongen uit de eerste worp, die vroeg in het voorjaar geboren zijn, kunnen soms al in hetzelfde jaar voortplanten (data in Weterings et al., 2022).

In de maand december, voorafgaand aan de voortplantingsperiode, bouwen hazen extra reserves op (‘capital breeder’). Deze voorbereiding verhoogt de overlevingskansen van zowel de jongen als die van de adulte vrouwtjes tijdens de eerste worp.

De voortplanting start in januari waarbij twee derde van de vrouwtjes drachtig is, zie tabel 1.1. Jongen zijn vanaf februari te verwachten, tot en met september. In april is het percentage vrouwtjes wat drachtig is 100% waarmee een piek aan jongen een maand later te verwachten is (Broekhuizen, 1982).

% Drachtige moerhazen
Jan 68%
Feb86%
Mrt73%
Apr100%
Mei89%
Jun80%
Jul62%
Aug78%
Sep22%
Okt0%
Nov0%
Dec0%
Tabel 1.1: Percentage drachtige moerhazen gedurende het jaar zoals onderzocht door Broekhuizen in 1982. NB: zogende vrouwtjes zijn meestal niet drachtig en vallen niet onder het percentage drachtige vrouwtjes, terwijl ze wel op dat moment meedoen aan de voortplanting.

 

De draagtijd is ongeveer 42 dagen. Gemiddeld werpt een haas 10 tot 13 jongen per voortplantingsseizoen en kan een moerhaas wel 4 nestjes per jaar krijgen. Een worp bestaat uit 1 tot 3 (maximaal 6) jongen. Moerhazen kunnen dubbel drachtig zijn, doordat ze in de laatste fase van de draagtijd opnieuw bevrucht kunnen worden. Deze vruchtjes beginnen zich dan al te ontwikkelen in de eileider tot de baarmoeder beschikbaar is om zich in te nestelen.

De jongen worden in het vrije veld geworpen. Dit kan als tijdelijke (maar niet als zodanig herkenbare) voortplantingsplaats gezien worden. De jongen hebben meteen hun ogen open, zijn volledig behaard (zogenaamde nestvlieders) en binnen 4 weken zelfstandig.

De eerste dagen verplaatsen jonge hazen zich niet of nauwelijks van de werplocatie, maar 3 tot 5 dagen na de geboorte verspreiden zij zich een klein stukje ten opzichte van de geboorteplek en schuilen dan solitair. Hoewel dat in het midden van akkers of graslanden kan zijn, schuilt 70% van de jongen overdag in lijnvormige landschapselementen als heggen en kruidenstroken, mits deze aanwezig zijn (Tapper & Barnes, 1986).

Elke avond, ongeveer drie kwartier na zonsondergang, keren de jongen terug naar de geboorteplek. Een uur na zonsondergang verschijnt de moerhaas om hen daar te zogen. Ze worden ongeveer een maand lang eenmaal per etmaal slechts enkele minuten gezoogd. De rest van de tijd verstoppen de jongen zich, zoals te zien is op afbeelding 1.3.

Foto van een jonge haas die verstopt zit in het gras.

Figuur 1.3: Foto van een jonge haas in dekking

Veel jongen sterven in het eerste jaar. Het percentage jongen dat voor het einde van de zoogperiode van ca. vier weken al sterft was 48% in Flevoland in 1982 (Broekhuizen, 1982). In een studie in het Zwitserse laagland werd zelfs een sterfte van 80% gemeten in de eerste vier levensweken (Karp & Gehr, 2020), en er zijn situaties beschreven van 100% sterfte door maaiactiviteiten (Grendelmeier, 2011). Koude en natte periodes zijn daarnaast voor jonge hazen vaak erg ongunstig (Rödel & Dekker, 2012).

Dispersie is in Nederland en Frankrijk alleen over beperkte afstanden waargenomen. Juvenielen die op zoek moeten naar een eigen home range, verplaatsen zich niet meer dan 1,5 kilometer (Bray et al., 2007; Rühe & Hohmann, 2004; Reitz & Leonard, 1994; Broekhuizen & Maaskamp, 1982).

Voedsel

De haas is een herbivoor en heel selectief in zijn voedselkeuze. Het voedsel bestaat uit (groeipunten van) kruidachtige planten (inclusief landbouwgewassen zoals jonge halmen van graan, bieten, jonge bladeren van maïs, klaver en aardappel), grassen en akkerkruiden als paardenbloem, viooltjes en soorten klaverachtigen (Brüll, 1973). In de winter worden ook bast en twijgen gegeten, terwijl in de zomer ook bloemen en aren op het menu staan. Hazen herkauwen zogeheten ‘nachtkeutels’, die afkomstig zijn uit een speciaal gedeelte van de darm. Zo benutten ze efficiënt de door darmflora vrijgemaakte energie, vitaminen en aminozuren.

Moerhazen die zogen of zich voorbereiden op hun eerste worp (‘capital breeders’) hebben behoefte aan voedsel dat rijk is aan energie, vetten en meervoudig onverzadigde vetzuren, wat gevonden wordt in gevarieerde kruidenrijke vegetatietypen of zaden. Wanneer deze voedingsstoffen ontbreken, daalt de overlevingskans van hun jongen (Häcklander et al., 2002; Valencak et al., 2009).

Foerageergebied

Hazen foerageren binnen hun gehele home range. Het dieet is gevarieerd en dat vereist een omgeving met een divers aanbod aan gewassen en/of soortenrijke perceelranden of braakliggende percelen (Häcklander et al. 2002; Pepin & Angibault, 2007; Schai-Braun, 2015). Het optimale foerageergebied voor de haas bestaat uit kleinschalige kruidenrijke akkers en weilanden met een afwisselende samenstelling van gewassoorten en teeltstadia. In gebieden die worden gedomineerd door monoculturen, concentreren hazen zich vooral langs perceelranden, waar de vegetatie doorgaans meer variatie biedt (Lewandowski & Nowakowski, 1993; Petrovan, 2011). Idealiter biedt het foerageergebied jaarrond voldoende en gevarieerd voedsel. Sommige delen bieden enkel seizoensgebonden voedsel, bijvoorbeeld enkel in de periode dat er gewassen groeien. De kwaliteit en diversiteit van de vegetatie zijn dan ook bewezen cruciale factoren die de draagkracht van een leefgebied voor hazen bepalen. Bij het ontbreken hiervan kan een leefgebied onvoldoende hazen onderhouden met lage dichtheden en reproductiviteit tot gevolg.

Schade door de haas

Hazen kunnen lokaal, vooral bij hoge populatiedichtheden, een aanzienlijke invloed hebben op de vegetatie. Hazen worden gerekend tot ‘kleine grazers’. Hazen kunnen schade veroorzaken op akkerlanden, vooral aan granen, suikerbieten, wortelen en peulvruchten. Gewasschade door hazen in percelen met fruitbomen, boomkwekerijen en vollegrondsgroenten is deels te voorkomen door het toepassen van de preventieve maatregelen van de ‘Faunaschade Preventie Kit’ (FPK) voor haasachtigen (Haasachtigen – Maatregelen vanaf november 2024 – BIJ12).

Beschutting en dekking

Landschapselementen, zoals ruigtezomen, bosranden, windkeringen en heggen, bieden voor hazen belangrijke beschutting. Ze zijn van waarde voor adulte hazen tijdens het foerageren (Brandsen et al., 2023) en bieden jonge hazen de mogelijkheid zich te verstoppen. In Noord-Duitsland bleek dat 70% van de jongen jonger dan vijf weken binnen gecultiveerde landbouwgebieden overdag schuilde in lineaire structuren (zoals heggen of houtwallen) of kleine vlakke structuren (zoals ruigtehoekjes). Ze gaven daarbij duidelijk de voorkeur aan veldranden, heggen en ruigtezones.

Tijdens de nacht verlieten de jonge hazen hun schuilplaats, maar 93% van de individuen bleef binnen een straal van 20 meter van de dekking. Voor het einde van de zoogperiode kwamen nachtelijke afstanden van meer dan 60 meter tot de dichtstbijzijnde rand zelden voor (Voigt & Siebert, 2019). Deze structuren vergroten de overlevingskansen waarschijnlijk door het bieden van een gunstig microklimaat, bescherming tegen predatie en het vermijden van landbouwmachines.

Ook in zeer open gebieden komen hazen voor. In dergelijke landschappen bieden juist greppels, graspollen of kuilen de nodige dekking. Micro-reliëf is dus essentieel voor het functioneren van zeer open gebieden als leefgebied voor de haas. De overlevingskansen van jonge hazen zijn in zeer open gebieden echter aanzienlijk lager.

Uit onderzoek van Voigt & Siebert (2020) bleek dat na één week nog 87% van de jongen in gebieden met veel beschutting in leven was, tegenover slechts 19% in open gebieden. Het verschil in sterfte tussen deze twee gebieden was al groot in de eerste dagen na de geboorte. Na een maand was dit verschil nog groter: 5% in open terrein tegenover 50% in beschutte gebieden.

Barrières in het landschap

Druk bereden wegen, spoorlijnen of hekwerken van ongeveer een meter of hoger, en brede watergangen vormen belangrijke barrières voor de haas. Steile, beschoeide of dichtbegroeide oevers van watergangen kunnen een belemmering zijn, waarbij verdrinking een risico vormt. Rivieren met een sterke stroming zijn doorgaans te breed en te gevaarlijk voor hazen om over te steken (Schäfers et al., 2016).

Smalle watergangen tot ongeveer drie meter kunnen door hazen zonder problemen worden overgesprongen, tenzij dichte vegetatie dit belemmert. Bij bredere watergangen wordt soms gezwommen, mits de oevers toegankelijk zijn om weer aan land te komen. Het is echter onduidelijk of hazen alleen zwemmen uit noodzaak, bijvoorbeeld om aan predatoren of hoogwater te ontsnappen, of dat zwemmen ook een regulier onderdeel vormt van hun verplaatsingsgedrag. Brede watergangen kunnen daarmee een natuurlijke grens vormen van de home range van individuele hazen.

Verspreiding en aantalsontwikkeling

Verspreiding

De haas is een soort met een grote verspreiding in Nederland. Vrijwel overal in het buitengebied komen hazen voor (zie figuur 1.4).

De kaart van Nederland en de atlashokken. Hiervan zijn nagenoeg alle atlasthokken rood wat aangeeft dat de haas daar in 2020-2025 is waargenomen.

Figuur 1.4: Verspreiding van de haas per atlasblok, een gebied ter grootte van 5 bij 5 km (bron: Nationale Databank Flora en Fauna, Verspreidingsatlas, 2025).

Gemiddelde dichtheden van het aantal hazen per vierkante kilometer

Fluctuaties in aantallen

Het aantal hazen in een gebied kan sterk verschillen tussen het voor- en het naseizoen. Zo werden in Duitsland in de lente 31,3 hazen per vierkante kilometer geteld, en in de herfst 44,2. Op andere plekken waren dat er 83 in de lente en 147,4 in de herfst (Straub et al., 2008; Kilias & Ackermann, 2001; Schäfers et al., 2016).

Het aantal hazen in een gebied kan ook snel veranderen tussen jaren. In eenzelfde gebied steeg het aantal hazen in twee jaar tijd van 67 naar 91 per vierkante kilometer, maar in vier jaar tijd daalde het aantal hazen ergens anders juist van 13 naar 3 per vierkante kilometer (Frylestam, 1979; Marboutin et al., 2003).

Fluctuaties in het aantal hazen tussen seizoenen en jaren kunnen komen door o.a. aanwas van jongen, ziekten, predatie, jacht en grondgebruik (zie verder paragraaf 1.5).

Dichtheden

Ook tussen gebieden kunnen er grote verschillen bestaan. De dichtheden zijn over het algemeen het hoogst in kleinschalig agrarisch gebied. In Zuid-Holland worden in agrarische gebieden ongeveer 115 hazen per 100 hectare gemeten (Dekker, 2024). Dichtheden zijn lager in duingebieden en in heide- en bosgebieden.

Ter Harmsel et al., (2022) stelde het aantal hazen, op basis van literatuuronderzoek in optimaal habitat tussen de 15 en de 40 hazen per vierkante kilometer. Lokaal in Nederland zijn echter hogere dichtheden mogelijk, met uitschieters van 156 hazen in het voorjaar (Zoogdiervereniging, 2025) tot 272 hazen per vierkante kilometer tijdens nachttellingen met warmtebeeldcamera (Weterings in prep.; zie ook Schai-Braun et al., 2019). Echter, slechts in 7,4% van de 335 onderzochte locaties in Nederland werden er dichtheden van meer dan 100 individuen per vierkante kilometer waargenomen tijdens nachttellingen in het voorjaar van 2024 (Weterings in prep).

Onderzoek uit Duitsland met warmtebeeldcamera liet zien dat er gemiddeld 13,5 hazen per vierkante kilometer waren in gebieden met weinig hazen, 22,2 in gebieden met een gemiddelde dichtheid, en 40,2 in gebieden met veel hazen (Sliwinski et al., 2021).

De onderstaande tabel 1.2 toont een classificatie van de verschillende dichtheden van het aantal hazen in het voorjaar (april), zoals ingeschat door de hazenexperts betrokken bij dit kennisdocument.

Aantal hazen per haAantal hazen per km2Classificatie
0,01-0,101-10Zeer laag
0,11-0,4011-40Matig
0,41-1,0041-100Goed
1,01-2,00101-200Hoog
2,01->201->Zeer hoog
Tabel 1.2 Voorjaarsdichtheden van hazen.

 

Minimale dichtheden van het aantal hazen voor een duurzaam voortbestaan

Er kunnen meerdere lokale subpopulaties in een gebied aanwezig zijn die met elkaar in verbinding staan waardoor uitwisseling van individuen plaats vindt. Dit wordt een metapopulatie genoemd. In een metapopulatie kunnen één of meerdere grotere populaties leven, maar een metapopulatie kan ook bestaan uit een veelvoud aan kleine subpopulaties die ieder op zich geen levensvatbare populatie zouden zijn. De uitwisseling van individuen tussen subpopulaties is dan van essentieel belang voor een metapopulatie. Om uitwisseling mogelijk te maken, moeten verschillende subpopulaties van de haas niet veel verder dan 1,5 kilometer uiteen liggen, zonder tussenliggende barrières voor hazen. Dit zijn afstanden die dispergerende jonge hazen afleggen (zie subparagraaf 1.3.3).

Hoe groot moet een populatie minimaal zijn om duurzaam levensvatbaar te zijn? Voor de haas zijn dergelijke groottes van een populatie bepaald door Marboutin et al. (2003) en McLaren et al. (1997). Beide publicaties geven een minimale dichtheid van 3 hazen per 100 hectare voor geïsoleerde gebieden van rond de 100 vierkante kilometer (10.000 hectare). Dit betekent dus een populatieomvang van 300 dieren bij geïsoleerde populaties. Pfister et al., (2002) stelde dat als er minder dan 2 hazen per 100 hectare (1 vierkante kilometer) zijn, de kans groot is dat de hazen uit het gebied verdwijnen.

Aantalsontwikkeling

Ondanks het feit dat de haas algemeen aanwezig is, zijn er toch zorgen. Populatietrends worden in Nederland in opdracht van de landelijke overheid vastgesteld binnen het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM), door de Zoogdiervereniging, SOVON en het Centraal Bureau voor de Statistiek.

De haas staat sinds 3 november 2020 als ‘gevoelig’ gekenmerkt op de Nederlandse Rode Lijst van Zoogdieren. De haas is op de Rode Lijst opgenomen omdat de populatie weliswaar nog in vrijwel heel Nederland voorkomt, maar sinds de jaren 1950 sterk in aantal is afgenomen (Dekker & Norren, 2021). Deze afname is in heel West-Europa te zien (Smith et al., 2005).

Wageningen Environmental Research (hierna: WUR) heeft, in opdracht van het ministerie van LNV, in 2022 onderzoek gedaan naar de staat van instandhouding van de haas. Deze blijkt zeer ongunstig te zijn. Tussen 1997 en 2020 laat de haas een negatieve populatietrend zien van gemiddeld 1,2% (Ter Harmsel et al., 2022). Onderzoek van het CBS in 2024 door Borkent et al. laat een matige toename zien van het aantal hazen tussen 2013 en 2024, zie figuur 1.5.

Grafiek van de populatietrend vanaf 1997 tot 2023. Sinds 1997 neemt de populatie af maar na 2019 lijkt deze weer opgaand.

Figuur 1.5: Geïndexeerde populatietrend haas (1997 = 100), CBS/NEM, 2024

Drukfactoren

Om te achterhalen waardoor de populatie onder druk staat is het relevant om alle belangrijke factoren in beeld te brengen die zorgen voor een dalende populatietrend, de zogenoemde drukfactoren. In vier recente onderzoekspublicaties wordt in beeld gebracht welke factoren een rol spelen. Het gaat om de rapporten “De staat van instandhouding haas en konijn” van de WUR (Ter Harmsel et al., 2022), “Achteruitgang van haas en konijn sinds 1950” (Dekker & Norren, 2021), het rapport “Impact-analyse: Gevolgen sluiting van jacht op de populatie van wildlijstsoorten” (Weterings et al., 2023) en het rapport “Soorten van de wildlijst: Verkenning van oorzaken populatiedaling en mogelijkheden tot herstel” (Koopmans et al., 2024).

Het meest cruciale proces in de populatiedynamiek van hazen bleek de overleving van jonge haasjes (Marboutin et al.,2003; en Schai-Braun et al.,2019). Factoren die van invloed zijn op geboorte en overleving van hazen zijn doorgaans divers, zoals beschikbaarheid van voedsel, predatoren en jacht, regen, kou, ziekten en plagen. De achterliggende oorzaak van de afname van de hazenpopulatie is het gevolg van grootschalige veranderingen in de inrichting van het Nederlandse landschap, die verband houden met de intensivering van het agrarisch gebruik.

Nederland is hierin niet uniek: bij een analyse van de populatieveranderingen van hazen in Europa bleken populaties soms al sinds de jaren ’30 van de twintigste eeuw af te nemen, waarbij landschapsveranderingen door intensivering van landbouw als ultieme hoofdoorzaak naar voren kwamen (Olesen & Asferg, 2006; Lundström-Gilliéron & Schlaepfer, 2003; Hutchings & Harris, 1996; Tapper & Barnes, 1986; Edwards et al. 2000; Smith et al. 2005; Pepin & Angiboult, 2007).

Op welke manier veranderingen in het landschap en de intensivering van de landbouw invloed hebben op de achteruitgang van de haas sinds de jaren ‘30 wordt in onderstaande paragrafen toegelicht. De invloed van predatie en jacht, verkeer, ziekten en weersinvloeden worden in subparagrafen 1.5.4, 1.5.5 en 1.5.6 behandeld.

Afname van geschikt voedsel

Hazen, en zeker zogende moerhazen, hebben een gevarieerd landschap nodig voor voedsel, bijvoorbeeld in de vorm van kruidenrijke perceelranden (zie subparagraaf 1.3.4). De conditie en overleving van jonge haasjes is sterk afhankelijk van de gezondheidstoestand van de moeder (voor de eerste worp en tijdens zogen), wat op haar beurt wordt bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van voedsel voor en tijdens de voortplanting (Valencak et al., 2009). Wat betreft voedsel is zowel de diversiteit tussen percelen als binnen percelen van belang (Petrovan, 2011). Bij verschillende agrarische bedrijven verplaatsen hazen zich tussen heggen en akkers in verschillende teeltstadia (gezaaid, groeiend, rijp, geoogst) (Tapper & Barnes, 1986). Petrovan (2011) liet zien dat zeer kort gegraasde percelen werden vermeden door adulte hazen en er overdag een voorkeur was voor onbewerkte perceelranden, bosjes en bos.

Het vergroten van percelen, het gebruik van herbiciden en het opruimen van akkerranden verkleinen de diversiteit van de vegetatie. Daarnaast kan de verschuiving van koeien in de wei naar jaarrond in de stal ook van invloed zijn geweest: weilanden worden dan omgevormd naar maïs- of grasland voor veevoer. Grasland wordt eerder in het jaar en frequenter gemaaid, waardoor de variatie aan kruiden afneemt (Montizaan & Dekker, 2016).

In gebieden met monoculturen worden hazen dan ook voornamelijk gevonden aan randen van percelen, waar een meer soortenrijke vegetatie te vinden is (Lewandowski & Nowakowski, 1993; Petrovan, 2011). Bertoti (1975) constateerde een afname van 90% in de hazendichtheid, nadat het studiegebied werd omgevormd tot monocultuur. Ook Petrov (1976) meldde een afname bij omvorming naar grootschalige monoculturen op landbouwgronden. Bij graslanden blijkt de samenstelling en bemesting van belang: niet-bemeste planten worden door hazen beter verteerd dan intensief bemest gras, dat geldt met name voor Engels raaigras (Schneider & Heidenreich, 1989). Als gevolg van verlies van diversiteit in gewassen, neemt tijdens rijping en oogst de voedselbeschikbaarheid in een groot areaal af. Alternatieve voedselbronnen zijn vaak eveneens minder beschikbaar, door de afwezigheid van hagen en smalle perceelsgrenzen (Frylestam, 1980, 1986; McLaren, 1997).

Afname van dekking

Hazen hebben een gevarieerd landschap nodig voor dekking, in de vorm van hagen, houtwallen of eveneens perceelranden (zie subparagraaf 1.3.6). Hazen doen het daarom goed bij kleinschalig structuurrijk leefgebied. Hierin is veel dekking te vinden in kuilen of bij graspollen; in greppels, perceelranden of onder hagen. Dat dekking voor jonge haasjes van groot belang is, blijkt uit de veel grotere overlevingskansen van haasjes die overdag schuilen in lijnvormige landschapselementen (zie subparagraaf 1.3.6). Schuilend in zulke structuren koelen jonge haasjes minder snel af, vallen ze minder op en worden ze niet doodgemaaid. Ook voor oudere hazen zijn zulke structuren een goede rustplaats. Afname van dekking is ongunstig voor de populatie. Door schaalvergroting zijn veel landschapselementen verdwenen en zijn percelen geëgaliseerd.

Sterfte door geïntensiveerde grond- en gewasbewerkingen

Jonge hazen zijn erg gevoelig voor maaiactiviteiten. Bij aankomend gevaar rennen ze niet weg, maar drukken ze zich juist tegen de grond om zo onopvallend mogelijk te zijn. Dit zorgt ervoor dat er veel slachtoffers vallen onder jonge hazen (Zoogdiervereniging, 2025). Uit een analyse van landbouwstatistieken blijkt dat door modernisering van de landbouw steeds vaker en eerder in het seizoen geoogst wordt. Hierdoor is de kans toegenomen dat vroege worpen van hazen tijdens maaibeurten worden vernietigd (Van Vliet & Bron, 2018).

Het effect van grond- en gewasbewerking op hazen is sterk afhankelijk van het type gewas dat wordt geteeld en de bijbehorende intensiteit en werkwijze (Pépin, 1989). De sterfte onder jonge hazen door landbouwmachines kan aanzienlijk zijn. Zo zijn verliezen van 2 tot 20% van de jaarlijkse aanwas aan jongen vastgesteld door oogst- en grondbewerkingen in graangewassen (Voigt & Siebert, 2020; Kaluzinski & Pielowski, 1976; Milanov, 1996, in Edwards et al., 2020). In grasland en luzerne (alfalfa) zijn echter nog hogere verliezen van jongen gerapporteerd: respectievelijk 44% en 45% (Milanova & Dimov, 1990 in Voigt & Siebert, 2020; Kaluzinski & Pielowski, 1976), en lokaal zelfs tot 100% (Grendelmeier, 2011).

Predatie

Het zooggedrag van de moerhaas, namelijk één kort zoogmoment per dag, is erop gericht om de jongen zo goed mogelijk te verbergen voor predatoren. Ook wast ze de jongen kort na het zogen. Hoewel jonge hazen (nagenoeg) geurloos geboren worden, een camouflerende vacht hebben en goed verborgen kunnen blijven in de vegetatie, zijn ze toch kwetsbaar voor predatoren. Zo rapporteerden Voigt & Siebert (2020) dat bij hazen tot vijf weken oud 42% van de sterfte zeker het gevolg was van predatie en vermoedelijk nog eens 36% door predatoren werd veroorzaakt. Pas vanaf de leeftijd van een week of 3 à 4 kunnen jonge hazen goed vluchten.

Er is in Nederland geen systematisch onderzoek beschikbaar dat in kaart brengt welke predatoren in welke mate bijdragen aan de predatie op hazen. Uit diverse prooi- en dieetonderzoeken komt naar voren dat hazen, en zeker jonge hazen, door allerlei diersoorten, zoals vossen, boommarters, steenmarters en roofvogels (zie afbeelding 1.6) worden gegeten. In het buitenland blijkt met name de vos een belangrijke predator van hazen (o.a. Knauer et al., 2010). Vermoedelijk heeft de verwilderde (huis)kat lokaal een flinke impact (Van den Ende, 2011; Op de Hoek et al., 2015). Maar ook loslopende honden moeten worden beschouwd als potentiële predatoren.

Afbeelding van een bruine kiekendief die een haas aanvalt.

Figuur 1.6: Foto van bruine kiekendief die een haas aanvalt.

Naast directe predatie, die leidt tot sterfte, kunnen predatoren ook een indirect effect uitoefenen op hazen. Hun aanwezigheid kan leiden tot chronische stress, aangepast ruimtegebruik en veranderingen in habitatkeuze, wat een negatieve invloed heeft op de energiehuishouding, lichaamsconditie en voortplanting van hazen (Krebs et al., 2001; Weterings, 2018). Bij een hogere energiebehoefte van predatoren (hogere predatiedruk) is de lichaamsconditie van de haas slechter, de bijnier groter (indicatie van chronische stress) en het aantal jongen dat wordt geboren lager (Weterings et al.,2022). Aangezien een moerhaas de jongen maar 1x per 24 uur zoogt, kan een verstoring van haar normale ritme directe gevolgen hebben voor de overlevingskansen van de jongen. Er zijn sterke aanwijzingen dat deze indirecte effecten op prooidieren zoals de haas minstens even ingrijpend kunnen zijn als de directe impact van predatie (Preisser et al., 2005).

Een modelstudie van Reynolds & Tapper (1995) voorspelde dat vossen lokaal een sterke daling in hazendichtheid kunnen veroorzaken. In verschillende gebieden is aangetoond dat intensieve vossenbestrijding een positief effect kan hebben op hazenpopulaties, vooral wanneer deze werd gecombineerd met gericht habitatbeheer ten gunste van de haas (Reynolds et al., 2010; Panek et al., 2006; Goszczynski & Wasilewski, 1992). Tegelijkertijd wordt niet overal een duidelijk verband gevonden tussen de aanwezigheid of dichtheid van vossen en die van hazen (Pavliska et al., 2018). Ook blijken maatregelen ter verbetering van het leefgebied zonder vossenbestrijding in sommige gevallen voldoende om hazendichtheden te verhogen (Weber et al., 2019).

In een analyse van oorzaken achter de achteruitgang van hazen in Engeland concludeerden Edwards et al. (2000) dat predatie (en ziekten) lokaal van invloed kunnen zijn, maar waarschijnlijk geen doorslaggevende rol spelen in de lange termijn trend. In Denemarken daarentegen werd de afname van hazenpopulaties in de afgelopen decennia toegeschreven aan een combinatie van toenemende vossenpopulaties en landbouwintensivering (Schmidt et al., 2004), waarbij volgens Knauer et al. (2010) de landbouw de grootste invloed had op de neerwaartse trend.

Jacht

Net als natuurlijke predatie leidt jacht door de mens tot het verdwijnen van dieren uit de populatie, zie afbeelding 1.7. Jacht kan resulteren in een lagere hazendichtheid. Er zijn echter weinig studies die in detail hebben onderzocht welke invloed jacht precies heeft op de populatiedynamiek van hazen. Wel blijkt uit een meta-analyse van Smith (2005) dat jacht zelden de primaire oorzaak was van landelijke populatieachteruitgangen sinds de jaren zestig. Weterings et al. (2022) vond geen (‘stress’-) effect van jachtdruk op lichaamsconditie en reproductie van hazen in Nederland (zie ook Smith et al., 2024).

Afbeelding van een zwarte hond die een geschoten haas in zijn bek heeft.

Figuur 1.7: Foto van jachthond met geschoten haas.

Jacht hoeft, net als predatie door dieren, niet per definitie te leiden tot een afname van de populatie. Wanneer jacht op een verantwoorde manier plaatsvindt – ook wel ‘duurzaam oogsten’ genoemd –, wordt alleen dat aantal dieren uit de populatie gehaald waarbij de totale populatie stabiel blijft of zelfs kan groeien. Voor het vaststellen van zulke oogstbare aantallen of percentages zijn protocollen en modellen ontwikkeld (Marboutin et al., 2003; Schai-Braun et al., 2019). In een Frans populatiemodel bleek het mogelijk om jaarlijks 30% van de hazenpopulatie te oogsten zonder negatieve effecten op de populatiegrootte. Schai-Braun et al. (2019) ontwikkelden een model met grenswaarden voor duurzaam oogsten in het Oostenrijkse laagland. Bij een dichtheid van 45 hazen per vierkante kilometer bleek 10% duurzaam te kunnen worden geoogst, met een ondergrens waarbij de jacht gestopt zou moeten worden bij een dichtheid van 15 hazen per vierkante kilometer. Deze grenswaarden zijn echter afhankelijk van diverse variabelen en kunnen niet een-op-een worden toegepast op de Nederlandse situatie. Het afschotpercentage hazen in Nederland, en de invloed hiervan op de populatie, is niet bekend.

Overige drukfactoren

Naast de genoemde drukfactoren die leiden tot een afname aan hazendichtheden, zijn er nog de invloeden van het weer, aanrijdingen met verkeer, verdrinkingen in watergangen en sterfte door parasieten en ziekten.

Weersinvloeden

Hazen maken geen holen, zodat de jongen vanaf geboorte in het open veld moeten overleven. Dit maakt jonge haasjes kwetsbaar voor koude en regen. In Zwitsers laagland zorgde regenval voor een sterk verlaagde overlevingskans. Verblijf in perceelranden verhoogde de overleving weer (Karp & Gehr, 2020). Voigt & Siebert (2020) vonden bij 10% van de gevolgde jonge hazen geen doodsoorzaak, maar vermoeden dat een deel daarvan te wijten was aan hypothermie. Ook bij adulte hazen worden wijzigingen in overlevingskans geweten aan neerslag en kou (Marboutin & Aebischer, 1996). Het effect van kou en regenval werkt daarbij door op provinciale populatieomvang (Rödel & Dekker, 2012).

Parasieten en ziekten

De ziekte coccidiose die door een parasiet wordt veroorzaakt en andere (infectie-)ziekten, waaronder tularemie, kunnen een aanzienlijk deel van sterfte van adulte hazen veroorzaken (Lamarque et al.,1996). Het is echter onduidelijk welke invloed deze op de populatie hebben. Als percelen worden vernat, treedt vaker coccidiose op (Rödel & Dekker, 2012). Sinds het najaar van 2024 is er in Nederland de ziekte hazen-Myxomatose vastgesteld (Dutch Wildlife Health Centre – hazenonderzoek). Het is nog niet duidelijk of deze ziekte net zo desastreus voor de populatie hazen zal verlopen als bij de konijnen-Myxomatose. Myxomatose bij konijnen is één van de hoofdoorzaken voor de huidige zeer ongunstige staat van instandhouding (Ter Harmsel et al., 2022).

Onduidelijk is of ziekten daadwerkelijk invloed hebben op de Nederlandse populatie hazen. In een analyse van oorzaken achter de achteruitgang van hazen in Engeland concludeerden Edwards et al. (2000) dat ziekten lokaal van invloed kunnen zijn, maar waarschijnlijk geen doorslaggevende rol spelen in de lange termijn trend.

Versnippering en verkeersmortaliteit

Versnippering van habitat door bijvoorbeeld de aanleg van wegen speelt ook een rol bij afname van populatie. Grotere wegen worden actief vermeden als de variatie in het landschap dit toestaat (Mayer et al., 2023). Bij een grootschalig monotoon landschap worden wegen, waarschijnlijk noodgedwongen, overgestoken. Veel hazen sterven door aanrijdingen met verkeer. Lokaal wordt een hoge mortaliteit door verkeer gemeld (Tapper et al., 1996; Haerer et al., 2001), en in Zwitserland was er een negatieve relatie tussen het aantal hazen en dichtheid van wegen (Roedenbeck et al., 2008). Anekdotisch wordt verdrinking in afwateringssloten met steile kanten gemeld. Hoe groot het aandeel in de mortaliteit hiervan is, is niet bekend. In het algemeen kan gesteld worden dat het onduidelijk is of sterfte door verkeer en verdrinking invloed heeft op de Nederlandse populatie hazen.

De haas en flora- en fauna-activiteiten

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt kort geschetst hoe de haas wettelijk beschermd is door het omgevingsrecht.

Leeswijzer

In paragraaf 2.2 is te lezen wat verboden flora- en fauna-activiteiten zijn, waarna in paragraaf 2.3 per verbodsbepaling voorbeelden zijn te vinden van activiteiten waarbij deze bepalingen overtreden worden. In paragraaf 2.4 komt de noodzakelijke onderzoeksverplichting aan bod en in paragraaf 2.5 het kader voor vergunningverlening. In paragraaf 2.6 wordt de toets van het effect op de staat van instandhouding toegelicht.

Deskundigheid

Het bepalen of de voorgenomen activiteiten tot een overtreding kunnen leiden volgens het omgevingsrecht, en wat het effect is van deze overtreding op de populatie, is maatwerk per project. Dit moet gebeuren door een deskundige die hier aantoonbaar ervaring mee heeft (zie paragraaf 4.2).

Flora- en fauna-activiteiten

De haas is beschermd onder de Omgevingswet. De verbodsbepalingen beschermen deze soort tegen negatieve effecten van menselijke activiteiten zoals bijvoorbeeld ruimtelijke ingrepen, zodat de soort niet in haar voortbestaan wordt bedreigd. Een activiteit met mogelijke negatieve gevolgen voor de haas wordt in het omgevingsrecht een ‘flora- en fauna-activiteit’ genoemd. Om de haas te beschermen geeft de Omgevingswet regels over deze zogenoemde flora- en fauna-activiteiten.

De haas staat genoemd in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit is een lijst met soorten die in Nederland beschermd zijn en niet te vinden zijn in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de verdragen van Bonn en Bern.

Op grond van artikel 11.54 Bal is het volgende verboden:

  • het opzettelijk doden van de haas;
  • het opzettelijk vangen van de haas;
  • het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen
  • het opzettelijk beschadigen of vernielen van rustplaatsen.

Alle activiteiten die direct of indirect leiden tot bovenstaande effecten op individuele hazen of op de populatie hazen zijn verboden. Voor dergelijke activiteiten is een omgevingsvergunning noodzakelijk.

Bevoegde gezagen kunnen ervoor kiezen de haas te plaatsen op de lijst ‘vrijgestelde soorten’ in de Omgevingsverordening. De verbodsbepalingen (met uitzondering van het verbod op ‘doden’) worden daarmee niet van toepassing verklaard. De activiteiten met negatieve effecten op de haas zijn dan vrijgesteld van vergunningplicht. In de meeste gevallen beoordelen Gedeputeerde Staten van de provincie (met vaak als uitvoerende tak de Omgevingsdienst) of deze maatregelen afdoende zijn en verlenen zij u indien mogelijk de vereiste Omgevingsvergunning.

In situaties waar nationale belangen aan de orde zijn, is de Rijksoverheid het bevoegd gezag (artikel 4.12, eerste en tweede lid, van het Omgevingsbesluit (Ob)). De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur (LVVN) taken uit op het gebied van flora- en fauna-activiteiten in het kader van Soortenbescherming. Hoewel RVO een agentschap is van het Ministerie van Economische Zaken, voert de dienst ook taken uit in opdracht van onder meer het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Voorbeelden van nationale belangen zijn het aanleggen of aanpassen van de hoofdinfrastructuur zoals snelwegen, hoofdspoor en waterwegen. Maar ook de hoofdinfrastructuur die nodig is om gas en elektriciteit te transporteren (zie ook het Overzicht taken en rolverdeling bevoegdheden).

Welke activiteiten leiden tot verboden effecten op de haas

In deze paragraaf wordt aangegeven welke activiteiten kunnen leiden tot het overtreden van verbodsbepalingen uit het omgevingsrecht.

Naast de specifieke verbodsbepalingen geldt te allen tijde dat als er bij een activiteit of ontwikkeling een negatief effect verwacht wordt, onderzocht moet worden of het mogelijk is om de activiteit of ontwikkeling anders te organiseren om het negatieve effect te vermijden. Een effect vermijden is doeltreffender dan een effect compenseren. Dit is een onderdeel van de alternatievenafweging ten behoeve van het aanvragen van de vergunning.

Het doden van hazen

Vanuit het omgevingsrecht geldt een verbod op het opzettelijk doden van hazen. Opzet omvat ook voorwaardelijk opzet (zie ook het juridisch kader behorende bij dit kennisdocument). Men moet zich altijd aan de zorgplicht houden, wat onder meer betekent dat doden zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Wanneer er (met of zonder maatregelen) sprake is van het met voorwaardelijke opzet doden van hazen, wordt de verbodsbepaling van het omgevingsrecht overtreden.

Bij de volgende activiteiten kunnen hazen gedood worden:

  • Maaiactiviteiten, oogstactiviteiten en gewas- en grondbewerkingsactiviteiten met landbouwmachines kunnen leiden tot het doden van jonge hazen. Wildredders hebben bij jonge hazen nagenoeg geen effect, omdat jonge hazen zich in de grond drukken en niet wegrennen.
  • Door de aanleg van (snel)wegen kunnen hazen vaker verkeersslachtoffer worden.
  • Door het plaatsen van rasters kunnen moeder en jong worden gescheiden van elkaar, waardoor het jong doodgaat.
  • Loslopende honden of huiskatten kunnen jonge hazen doden.

Het vangen van hazen

Vanuit het omgevingsrecht geldt een verbod op het opzettelijk vangen van hazen. Voor het vangen van hazen is het noodzakelijk een ecologische deskundige in te schakelen. Ook moet er een omgevingsvergunning worden afgegeven. Voor meer informatie over dit traject kan contact worden opgenomen met het betreffende bevoegde gezag.

Beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen

Vanuit het omgevingsrecht geldt een verbod op het opzettelijk beschadigen en het vernielen van vaste voortplantingsplaatsen en van rustplaatsen van de haas. De volgende activiteiten kunnen voortplantings- of rustplaatsen van hazen beschadigen of vernielen:

  • grondverzet;
  • het (tijdelijk) inrichten van percelen als bouwplaats;
  • maaiactiviteiten of andere grondbewerkingswerkzaamheden;
  • bouwrijp maken, bebouwen en aanleg van (tijdelijke) wegen;
  • gebruik van weilanden als (tijdelijke) parkeerplaats of evenemententerrein;
  • intensivering van het agrarische gebruik;
  • percelen afgraven;
  • percelen vernatten of als tijdelijk waterbergingsgebied inrichten;
  • omvormen van agrarische percelen naar bos;
  • het aanleggen van zonnevelden;
  • verdwijnen van akkerranden, heggen, greppels, sloten en veldstruiken;
  • het creëren van barrières in de home range van een haas, zoals het plaatsen van hekken of harde beschoeiingen in watergangen.

Deze lijst voorbeelden is uiteraard niet limitatief.

Het is ter beoordeling aan een ecologische deskundige of hiervan sprake is bij de haas in de specifieke situatie van het project. Het bevoegd gezag kan op basis van de overlegde gegevens bepalen of sprake is van vergunningplicht.

Het ongeschikt maken van een plangebied is vaak al de handeling waarmee de verbodsbepalingen “beschadigen/vernielen van verblijfplaatsen/leefgebied” worden overtreden.

Vaste voortplantingsplaatsen

Hazen hebben geen duidelijk in het veld herkenbare vaste voortplantingsplaatsen. De geboorteplek van jongen (werplocatie) valt onder de definitie van een vaste voortplantingsplaats voor zolang de jongen worden gezoogd. De werplocaties van de haas zijn niet permanente, maar tijdelijke voortplantingsplaatsen. Nadat de jongen niet meer afhankelijk zijn van de werplocatie, zijn deze locaties niet meer beschermd. Omdat hazen erg honkvast zijn, valt aan te nemen dat voortplantingsplaatsen dicht in de buurt zijn van waar hazen worden waargenomen. Zowel het paargedrag, het werpen en het zogen vindt hierbinnen plaats. Worden in de voortplantingsperiode (moer-)hazen waargenomen, dan zijn er in de home range ook werplocaties aanwezig. Zodoende geldt de gehele home range als vaste voortplantingsplaats.

Rustplaatsen

Hazen rusten in hun legers en hebben doorgaans meerdere legers die ze wisselend gebruiken. Legers zijn in het veld echter moeilijk te herkennen, zeker in weilanden met hoog gras. Omdat hazen erg honkvast zijn, valt aan te nemen dat rustplaatsen dicht in de buurt zijn van waar hazen worden waargenomen.

Worden hazen waargenomen, dan zijn er in de home range ook meerdere legers aanwezig. Zodoende geldt de gehele home range als vaste rustplaats. Om rustplaatsen te beschermen, moet de gehele home range van de haas worden beschermd.

Onderzoeksplicht voor de effectenanalyse

De Omgevingswet bepaalt dat iedereen die een (tijdelijke) ingreep uitvoert (zoals bouwen, graven, maaien, rooien of baggeren) in een leefgebied van beschermde soorten, verplicht is onderzoek te doen naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en naar de impact op hun verblijfplaatsen; de zogeheten onderzoeksplicht.
Om te kunnen beoordelen of er verbodsbepalingen worden overtreden, is ten minste inzicht nodig in de aanwezigheid van de haas. Welke onderzoeksmethodiek geschikt is om deze onderzoeksvraag te beantwoorden, valt te lezen in hoofdstuk 3.

Zijn er negatieve effecten op de haas, dan is vaak aanvullend onderzoek nodig die inschat hoe groot het effect is op de hazen in en om het plangebied. Ook dient aanvullend onderzocht te worden welke invloed dit uiteindelijk heeft op de staat van instandhouding van de soort. Welke onderzoeksmethodieken hiervoor geschikt zijn, is uitgewerkt in paragraaf 3.5.

Kan vergunning worden verleend?

Vergunningenkader

De bevoegde gezagen kunnen een vergunning of vrijstelling verlenen van één of meer van de verbodsbepalingen, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden voor een vergunning of vrijstelling (artikel 8.74L, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)):

  1. er is geen andere bevredigende oplossing (die, in relatie tot de doelstelling van de activiteit, redelijkerwijs minder nadelige effecten heeft op de haas);
  2. de activiteit is nodig voor één van de in artikel 8.74L, eerste lid, onder b, gespecificeerde belangen;
  3. de activiteit doet geen afbreuk aan het streven de populaties van de soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Zie voor een nadere toelichting ook het juridisch kader dat bij de kennisdocumenten hoort.

Analyse van andere bevredigende oplossingen

Bij activiteiten die hazen kunnen schaden, moet worden aangetoond dat er – voor de haas – geen andere haalbare en betere manier is om de activiteit uit te voeren dan de gekozen locatie, werkwijze, inrichting en de planning. Hiervoor moeten dus alle mogelijke alternatieven worden afgewogen. Ook is het nodig om te onderzoeken in hoeverre de maatregelen uit hoofdstuk 4 kunnen zorgen voor een minder ernstig effect op de haas.

Analyse van het belang van het project

De belangenafweging is het proces waarbij wordt beoordeeld of een ingreep, die negatieve gevolgen heeft voor beschermde soorten of natuurgebieden, toegestaan mag worden. Dit gebeurt op basis van een zorgvuldige afweging van belangen.

Om vergunning te kunnen verlenen, moet worden aangetoond dat de activiteiten noodzakelijk zijn. Ook dient er sprake te zijn van een geldig wettelijk belang. Daarbij moet blijken dat dit belang zwaarder weegt dan de bescherming van de aanwezige beschermde dier- of plantensoorten. Welk wettelijk belang van toepassing is, hangt af van het beschermingsregime van de soort en is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

De haas is een nationaal beschermde soort. In het juridisch kader zijn de belangen (genoemd in artikel 8.74l, lid 1, onder b, sub 1 t/m 13) opgenomen die ten aanzien van de haas zwaarder mogen wegen dan het beschermingsbelang. Is er sprake van een wettelijk belang, dan kan (mits ook voldaan wordt aan de andere twee genoemde voorwaarden) vergunning of vrijstelling worden verleend.

Analyse van het effect van de activiteit op de staat van instandhouding

De derde voorwaarde om vergunning te kunnen verlenen, maakt dat het effect van de activiteiten toelaatbaar moet zijn met oog op de staat van instandhouding van de soort. Hiervoor is het van belang te onderzoeken wat het effect is van de activiteiten, daarbij rekening houdend met de maatregelen uit hoofdstuk 4 op de staat van instandhouding van de lokale populatie (zie paragraaf 3.5).

Bepaal het effect op de staat van instandhouding

Vanuit de Omgevingswet dienen soorten een gunstige staat van instandhouding te behouden of moet deze hersteld worden. Als een omgevingsvergunning of een advies met instemming nodig is voor het uitvoeren van de activiteiten, is het altijd noodzakelijk om inzicht te krijgen in het effect van de activiteiten op de staat van instandhouding van de lokale populatie.

De staat van instandhouding wordt -in overeenstemming met de Habitatrichtlijn- gevormd door: de populatie (absolute grootte en trend), home range/verspreiding (grootte en trend), leefomgeving (grootte, kwaliteit en trends daarvan) en het toekomstperspectief.

Effecten van verschillende typen activiteiten

Verschillende typen activiteiten hebben verschillende effecten tot gevolg. Belangrijk is het schaalniveau waarop de activiteiten zich afspelen en op welke wijze de haas negatief beïnvloed wordt. De effecten op de populatie zijn afhankelijk van de hoeveelheid leefgebied dat (tijdelijk) verdwijnt of in kwaliteit achteruitgaat. Activiteiten die over een groot oppervlakte plaatsvinden, hebben meestal effect op een groot aantal home ranges. De effecten op de staat van instandhouding van de populatie zijn vaak groter bij het verdwijnen van meerdere home ranges.

Deze laatste effecten zijn te verminderen door de activiteiten bijvoorbeeld gefaseerd in ruimte en tijd uit te voeren. Per activiteit moet een beoordeling plaatsvinden; welke effecten optreden en welke maatregelen noodzakelijk zijn.

Cumulatie

Bij het bepalen van de effecten van bepaalde activiteiten op de staat van instandhouding van de haas is het noodzakelijk om ook de effecten van andere activiteiten in de omgeving te betrekken. Het bepalen van de cumulatieve (optellende) effecten is noodzakelijk in het geval het onzeker is, dan wel niet bekend is, of negatieve effecten van een activiteit volledig zijn te voorkomen of op te heffen. De grootte van het gebied waarbinnen gekeken moet worden naar effecten van andere activiteiten is afhankelijk van het schaalniveau van de effecten die kunnen optreden door de activiteit in kwestie. Een voorbeeld van een activiteit waarbij het noodzakelijk kan zijn om cumulatieve effecten in beeld te brengen, is polder waar woningbouw beoogd is, waar recreatie wordt gefaciliteerd, waar een hondenlosloopgebied komt, agrarische percelen worden samengevoegd door het verwijderen van hagen, et cetera.

Benodigd ecologisch onderzoek

Inleiding

Bij (tijdelijke) activiteiten die een negatief effect kunnen hebben op de haas moet eerst onderzoek gedaan worden naar de aanwezigheid van de haas. Dit is nodig om te weten of er sprake kan zijn van een overtreding van verbodsbepalingen van het omgevingsrecht. Vervolgens, bij aanwezigheid van de haas, is het noodzakelijk onderzoek te doen naar de effecten van de activiteiten op de omvang van de lokale populatie.

Leeswijzer

In de paragrafen 3.2 en 3.3 is te lezen hoe kan worden bepaald of de haas aan- of afwezig is in het plangebied. Ook staat in deze paragrafen hoe de omvang van de populatie binnen en rondom het plangebied kan worden ingeschat. In paragraaf 3.4 komt de habitatskwaliteitsbeoordeling van het compensatiegebied aan bod en in paragraaf 3.5 de toets aan de staat van instandhouding.

Documentatie

Er moet goed gedocumenteerd worden, wanneer, hoe en door wie het onderzoek uitgevoerd is en wat de resultaten ervan zijn, aangevuld met een ecologische onderbouwing. Deze documentatie is (vanuit de zorgplicht) altijd van belang, ongeacht of er uiteindelijk wel of niet een aanvraag voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten of advies met instemming wordt gedaan. Als een omgevingsvergunningsaanvraag nodig is, dan is het raadzaam om bij de bevoegde gezagen na te gaan op welke manier deze verslaglegging van het onderzoek wordt aangeraden. Bevoegde gezagen hebben hier doorgaans handleidingen voor.

Planning

Het onderzoek naar de aan- of afwezigheid van de haas moet ruim voor aanvang van de activiteit in het gebied plaatsvinden. Hoe lang van tevoren is moeilijk te definiëren en projectafhankelijk. Verschillende aspecten hebben hier invloed op, zoals de tijd die nodig is voor het onderzoek, de verwachte negatieve effecten op de functies van de haas, het moment van uitvoering van de activiteiten in relatie tot het seizoen, de gewenningstijd die nodig is voordat maatregelen effectief zijn en de tijd die nodig is voor de procedure van een omgevingsvergunningsaanvraag. Houdt daarbij ook rekening met de juridische houdbaarheid van het ecologisch onderzoek.

Deskundigheid

De beoordeling van de verwachte aanwezigheid, evenals het veldonderzoek, moet worden uitgevoerd door een ecologische deskundige (zie paragraaf 4.2).

Verkennend en verdiepend onderzoek

Er zijn binnen de context van flora- en fauna-activiteiten twee typen onderzoek naar de aan- of afwezigheid van de haas. Hoeveel en welk onderzoek nodig is, hangt af van de grootte van het plangebied, de uit te voeren activiteiten en de verwachte effecten die daarbij optreden.

De aan- of afwezigheid van de haas in een gebied is aan te tonen door het uitvoeren van:

  • Verkennend onderzoek: de zogeheten quickscan bestaat uit een bureauonderzoek en een verkennend veldonderzoek, zie paragraaf 3.2. Hiermee wordt de geschiktheid van het plangebied en de omgeving daaromheen voor hazen ingeschat. Met dit onderzoek kunnen hazen wel worden aangetoond, maar voor het uitsluiten van hazen of het vaststellen van het aantal hazen is doorgaans verdiepend onderzoek nodig.
  • Verdiepend onderzoek: is noodzakelijk als uit het verkennend onderzoek blijkt dat aanwezigheid van de haas niet kan worden uitgesloten én als de activiteit een negatief effect kan hebben. Dit onderzoek maakt duidelijk of er hazen aanwezig zijn. Zijn hazen aanwezig, dan brengt het onderzoek daarnaast de functionele leefomgeving in kaart en geeft een inschatting van het aantal hazen. Hiervoor is het noodzakelijk de onderzoeksprotocollen in paragraaf 3.3 te volgen.

Omgevingscheck

Het is nodig om bij het onderzoek ook de directe omgeving te beoordelen op geschiktheid en aanwezigheid van hazen. De home ranges van hazen kunnen deels overlappen met het plangebied. Als hazen net buiten de projectgrens worden waargenomen en er geen barrières zijn, is de kans groot dat ook het plangebied binnen de home range van dat individu valt. Ook is het van belang om rekening te houden met de invloed van de activiteiten buiten de exacte planlocatie.

Als laatste is het nodig om te onderzoeken of door het ongeschikt worden van de planlocatie naastgelegen hazenbiotoop geïsoleerd komt te liggen en daardoor (op termijn) ook ongeschikt wordt. Aanwezige hazen in dit aangrenzende gebied moeten dan eventueel worden herplaatst.

Hoe groot deze omgevingscheck moet zijn, hangt af van de aard en duur van de activiteiten, en van de specifieke situatie rond het plangebied.

Verkennend onderzoek

Het verkennend onderzoek schat in wat de geschiktheid van het plangebied en de omgeving daaromheen is voor hazen. Dit wordt ook wel de ecologische quickscan genoemd. De quickscan bestaat uit bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek.

Bureauonderzoek: het gebruik van bestaande gegevens

Om na te gaan of hazen potentieel leven in het plangebied is het belangrijk dat bestaande gegevens worden geraadpleegd. Deze kunnen bestaan uit onderzoeksresultaten van al uitgevoerde projecten, gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), Waarneming.nl of Telmee en provinciale of regionale verspreidingsatlassen. Daarnaast kan de Flora & Fauna Verkenner gebruikt worden om te zien of de haas in een bepaalde omgeving is waargenomen. Voor particulieren die een werkzaamheid aan of rondom het huis (laten) uitvoeren is de Beschermde Soortenindicator (BeSi) te gebruiken als globale inschatting van de aanwezigheid van de soort. Let bij het gebruiken van bestaande gegevens altijd op de (algemene) gebruiksvoorwaarden. Gegevens tot 10 jaar oud, en binnen een straal van 5 kilometer rond de planlocatie kunnen waardevol zijn voor het maken van een inschatting van de potentiële aanwezigheid van de haas.

Het kan zeer zinvol zijn om lokale partijen (zoals agrariërs, agrarische natuurverenigingen, weidevogelcollectieven, lokale wildbeheereenheden of provinciale Faunabeheereenheden) te bevragen over eventueel aanwezige hazen in of in de nabije omgeving van het plangebied.

Bestaande gegevens geven geen uitsluitsel over de afwezigheid van de soort. De afwezigheid van waarnemingen van de soort kan immers ook betekenen dat het gebied slechts beperkt onderzocht is. Er moet daarom altijd, naast het gebruik van de bestaande verspreidingsgegevens, een verkennend veldonderzoek inclusief een beoordeling van het leefgebied plaatsvinden.

Verkennend veldonderzoek: beoordeling van de geschiktheid van het plangebied.

Een verkennend veldonderzoek beoordeelt of het plangebied en de omgeving potentieel geschikt leefgebied is voor de haas. Deze geschiktheidsbeoordeling van het gebied valt jaarrond uit te voeren. Het verkennend veldonderzoek bestudeert of het plangebied (en de directe omgeving) voedsel, dekking en rust zou kunnen bieden voor hazen. Tijdens het verkennend veldonderzoek worden waarnemingen en sporen van de haas geregistreerd. Het verkennend veldonderzoek bepaalt de opzet van een eventueel verdiepend onderzoek, mocht de planlocatie geschikt blijken voor de haas.

Als uit het verkennend onderzoek naar voren komt dat hazen in het plangebied niet uitgesloten kunnen worden is verdiepend (nader) onderzoek (paragraaf 3.3) noodzakelijk om te bepalen op hoeveel hazen negatieve effecten zullen optreden.

In paragraaf 3.4 staan handvatten voor een habitatkwaliteitsbeoordeling, maar dit moet niet worden verward met een geschiktheidsbeoordeling tijdens het verkennend veldonderzoek. De habitatkwaliteitsbeoordeling is gericht op het compensatiegebied en onderzoekt hoe de kwaliteit van de habitat aldaar kan worden geoptimaliseerd.

Verdiepend onderzoek naar hazen in het plangebied

Hazen komen bijna in heel Nederland voor. Buiten het stedelijke gebied zijn hazen eigenlijk nergens op voorhand uit te sluiten en komen ze voor in uiteenlopende biotopen, variërend van open zandgronden, agrarisch landschap tot open bossen met lichtinval en onderbegroeiing. Enkel op basis van habitatkenmerken zijn hazen daarom zelden uit te sluiten. Het uitsluiten van de aanwezigheid van hazen of het bepalen van het aantal hazen moet daarom plaatsvinden door een verdiepend onderzoek, ook wel ‘nader onderzoek’ genoemd.

Als op voorhand al aannemelijk is dat er hazen in het plangebied aanwezig zijn, kan ervoor worden gekozen om zonder voorafgaand verkennend onderzoek direct te starten met verdiepend onderzoek, om zo vast te stellen hoeveel hazen een relatie hebben met het plangebied.

Onderzoeksmethodieken voor het uitsluiten van aanwezigheid van hazen en het tellen van het aantal hazen

Met dezelfde onderzoeksinspanning (verdiepend onderzoek) kunnen hazen worden uitgesloten én is het mogelijk het aantal hazen te bepaald. In navolgende paragrafen worden beide onderzoeksvragen daarom samen behandeld.

Twee methoden voor het verdiepende onderzoek

Het verdiepende onderzoek om hazen uit te kunnen sluiten of aantallen te kunnen bepalen kan op twee manieren:

  • met behulp van een warmtebeeldkijker vanaf strategisch gekozen telpunten;
  • met behulp van een warmtebeeldcamera gekoppeld aan een drone.

Hierna volgen de twee onderzoeksmethoden (subparagrafen 3.3.2 en 3.3.3) voor het bepalen van de aanwezigheid en het aantal hazen in het gebied.

Als hiervan wordt afgeweken, bijvoorbeeld omdat de omstandigheden in het onderzoeksgebied daarom vragen, is het raadzaam tijdig en voorafgaand aan het onderzoek met een uitgewerkt onderzoeksvoorstel contact op te nemen met het bevoegde gezag.

Onderzoeksprotocol 1: een warmtebeeldkijker op strategisch gekozen punten.

De volgende punten zijn van belang bij het gebruik van een warmtebeeldkijker op strategisch gekozen punten:

  • Breng voorafgaand aan een onderzoek alle relevante structuren, zoals greppels en sloten in kaart, dit kan bijvoorbeeld tijdens het verkennend veldonderzoek. Let daarbij op de habitatkenmerken waarvan de haas afhankelijk is, om zo de meest kansrijke plekken te bepalen voor het aantreffen van de haas, met name de open foerageergebieden.
  • Kies voldoende telpunten, waarmee ten minste 90% van het gehele gebied wordt onderzocht met de warmtebeeldkijker. Houd hierbij rekening met hoogteverschillen (zoals greppels), vegetatie of obstakels. Geef deze telpunten (en het getelde oppervlak) ook weer op kaartmateriaal in de onderzoeksrapportage. Kies de telpunten zo, dat er zo min mogelijk obstakels voor het zicht zijn. Zijn er landschapselementen als houtwallen of greppels aanwezig, plaats dan ook telpunten aan de andere zijde. Het aantal gekozen telpunten moet worden afgestemd op het aantal obstakels, de grootte van het onderzoeksgebied en de kwaliteit van de warmtebeeldkijker.
  • Hazen tel je het beste op korte begroeiing (zie figuur 3.1), echter die mag niet diezelfde dag zijn gemaaid. Het gras is dan mogelijk te kort voor hazen en hazen zijn wellicht nog schuw door de verstoring.FIGUUR 3.1
  • Geef aan met welke warmtebeeldkijker het onderzoek is uitgevoerd. Kijkers met een sensor resolutie van 640×480 pixels, een minimale (digitale) vergroting van 2.5x en een NETD-waarde van ≤25 mK, zijn zeer geschikt om hazen op een afstand van 300 meter nog te kunnen onderscheiden van een konijn. Warmtebeeldkijkers met mindere specificaties zijn ook bruikbaar, maar dan kan mogelijk minder ver worden waargenomen en zijn er wellicht meer telpunten nodig.
  • Bezoeken vinden plaats direct vanaf zonsondergang en eindigen – afhankelijk van het aantal telpunten – uiterlijk 120 minuten daarna. Hazen zijn dan het actiefst en bevinden zich vaak in open landschap om te foerageren. Houd er rekening mee dat hazen overdag andere terreingedeelten kunnen gebruiken dan ‘s nachts. De duur van het nachtbezoek vanaf zonsondergang is afhankelijk van de grootte en de kenmerken van het plangebied, en verder ook de omgeving die meegenomen moet worden. Is het plangebied groter dan kan worden onderzocht door één waarnemer binnen 120 minuten, dan moeten of meer waarnemers of meer bezoeken worden ingezet. Is het plangebied kleiner, dan eindigen de observaties eerder.
  • Om de verstoring te minimaliseren en de trefkans van hazen vlak bij hun verblijfplaatsen te vergroten, wordt het tellen vanaf een punt betrouwbaarder geacht dan al langzaam lopend tellen. Besteed ten minste 10 minuten per telpunt aan waarneming. Voorkom verstoring van bijvoorbeeld een zaklamp of door het maken van veel geluid. Een vervoersmiddel om te verplaatsen tussen de telpunten kan wel gebruikt worden, zolang dit geen verstoring geeft waardoor hazen zich gaan verstoppen.
Het beeld van twee hazen op de voorgrond en reeën op de achtegrond, waargenomen met warmtebeeldkijker.

Figuur 3.1: Beeld van zoogdieren, waargenomen met een warmtebeeldkijker. (Foto: RUD Utrecht).

Weersomstandigheden

Het is noodzakelijk de bezoeken plaats te laten vinden bij geschikte weersomstandigheden: (grotendeels) droog, en maximaal windkracht 4 Bft en zonder grondmist, vorst of sneeuw. Wanneer bij slecht weer geen hazen worden waargenomen, kan niet met zekerheid gezegd worden dat de haas afwezig is.

Voor- en nadelen van deze inventarisatiemethode

Het voordeel van het gebruik van een warmtebeeldkijker vanaf telpunten is dat deze methode ingezet kan worden wanneer vliegen met een drone uitgerust met een warmtebeeldcamera niet is toegestaan. Ook is deze methode worden toe te passen op dagen die te warm of te zonnig zijn om met een drone betrouwbare waarnemingen te kunnen doen.

Het nadeel van deze methode is dat er in complexe landschappen op meerdere telpunten gepost moet worden om zo langs alle obstakels te kunnen observeren. Ook hoogteverschillen of hogere begroeiing kunnen waarnemingen bemoeilijken. Terreinen zijn echter niet altijd vanaf alle zijden toegankelijk. Het is dan nodig om door het veld te lopen om ook vanaf de achterzijde te kunnen waarnemen. Dit brengt echter verstoring met zich mee wat de betrouwbaarheid van de observatie kan verminderen. Om verstoring te voorkomen kan ervoor worden gekozen ten minste 15 minuten te wachten op het telpunt, voor de telling op zonsondergang begint.

Een ander nadeel is dat deze methodiek alleen kan worden ingezet tussen zonsondergang en 120 minuten daarna. Het absolute aantal getelde hazen neemt immers af na 120 minuten na zonsondergang.

Onderzoeksprotocol 2: drones met een warmtebeeldcamera

De volgende punten zijn van belang bij het gebruik van een warmtecamera aan een drone:

  • Zorg dat de drone het gehele onderzoeksgebied in rastervorm in beeld brengt, met een percentage overlap tussen de stroken van ongeveer 10%.
  • De veel gehanteerde vlieghoogte van de drone is ongeveer 40 meter, maar het is aannemelijk dat er in de toekomst camera’s worden ontwikkeld die ook vanaf een grotere afstand voldoende scherpe foto’s maken. Noteer daarom het type camera en de gebruikte vlieghoogte. Gebruik een warmtebeeldcamera met een resolutie van 640×480 pixels of hoger.
  • Bezoeken vinden plaats tussen zonsopkomst en zonsondergang, omdat op die momenten zowel warmtebeeld als reguliere luchtfotobeelden beschikbaar zijn, zie figuur 3.2 en 3.3. Zo valt vast te stellen of de waarneming een haas betreft of een ander zoogdier. Tussen zonsopkomst en zonsondergang zijn hazen veel minder actief, maar de trefkans blijft bij het gebruik van een drone met warmtebeeldcamera nog steeds hoog. Omdat een camera aan een drone het beeld van boven weergeeft, vormt niet-houtige vegetatie visueel geen obstakel. Ook inactieve, zich plat-houdende hazen zijn met een drone goed waar te nemen.
Figuur 3.2: beeld van oplichtende haas door warmtebeeldcamera (aan drone)

Figuur 3.2: Beeld van oplichtende haas door warmtebeeldcamera (aan drone)

Figuur 3.3: simultaan gemaakte luchtfoto van betreffende haas.

Figuur 3.3: simultaan gemaakte luchtfoto van betreffende haas.

  • Bezoeken kunnen plaatsvinden zolang de temperatuur van de haas nog voldoende verschilt van de temperatuur van de bodem.
  • De begroeiing hoeft niet kort te zijn bij het gebruik van een drone, maar onder houtige vegetatie worden waarnemingen minder betrouwbaar, omdat warmtestraling wordt belemmerd. Om hazen daar te kunnen uitsluiten of tellen, is bezoek rond zonsopkomst noodzakelijk. Hazen foerageren dan nog in het open terrein naast de bosjes.

Weersomstandigheden

De bezoeken moeten plaatsvinden bij geschikte weersomstandigheden:(grotendeels) droog, met een maximale windkracht 4 van Bft, en zonder grondmist, vorst of sneeuw. Wanneer bij slecht weer geen hazen worden waargenomen, kan niet met zekerheid worden geconcludeerd dat de haas afwezig is. Ook kunnen bezoeken bij te warme momenten van de dag en bij te zonnige omstandigheden niet representatief zijn. De lichaamstemperatuur van de haas is dan moeilijker te onderscheiden van de bodemtemperatuur.

Voor- en nadelen van deze inventarisatiemethode:

Een groot voordeel van het gebruik van een drone met warmtebeeldcamera is dat er geen obstakels zijn die het zicht belemmeren, zoals het geval kan zijn bij een warmtebeeldkijker die vanaf een telpunt wordt gehanteerd. Terreinen met veel hoogteverschillen, obstakels of hogere begroeiing zijn met een drone goed te inventariseren. Ook als percelen vanaf de achterzijde niet toegankelijk zijn of te diep liggen voor het zicht van een in de hand gehouden warmtebeeldkijker, biedt een drone een duidelijke meerwaarde.

Een ander voordeel is dat een drone inactieve, zich plat-houdende dieren goed kunnen opsporen. Er is geen activiteit van de haas nodig. Zelfs jongen zijn hiermee goed op te sporen en zijn vaak te onderscheiden van adulte hazen.

Een nadeel is dat het gebruik van een drone met warmtebeeldcamera ‘s nachts niet is toegestaan en niet op alle terreinen mag worden toegepast (zoals provinciale ganzenrustgebieden of weidevogelkerngebieden, zie de ingestelde no-fly zones (aeret.kaartviewer.nl). Mogelijk is toestemming nodig van (omliggende) terreineigenaren. De vergunning om met een drone te vliegen kan soms beperkend zijn. Ook kan een drone zelf dusdanige verstoring veroorzaken, bijvoorbeeld bij weidevogels, waardoor verbodsbepalingen kunnen worden overtreden.

Periode van inventariseren

Het is noodzakelijk om twee onderzoeksrondes uit te voeren in het voorplantingsseizoen. Met twee bezoeken wordt de aan- of afwezigheid of een aantalsschatting betrouwbaar geacht. Met slechts één bezoek is de steekproef te beperkt. Zijn er tijdens twee bezoeken geen hazen waargenomen, dan zijn deze daarmee uitgesloten. Worden er wel hazen waargenomen, neem dan het hoogste aantal waargenomen hazen als uitgangspunt. Noteer indien mogelijk of de waargenomen haas een adult is of een juveniel.

Het verdiepend onderzoek kan niet in alle maanden van het jaar even effectief plaatsvinden. Om de aanwezigheid van hazen in redelijkheid te kunnen uitsluiten en/of om het aantal hazen te bepalen, zijn twee bezoeken binnen hetzelfde kalenderjaar noodzakelijk met een tussenperiode van minimaal 4 weken:

  • één bezoek in de maanden februari, maart of april;
  • één bezoek in de maanden mei, juni, juli, augustus of september.

Met twee rondes in de maanden februari tot en met september wordt de voortplantingsperiode onderzocht. Hazen laten zich dan het beste zien en bevinden zich vlak bij de voorplantingsplaatsen, zie tabel 3.1.

Geschiktheid van periode van het jaar om onderzoek te doen naar hazen om deze te kunnen uitsluiten en/of het aantal hazen te kunnen bepalen
Janx
Febo
Mrto
Apro
Meioo
Junoo
Juloo
Augxo
Sepxo
Oktx
Novx
Decx
Tabel 3.1: De geschikte onderzoeksperiodes

o: Geschikte periode ronde 1
oo: Geschikte periode ronde 2
xo: Geschikte periode ronde 2, tenzij net geoogst is
x: Geen geschikte periode

 

Met name vroeg in het jaar is de vegetatie nog kort, en is het waarnemen van hazen goed mogelijk. Een bezoek in de maanden februari, maart of april is daarom noodzakelijk. Het tweede bezoek, in de tweede helft van de voortplantingsperiode, geeft een beeld van het aantal hazen wat later in het seizoen. Gewassen zijn dan verder ontwikkeld of al gewisseld waarop de hazen hun aanwezigheid kunnen hebben afgestemd. Ook zijn de eerste jongen dan geboren.

Let op: na de maand juli neemt de kans toe dat er ingrijpende wijzigingen plaatsvinden in het leefgebied van de haas, met name door de oogst van gewassen. Hierdoor kunnen hazen tijdelijk een gebied verlaten. Afwezigheid van hazen in het onderzoeksgebied is, na de oogst, dan mogelijk niet representatief. Wordt ervoor gekozen in juli – september de tweede bezoeksronde te plannen, dan moet worden onderbouwd dat bijvoorbeeld de oogst geen invloed heeft gehad op de betrouwbaarheid van de resultaten.

In de maanden oktober tot en met januari kunnen hazen zich tijdelijk concentreren op akkers met seizoensgebonden teelt. Onderzoeken in deze maanden zijn daarom ongeschikt om hazen uit te sluiten of om het aantal betrouwbaar vast te stellen.

Ongeschikte of minder geschikte methodieken om hazen uit te sluiten of het aantal hazen te bepalen

Zichtwaarnemingen zonder warmtebeeldkijker

Hazen zijn met name nachtactief en laten zich overdag niet altijd gemakkelijk tellen. Vaak zoeken zij overdag dekking en drukken zich in het veld. Dat maakt dat veldonderzoek overdag niet zonder meer voldoende is om de aanwezigheid uit te sluiten. De trefkans is dan te laag.

Onderzoek van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, in samenwerking met Hogeschool Van Hall Larenstein heeft aangetoond dat nachtonderzoek (zonsondergang tot 127 minuten erna) met behulp van een warmtebeeldkijker ruim driemaal zoveel waarnemingen van de haas opleverde dan veldonderzoek gedurende de ochtend of de avond met een verrekijker (Weterings et al., in prep.). Zichtwaarnemingen zonder warmtebeeldkijker zijn daarom minder geschikt om hazen uit te sluiten en niet geschikt om absolute aantallen te bepalen.

Restlichtversterkers

Restlichtkijkers zijn niet geschikt voor onderzoek om hazen te kunnen uitsluiten of om het aantal hazen te kunnen bepalen. Elke vorm van begroeiing vermindert het zicht, terwijl dit bij warmtebeeldkijkers veel minder belemmerend is.

Cameravallen

Eén of enkele cameravallen kan onvoldoende zekerheid geven over de aan- of afwezigheid van de haas en daardoor is het aantal hazen moeilijk te bepalen. Om een gebied te onderzoeken moet het gebied vlak dekkend worden geobserveerd. Door het smalle bereik van de camera is deze methode niet effectief. Er zouden dan veel camera’s moeten worden opgesteld. Cameravallen kunnen wel zeer nuttig zijn bij het bepalen van het gebruik van dammen, brugjes, planken en andere oversteekplaatsen.

Meetprogramma van Netwerk Ecologische Monitoring

Het gebruik van het NEM Meetprogramma Dagactieve Zoogdieren Broedvogel Monitoring Project van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) die ook hazen telt, is gericht op het verzamelen van objectieve en betrouwbare data waarmee de trends van soorten kunnen worden bepaald. Dit meetprogramma is gericht op een trendanalyse en bepaalt relatieve aantallen en is niet zozeer gericht op het uitsluiten van aanwezigheid van soorten, of het bepalen van het absolute aantal van een soort. Daarom is deze methodiek niet geschikt voor het aantonen van de afwezigheid van de haas of voor het in beeld brengen van de absolute omvang van de populatie.

Trendtellingen Jagersvereniging

Het telprotocol van de Jagersvereniging met warmtebeeldkijker is gericht op een trendanalyse en niet op het volledig in kaart brengen van alle hazen. Het betreft één telling die enkel in april plaatsvindt. De apriltelling kan bruikbaar zijn als eerste bezoeksronde, mits deze exact wordt uitgevoerd zoals beschreven in het protocol van subparagraaf 3.3.2. Dit betekent bijvoorbeeld dat er geen gebruik kan worden gemaakt van een vervoersmiddel tijdens het tellen en dat er 10 minuten moet worden gepost vanaf vaste telpunten.

Habitatkwaliteitsbeoordeling van het compensatiegebied

Als er hazenleefgebied verloren gaat, kan het nodig zijn elders hazenhabitat te compenseren. Dat kan een compensatiegebied zijn dat aangrenzend is aan het plangebied, maar het kan ook een compensatiegebied op grotere afstand zijn. Of een compensatiegebied nu aangrenzend is of verder weg, beide worden hierna aangeduid als ‘compensatiegebied’.

Gebied dat mogelijk als compensatiegebied kan worden benut, is doorgaans al bewoond door hazen. Te verplaatsen hazen kunnen daar niet in grote aantallen worden bijgeplaatst, zonder dat eerst het gebied verbeterd wordt. Zonder verbetering kan er namelijk voedselconcurrentie optreden. Mogelijk kunnen de bijgeplaatste hazen tijdelijk overleven, maar worden er in het jaar daarna minder jongen grootgebracht, of vindt er meer dispersie plaats. Hierdoor is er geen feitelijke toename van het aantal hazen in het beoogde gebied. De draagkracht van het compensatiegebied moet daarom doorgaans worden verhoogd om ruimte te bieden aan zowel de aanwezige als de bij te plaatsen hazen.

Een habitatkwaliteitsbeoordeling is bedoeld om habitat in het compensatiegebied te beoordelen. Met de habitatkwaliteitsbeoordeling valt te bepalen welke ‘knelpunten’ of ‘drukfactoren’ in dit gebied aanwezig zijn voor de hazenpopulatie en in hoeverre dit gebied met oog op die knelpunten kan worden geoptimaliseerd. Een analyse van een ecologische deskundige is hiervoor noodzakelijk.

Als in een gebied het gebrek aan dekking het knelpunt is, heeft het aanbieden van meer of alternatief voedsel weinig effect. Voedsel is immers niet het knelpunt. Het gebied heeft dan meer dekking nodig. Het achterhalen van de knelpunten in het compensatiegebied is daarom noodzakelijk. Vaak zijn er meerdere factoren beperkend voor de hazenstand. De maatregelen die genomen worden in het compensatiegebied zijn daarom doorgaans een combinatie van maatregelen die afgestemd zijn op de knelpunten en drukfactoren op de locatie en de omgeving.

Het is van belang om na te gaan hoe het compensatiegebied zich verhoudt ten opzichte van het onderzochte plangebied. Door deze twee gebieden met elkaar te vergelijken op de in deze paragraaf toegelichte parameters kan een redelijke inschatting worden verkregen van de geschiktheid en optimalisatiemogelijkheden van het compensatiegebied.

Variabelen voor de habitatkwaliteitsbeoordeling

In onderstaande lijst is uitgewerkt welke variabelen grofweg bepalend kunnen zijn voor de draagkracht van het compensatiegebied.

Om een zo optimaal mogelijk habitat te vormen, moet leefgebied:

  1. jaarrond voldoende kwalitatief voedselbeschikbaar hebben;
  2. voldoende dekking bieden;
  3. voor hazen geen

    barrières

    bevatten die tot sterfte leiden;
  4. meerdere plekken bevatten waar hazen een rustgebied kunnen vinden dat vrij is van verstoring;
  5. geen tot een zeer lage jachtdruk hebben.

Bij een habitatkwaliteitsbeoordeling wordt beoordeeld in hoeverre de variabele mogelijk beperkend kan zijn. In de paragrafen 3.4.2 tot en met 3.4.6 is per variabele de schaal geschetst tussen de ongunstige en optimale situaties met enkele beelden ter illustratie. Deze beschrijving is illustratief en niet volledig.

Variabele 1: Voedsel

Mate van (jaarrond) voedselaanwezigheid en variatie aan vegetatiesoorten.

Ongunstige situaties:

  • terreinen met veel bebouwing, wegen of andere verharding, zoals bedrijfsterreinen of ruim opgezette woongebieden;
  • akkers met uitsluitend monoculturen (bijvoorbeeld maïs, aardappelen, gras voor veevoer) met beperkte voedseldiversiteit en een gebrek aan voedsel na de oogst (zie figuur 3.4);
  • naaldbossen of dichte loofbossen.
Omgeploegde akker na de oogst. Door het ontbreken van vegetatie is er nu geen voedsel aanwezig.

Figuur 3.4: Omgeploegde akker na de oogst met enkel seizoensgebonden voedsel.

Matige situaties:

  • grote monotone gemaaide percelen met Engels raaigras;
  • akkerbouw met enkel aan de randen wat ruigte;
  • gemengde bossen, parklandschap, open loofbos;
  • groene in ontwikkeling zijnde bedrijfsterreinen of woongebieden met veel braakliggende gronden of extensief beheerde percelen;
  • grootschalige graanvelden.

Goede tot optimale situaties:

  • kruidenrijke graslanden met begrazing of extensief maaibeheer;
  • kleinschalige graanvelden met klaver, met afwisseling in de oogstperiode;
  • braakliggende percelen;
  • mozaïeklandschap met verschillende vegetatiesoorten en gewassen die jaarrond gevarieerd voedsel bieden;
  • onverharde paden met brede bermen met gras en diverse kruidenrijke begroeiing zonder intensief gebruik;
  • kruidenrijke jaarrond aanwezige wildakkers (zie figuur 3.5).
Foto van halfhoog grasland met veel paarse en gele bloemen.

Figuur 3.5: Kruidenrijke wildakker.

Variabele 2: Dekking

Mate van aanwezigheid van heggen, ruigtestroken of ruigtehoekjes, (lijnvormige) beplanting, perceelranden, slootkanten, greppels, oeverbegroeiing of reliëf.

Ongunstige situatie:

  • geëgaliseerde graspercelen zonder kuilen, reliëf en graspollen met weinig structuren in het veld zoals greppels, ongemaaide slootkanten of perceelranden met dekking gevende begroeiing (zie figuur 3.6).
Foto van een haas op een perceel met weinig tot geen structuren zoals greppels, sloten of hagen.

Figuur 3.6: Haas op zeer vlak terrein zonder dekking.

Matige situaties:

  • grote vlakke gemaaide percelen zonder gewassen of hogere begroeiing met enkel aan de rand een smalle houtwal, heg of ruigtestrook;
  • zeer open graspercelen met greppels en microreliëf, maar met intensief gebruik;
  • akkers zonder perceelranden, greppels of hagen, maar met dekking tussen de gewassen;
  • dichte vegetatie zonder open stukken. Hazen houden ook weer niet van te dichte begroeiing.
Goede tot optimale situaties:
  • open/halfopen mozaïeklandschap met de aanwezigheid van houtwallen en greppels (zie figuur 3.7);
  • begraasde weilandpercelen met veel graspollen;
  • percelen met aan de rand watergangen met begroeide natuurvriendelijke oevers en greppels.
Foto van een groen landschap vol met hagen, greppels en reliëf.

Figuur 3.7: Houtwallen of lage dichtheden aan struiken en bomen verspreid in het open landschap.

Variabele 3: Barrières

Mate van aanwezigheid van wegen, brede watergangen of watergangen met steile of beschoeide oevers, rasters of bebouwing.

Ongunstige situaties:

  • habitat die wordt begrensd en doorsneden door veel barrières, zoals snelwegen, provinciale wegen, hekwerken en beschoeide watergangen met een groot risico op sterfte (zie figuur 3.8);
  • bebouwing die uitwisseling tussen populaties belemmeren. Met een grote dichtheid van gebouwen is het gebied niet of nauwelijks geschikt voor hazen, bijvoorbeeld stedelijk gebied en terreinen met distributiecentra.
Foto van een landschap wat is doorsneden door watergangen, wegen en bebouwing.

Figuur 3.8: Landschap dat is doorsneden door watergangen, wegen en bebouwing.

Matige situaties:

  • gebieden met barrières die de populatie belemmeren om te groeien of uitwisseling te hebben met naastgelegen populaties. Het gebied tussen de barrières is nog wel groot genoeg om de komende jaren een hazenpopulatie te ondersteunen, en enige genetische uitwisseling is mogelijk. Door alle belemmeringen is het onzeker of er een duurzame populatie kan blijven bestaan;
  • gebieden met barrières die leiden tot sterfte. Dit kan bijvoorbeeld door de aanwezigheid van lokale wegen met een hoge verkeersintensiteit of watergangen die niet risicoloos kunnen worden overgestoken (zie figuur 3.9).
Foto van een watergang met aan één zijde een natuurvriendelijke oever en aan de andere zijde een steile oever.

Figuur 3.9: Watergang met aan één zijde een natuurvriendelijke oever en aan de andere zijde een steile oever.

Goede tot optimale situaties:

  • gebieden zonder barrières die een obstakel vormen voor de aanwezige hazen of voor de dispersie van jongen. Zo zijn hekwerken afwezig. Lintbebouwing vormt geen barrière voor hazen om te bewegen tussen delen van het hazenleefgebied door voldoende ruimte tussen de bebouwing. Bijvoorbeeld door niet afgesloten tuinen, weide voor paarden of ander hobby vee bij woonhuizen;
  • gebieden met watergangen en wegen die voor weinig slachtoffers zorgen. Watergangen zijn minder dan 3 meter breed zonder steile of beschoeide oevers en oevers zonder hoge vegetatie waardoor de haas er overheen kan springen of uit kan klimmen na het overzwemmen (zie figuur 3.10);
  • aanwezige barrières tussen hazenhabitat en woonwijken die in het voordeel van de haas werken door honden en katten uit woonwijken of erven te weren. Ook voorkomen deze aanwezige barrières snelle verspreiding van ziekten.
Foto van een groen landschap waar een rivier doorheen meandert. Deze rivier functioneert waarschijnlijk als een natuurlijke grens van een home range maar kan hij oversteken mocht dat nodig zijn.

Figuur 3.10: Groen landschap waar een rivier doorheen meandert. Deze rivier functioneert waarschijnlijk als een natuurlijke grens van een home range, maar kan door een haas worden overgestoken.

Variabele 4: Verstoring

De mate en frequentie van menselijke verstoring in cruciale periodes voor de haas. De verstoring kan bestaat uit recreatie, loslopende honden of katten, evenementen, maar ook een hoge maaifrequentie, oogst en grondbewerking et cetera.

Ongunstige situaties:

  • gebied met veel bebouwing, veel wandel- of fiets-recreanten en verkeer en periodieke evenementen in de voortplantingstijd;
  • intensieve landbouw met weinig ruimte voor natuur en met een hoge maaifrequentie in het voortplantingsseizoen;
  • drukbezocht hondenlosloopgebied;
  • uitloop van huiskatten uit een nabijgelegen woonwijk of hoge dichtheid van (verwilderde) katten rond erven.
Foto van een grasperceel waar het net gemaaide gras wordt afgevoerd door een machine. Voor de machine uit vlucht een haas.

Figuur 3.11: Haas op een grasperceel waar het net gemaaide gras wordt afgevoerd door een machine.

Matige situaties:

  • een agrarisch gebied met wegen met een hoge verkeersintensiteit;
  • buitengebied met de aanwezigheid van wandelaars of fietsers met honden binnen de voortplantingstijd en evenementen buiten de voortplantingstijd;
  • graslanden of akkerpercelen met een matige verstoring door landbouwmachines;
  • buitengebied met aanwezigheid van(verwilderde) katten.
Foto van een haas op een weg waar een auto vlak achter de haas rijdt.

Figuur 3.12: Verkeer vormt een risico op aanrijdingen en is een bron van stress voor de haas.

Goede tot optimale situaties:

  • groenstroken tussen glastuinbouw;
  • extensieve, natuurvriendelijke of biologische landbouw of natuur. Geen maai- of oogstfrequentie in het voortplantingsseizoen, weinig verkeer en recreatie (zie figuur 3.13). Beweiding met lage dichtheid aan vee, geen afzet van kunst- of drijfmest;
  • terreinen waar geen evenementen plaatsvinden en afwezigheid van recreatie;
  • buitengebied dat ontoegankelijk is voor honden en katten. De aanwezigheid van honden en katten wordt beperkt tot een erf.
Afbeelding van een groot vlak halfhoog kruidenrijk grasland tussen graspercelen in.

Figuur 3.13: Natuurstrook met halfhoog kruidenrijk grasland tussen graspercelen in.

Variabele 5: Jachtdruk

De mate van jachtdruk in en om het compensatiegebied.

NB: Deze variabele is sterk afhankelijk van de beslissing van de minister om jacht op de haas toe te staan. Op het moment van opstellen van dit kennisdocument geldt een jachtverbod voor de haas in de provincies Groningen, Limburg en Utrecht. Dit betekent niet dat er helemaal geen hazen geschoten mogen worden; het is mogelijk een vergunning aan te vragen voor de jacht op haas, in het kader van schadebestrijding. Desalniettemin zal door dit jachtverbod in deze provincies deze variabele een minder grote rol spelen in de habitatkwaliteitsbeoordeling. Voor de toekomst kan deze variabele in deze provincies wel relevant worden.

Ongunstige situatie:

  • grootschalige hazenjacht in en om het compensatiegebied ten behoeve van beheer en schadebestrijding (zie figuur 3.14). Het percentage geschoten hazen is meer dan 30% van de populatie.
Foto van 6 jagers met geweren en drie jachthonden die in een lijn de hazen opdrijven.

Figuur 3.14: Jagers die hazen opdrijven.

Matige situatie:

  • hazenjacht die enkel het oogstbare percentage betreft om de populatie in een stabiele trend te houden (zie figuur 3.15). Hiervoor is specifieke kennis van de populatiegrootte en trend van de hazenpopulatie, bijvoorbeeld door uitbraken van (infectie-)ziekten, ter plaatse nodig. Is deze niet bekend dan kan grofweg uitgegaan worden van een oogstbaar percentage van 10% bij een dichtheid van 45 hazen per vierkante kilometer, met een ondergrens waarbij de jacht gestopt zou moeten worden bij een dichtheid van 15 hazen per vierkante kilometer. De lokale Wildbeheereenheid monitort de populatie en neemt maatregelen om de populatie te versterken.
Foto van twee jagers met een jachthond in de ochtendmist.

Figuur 3.15: Jagers in de ochtendmist

Goede tot optimale situatie:

  • geen hazenjacht in en om het compensatiegebied.

Onderzoeksinspanning bij de habitatkwaliteitsbeoordeling van het compensatiegebied

Welke onderzoeksinspanning nodig is om de kwaliteit van habitat in een compensatiegebied te kunnen beoordelen, hangt af van de omvang en de situatie in het gebied. Er is ten minste één veldbezoek in het compensatiegebied nodig waarmee een gebiedsinschatting en een gebiedsbeschrijving gemaakt kunnen worden. Ook kunnen tijdens het veldbezoek foto’s van het gebied worden gemaakt. Mogelijk is aanvullend veldonderzoek nodig naar bijvoorbeeld barrières, zoals beschoeide watergangen of aanwezigheid van hekken. Ook het in beeld brengen van (extra) predatie door katten en honden vergt wellicht een grotere onderzoeksinspanning dan één veldbezoek.

Aanvullend op het veldonderzoek is een bureauonderzoek over het compensatiegebied noodzakelijk naar de inrichting van het gebied, de structuren die dekking en/of voedsel bieden, de vegetatie, het landgebruik, welke gewassen worden geteeld, welke barrières er zijn en hoe deze kunnen worden ontsloten, en welke jachtdruk en predatiedruk er aanwezig kan zijn, et cetera. Dit bureauonderzoek is vergelijkbaar met een bureauonderzoek naar hazen in een plangebied (paragraaf 3.2), maar richt zich specifiek op de variabelen van de habitatkwaliteitsbeoordeling.

Voor het bureauonderzoek zijn verschillende bronnen te raadplegen, zoals:

  • Topografische kaarten;
  • Satellietbeelden en luchtfoto’s;
  • Basisregistratie Gewaspercelen (BRP);
  • Leggerkaarten van waterschappen;
  • Gegevens van wegbeheerders;
  • Hoogtekaarten;
  • (Afschot)gegevens opvragen bij de Faunabeheereenheid.

Met dit veldonderzoek en bureauonderzoek valt in te schatten welke variabelen verbeterd kunnen worden.

Uitkomst van de habitatkwaliteitsbeoordeling:

De uitkomst van de habitatkwaliteitsbeoordeling is een kwalitatieve beschrijving van het compensatiegebied door een ecologische deskundige, waarbij wordt aangegeven welke variabelen in de habitat beperkend zijn voor de hazenaantallen. Met deze beoordeling kan vervolgens een voorstel worden uitgewerkt om het gebied te optimaliseren, gericht op het verbeteren van de beperkende variabelen.

Het is moeilijk vast te stellen hoeveel de draagkracht kan worden verhoogd door het nemen van optimalisatiemaatregelen. Een ecologische deskundige zal moeten inschatten hoeveel geschikter het gebied wordt en hoeveel de dichtheid aan hazen in potentie minimaal kan toenemen.

Bepalen van de invloed van de activiteit op de staat van instandhouding

Vanuit de Omgevingswet dienen soorten een gunstige staat van instandhouding te behouden of moet deze worden hersteld. De staat van instandhouding wordt gevormd door: de verspreiding, de populatiegrootte, de kwantiteit en kwaliteit van het leefgebied en het toekomstperspectief van deze drie parameters (zie paragraaf 2.6 voor een introductie). De impact van de ingreep op de haas bepaalt in hoeverre de staat van instandhouding in het geding is. Hiervoor is het nodig om het effect van de activiteiten op de staat van instandhouding van de haas te onderzoeken.

Landelijke staat van instandhouding

In 2022 heeft Wageningen Environmental Research de landelijke staat van instandhouding voor de haas beoordeeld (Ter Harmsel et al., 2022). Hieruit kwam naar voren dat door afname van het aantal hazen ten opzichte van het referentiejaar 1994 (parameter ‘Populatie’) de staat van instandhouding is ingeschat als zeer ongunstig, zie tabel 3.2. Het geschat aantal hazen in 2022 (201.000 tot 538.000 dieren) was lager dan het gestelde referentieaantal in 1994 (279.000 tot 744.000 dieren). De parameters ‘Leefgebied’ en het ‘Verspreidingsgebied’ (zie paragraaf 1.4) zijn beoordeeld als gunstig, en het ‘Toekomstperspectief’ was onbekend.

ParameterSvI
VerspreidingsgebiedGunstig
PopulatieZeer ongunstig
LeefgebiedGunstig
ToekomstperspectiefOnbekend
Totaalbeoordeling SvIZeer ongunstig
Tabel 3.2 Beoordeling staat van instandhouding Haas door Wageningen Environmental Research (2022).

 

Schaalniveaus staat van instandhouding

In relatie tot de staat van instandhouding moet voor alle schaalniveaus – lokaal, regionaal en landelijk – zekerheid zijn dat er geen negatief effect is op de haas. Van activiteiten die enkel lokaal plaatsvinden, wordt in de regel enkel de invloed op de lokale staat van instandhouding onderzocht. Is er lokaal geen effect, dan zijn effecten op een groter schaalniveau worden uitgesloten. Activiteiten die meerdere deelpopulaties van de haas raken, worden regionaal onderzocht.

Informatie over de verschillende onderdelen van de staat van instandhouding is te vinden bij verschillende organisaties, zoals de Zoogdiervereniging (NEM-meetprogramma), provincies, Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Compendium voor de Leefomgeving (CLO) en de lokale netwerken.
Meer inzicht in de lokale of regionale populatieontwikkeling is mogelijk te verkrijgen door gebruik te maken van ecologisch relevante gegevens uit bijvoorbeeld de NDFF, geschreven (inventarisatie)rapporten, mededelingen uit het Netwerk Ecologische Monitoring of van het CBS.

Beoordeling effect op staat van instandhouding door de activiteit

De landelijke beoordeling van de staat van instandhouding door de WUR kan helpend zijn om bij een activiteit te toetsen of de staat van instandhouding van de haas verslechterd of niet. Daarom worden de parameters die samen de staat van instandhouding bepalen hieronder toegelicht.

Voor de haas is enkel de parameter ‘Populatie’ beoordeeld als zeer ongunstig. Lokaal kunnen er echter andere parameters dan enkel ‘Populatie’ onder druk staan. Daarom is het aan te raden ook te onderzoeken of de activiteit effect heeft op de parameters ‘Verspreiding’, ‘Leefgebied’ en ‘Toekomstperspectief’.

Bepalen impact op parameter ‘Populatie’

Ten aanzien van de parameter ‘Populatie’ geldt dat deze in 2022 landelijk is beoordeeld als zeer ongunstig. Met behulp van het verdiepende onderzoek in het plangebied kan in beeld worden gebracht hoe groot de populatie in het plangebied is. Ecologisch relevante verspreidingsgegevens uit bijvoorbeeld de NDFF of uit de al beschikbare (inventarisatie)rapporten geven mogelijk meer inzicht in de populatieontwikkeling ter plaatse.

Omdat de parameter ‘Populatie’ landelijk als ongunstig is beoordeeld, is het van belang om te voorkomen dat het aantal hazen door de activiteit verder daalt. Als het aantal hazen lokaal behouden kan blijven, tijdens en na de activiteiten, dan wordt deze parameter lokaal niet negatief beïnvloed. Als een activiteit ertoe leidt dat leefgebied verdwijnt, verdwijnen ook de daar aanwezige hazen en daalt de populatie. Om te voorkomen dat de populatieaantallen dalen kunnen hazen worden herplaatst. Het behouden van het aantal hazen is wellicht mogelijk door het omliggende gebied, of een compensatiegebied, te optimaliseren (zie paragraaf 4.8) zodat de hazen die moeten worden herplaatst zich daarbij kunnen voegen. Als het aantal hazen in dat geval niet afneemt, is een negatief effect op de populatieaantallen en daarmee de staat van instandhouding niet te verwachten.

Neemt het aantal hazen wel af, dan is het mogelijk nog om te onderzoeken of hiermee het aantal hazen landelijk onder de gunstige referentiewaarden (279.000 tot 744.000, zoals bepaald door de WUR) komt. Het aantal hazen op landelijk niveau wordt geschat en daaromheen zitten grote betrouwbaarheid-intervallen. Lokale schommelingen of afnames vallen hierbij mogelijk in het niet.

Neemt de populatie door de activiteit fors af, dan komt deze parameter mogelijk wel in het geding. Het bepalen van gunstige referentiewaarden per provincie is op basis van de methodiek van de WUR te overwegen.

Bepalen impact op parameter ‘Verspreiding’

Ten aanzien van de parameter ‘Verspreiding’ geldt dat deze in 2022 landelijk is beoordeeld als gunstig. De verspreiding van de haas is niet achteruitgegaan. Hier wordt de aanwezigheid van de haas in 10×10 km-hokken beoordeeld. Uitgangspunt is dat de haas niet verdwijnt uit een 10x10km-hok. Als door een activiteit hazen verdwijnen uit het plangebied, dan moet worden onderzocht of hazen elders in het resterende leefgebied in het 10×10-km wel behouden kunnen blijven. Met behulp van een habitatkwaliteitsbeoordeling, zie paragraaf 3.4, kan zo goed mogelijk worden ingeschat wat het belang is van het resterende gebied in het 10x10km-hok voor de populatie van de haas. In grote lijnen kunnen drie situaties gelden:

  1. Er is sprake van een gebied van dusdanige omvang en kwaliteit dat er zich op langere termijn een duurzaam levensvatbare populatie kan bevinden.
  2. Er is sprake van een gebied waar zich een levensvatbare populatie bevindt. De duurzaamheid op langere termijn hiervan is alleen mogelijk als dit gebied in verbinding staat met andere gebieden/populaties.
  3. Er is sprake van een gebied waarop zichzelf waarschijnlijk geen duurzame populatie kan standhouden, maar het gebied maakt wel deel uit van een netwerk aan gebieden, die gezamenlijk op langere termijn een duurzame populatie mogelijk maken.

Als er een duurzame populatie in het betreffende 10×10 km-hok kan blijven bestaan, dan wordt de parameter ‘Verspreiding’ lokaal niet negatief beïnvloed. Komt de populatie in het 10×10 km-hok in de knel, dan moet nader onderzocht worden welke invloed dit heeft op de verspreiding van de haas en of hiermee de minimaal gewenste omvang van het verspreidingsgebied van de haas wordt aangetast. Deze bezetting van de 10x10km-hokken mag volgens beoordeling van de WUR niet lager worden dan 451 10×10 km-hokken. Dit is door de WUR beoordeeld als de referentiewaarde voor de minimaal gewenste omvang van het verspreidingsgebied (Favorabele Reference Range).

Bepalen impact op parameter ‘Leefgebied’

De kwaliteit van het leefgebied is door de WUR in 2022 nog als ‘gunstig’ beoordeeld, maar er wordt wel aangegeven dat de kwaliteit van het leefgebied, in combinatie met de menselijke activiteiten, onder druk staat. Als een activiteit een negatief effect heeft op de kwaliteit van het leefgebied, kan dit invloed hebben op de lokale staat van instandhouding. Echter, het is voor de haas niet moeilijk om de kwaliteit van het leefgebied te verbeteren. Hoe (resterend) leefgebied van de haas valt te optimaliseren, staat uitgewerkt in paragraaf 4.8. Als de kwaliteit van het resterende leefgebied van de lokale populatie voldoende kan blijven, bijvoorbeeld door het nemen van optimalisatiemaatregelen, dan wordt de parameter ‘Leefgebied’ niet negatief beïnvloed.

Parameter ‘Toekomstperspectief’

De parameter ‘Toekomstperspectief’ analyseert de parameters ‘Populatie’, ‘Verspreiding’ en ‘Leefgebied’ door naar de toekomst te kijken. Het toekomstperspectief is als ‘goed’ beoordeeld met het oog op de parameter ‘Verspreiding’. Ten aanzien van de parameter ‘Populatie’ en ‘Leefgebied’ is het toekomstperspectief beoordeeld als ‘onbekend’, omdat het onzeker is of het herstellen van een gunstige situatie ook zal worden gehaald. Daarom is het van belang om maatregelen ten gunste van de populatie en het leefgebied duurzaam te borgen. Hierbij wordt aangeraden om ten minste voor een termijn van 5 jaar het beheer van de genomen maatregelen te borgen. Daarna zal aan de hand van de staat van instandhouding op dat moment beoordeeld moeten worden of een langere tijdshorizon valt te hanteren dan de genoemde 5 jaar.

Mogelijke maatregelen ten gunste van de soort

Inleiding

In dit hoofdstuk worden een aantal voorbeelden van maatregelen ten gunste van de haas genoemd. Dit zijn maatregelen die in aanmerking kunnen komen op het moment dat ruimtelijke activiteiten negatieve effecten op hazen kunnen hebben. Het nemen van één of meer van die maatregelen kan negatieve effecten van de activiteiten voorkomen of verkleinen.

In alle gevallen is maatwerk nodig. Een ecologische deskundige bepaalt wanneer, waar, welke en hoeveel maatregelen in het specifieke project getroffen moeten worden. Het bevoegd gezag toetst vervolgens de maatregelen op hun effectiviteit. Mogelijk komen er ook maatregelen in aanmerking die hier niet ter sprake komen, maar die het bevoegd gezag wel als effectief ziet. Het is van belang een goede onderbouwing te geven op schrift, waarom de te nemen maatregelen in het specifieke geval effectief zullen zijn. De aanpak kan dus afwijken van wat in het kennisdocument staat beschreven, mits ecologisch goed kan worden onderbouwd dat de betreffende maatregelen geen effecten hebben die negatiever zijn dan de richtlijnen in het kennisdocument aangeven.

De te nemen maatregelen kunnen meer algemeen van aard zijn, gericht op het zorgvuldig handelen, maar het kunnen ook mitigerende of compenserende maatregelen zijn. Het uiteindelijke doel en beoordelingskader is het garanderen van de gunstige staat van instandhouding van de aanwezige populatie. De maatregelen dienen dan ook zo opgesteld en uitgevoerd te worden dat ze in alle gevallen de instandhouding waarborgen. Een kleine ingreep kan ook een groot aantal individuen treffen, bijvoorbeeld als een ingreep een hele populatie vernietigt of een essentiële verbinding tussen populaties onderbreekt. Maatregelen moeten, net als effectbeoordelingen, worden beschouwd vanuit de context van het plangebied. Hierbij moet rekening worden gehouden met cumulatieve effecten.

Uitgangspunt van de mitigerende of compenserende maatregelen is dat de populatie hazen duurzaam in stand kan blijven. Een kwantitatieve afname van het leefgebied kan in bepaalde gevallen gecompenseerd worden door op een kleinere oppervlakte de kwaliteit van het leefgebied te verhogen. Een gedegen habitatbeoordeling van het leefgebied dat verloren gaat, is noodzakelijk voor de bepaling van de compensatieopgave.

De in dit hoofdstuk beschreven maatregelen zijn voorbeelden. Ze kunnen houvast bieden en een hulpmiddel zijn bij het samenstellen van maatregelen om de effecten op de haas te voorkomen, te verzachten of te compenseren.

Elk gebied en alle activiteiten zijn uniek. De genomen maatregelen betreffen altijd maatwerkmaatregelen. Afwijken van de genoemde maatregelen is mogelijk, mits een onderbouwing gegeven wordt waarom gekozen is voor andere maatregelen. De ecologische deskundige levert deze onderbouwing aan.

De volgende maatregelen worden hierna per paragraaf nader toegelicht:
4.2 Inschakelen ecologische deskundige
4.3 Behouden van onderdelen van het leefgebied
4.4 Werken buiten kwetsbare periodes
4.5 Aanpassen werkwijze of werkvolgorde
4.6 Faseren activiteiten in ruimte en tijd
4.7 Hazen tijdig weren uit het plangebied
4.8 Realiseren van nieuw leefgebied en verbeteren habitat in bestaand leefgebied
4.9 Opheffen of voorkomen van barrières
4.10 Opstellen ecologisch werkprotocol
4.11 Monitoring

Inschakelen ecologische deskundige

Maatregel

De activiteiten worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van hazen (ecologische deskundige).

Kader maatregel

Zorgplicht/zorgvuldig handelen.

Uitleg

Bij alle beschermde soorten geldt dat zowel het onderzoek, beoordelen van de effecten en het overwegen van mitigerende en compenserende maatregelen moet worden uitgevoerd door een deskundig ecoloog op het gebied van de soorten. Ook ten aanzien van de haas geldt deze deskundige-eis.

Onder een ecologische deskundige wordt een persoon verstaan die, voor de situatie waarvoor diegene gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soort-specifieke ecologie van de haas. Daarvoor moet de ecologische deskundige voldoen aan minimaal de eerste twee van de hieronder genoemde vereisten, en eventueel aan één van de overige punten. Een ecologische deskundige:

  1. heeft minimaal drie jaar ervaring met het uitvoeren van soortgericht onderzoek onder begeleiding van een ervaren ecoloog;
  2. bezit soort-specifieke kennis over de leefwijze en het gedrag van hazen door bijvoorbeeld veldwerk, onderzoek, studie of opleiding;
  3. heeft een voltooide opleiding op hbo- dan wel universitair niveau met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie;
  4. heeft een voltooide opleiding op mbo-niveau met als zwaartepunt natuurwetgeving, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van de soorten om wie het gaat;
  5. werkt als ecoloog voor een ecologisch onderzoeksbureau, bijvoorbeeld een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus;
  6. laat actieve inzet zien op het gebied van de soortenmonitoring en/of bescherming en is aangesloten bij de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals de Zoogdiervereniging).

Het behouden van onderdelen van het leefgebied

Maatregel

Leidt een activiteit tot het aantasten (van onderdelen) van het leefgebied van de haas, maak dan een zorgvuldige afweging of de activiteit ook uitvoerbaar is zonder dat de aantasting plaatsvindt. Ook het niet uitvoeren van de activiteit is een optie.

Kader maatregel

Zorgplicht/zorgvuldig handelen, behoud functionaliteit.

Uitleg

De haas is gevoelig voor het verlies van leefgebied. Het behouden van het leefgebied en de functionaliteit daarvan is het uitgangspunt bij het uitvoeren van ruimtelijke activiteiten. Onderzoek voorafgaand aan de activiteiten welke structuren in het gebied van belang zijn voor de haas. Stem de activiteiten daarop af. Een fietspad aanbrengen op de plek waar voorheen een lijnvormige structuur met dekking was, heeft meer negatieve impact op het leefgebied dan een fietspad op enige afstand van deze belangrijke structuur. Zoek voorafgaand aan de uitvoering uit welke alternatieven er zijn in de inrichting om belangrijke structuren voor de haas zo veel mogelijk te ontzien om de kwaliteit van het gebied voor de haas zo veel mogelijk te behouden.

Voorkom ook het toevoegen van barrières in het hazenleefgebied, anders komt leefgebied buiten het plangebied geïsoleerd te liggen en verliest het zijn geschiktheid (op den duur).

Let bij deze maatregel op de aantasting van leefgebied op de lange termijn. Als in de loop der tijd het leefgebied als geheel steeds weer iets aangetast wordt, kan dit op termijn een effect hebben op de lokale populatie (cumulatie).

Werken buiten kwetsbare periodes

Maatregel

Activiteiten die negatieve effecten kunnen hebben op hazen worden in principe uitgevoerd buiten de kwetsbare periodes van de haas.

Kader maatregel

Zorgplicht/zorgvuldig handelen, behoud functionaliteit.

Uitleg

Een ecologische deskundige kan onderbouwd beoordelen of en wanneer de activiteiten kunnen plaatsvinden. Deze beoordeling is afhankelijk van de invloed van de activiteiten op essentiële elementen uit het leefgebied van de haas of op de haas zelf. Door de activiteiten buiten de kwetsbare periode uit te voeren, kunnen effecten op deze elementen gemitigeerd of zelfs voorkomen worden.

Hazen gebruiken hun gebied jaarrond en er is dan ook voor adulte hazen geen kwetsbare of minder kwetsbare periode voor ruimtelijke activiteiten aan te wijzen. Hetzelfde geldt voor activiteiten die alleen effect hebben op het leefgebied (foerageergebied, dekking en verbindingen hiertussen) van hazen.

Jonge hazen zijn echter kwetsbaar vanaf het moment van hun geboorte tot ze ongeveer een maand oud zijn. Dat is de periode waarin ze worden gezoogd en nog weinig mobiel zijn. Jongen zijn vanaf februari tot en met september te verwachten. De genoemde periodes kunnen eerder of later beginnen of eindigen, afhankelijk van de weersomstandigheden voorafgaand aan en tijdens de voortplantingsperiode. In tabel 4.1 is aangegeven wanneer jonge hazen in het plangebied aanwezig kunnen zijn.

Gevoeligheid Hazen
Janoo
Febx
Mrtx
Aprx
Meix
Juno
Julo
Augo
Sepo
Oktoo
Novoo
Decoo
Tabel 4.1: Globaal overzicht van periodes waarin activiteiten die een verblijfplaats of daaraan gerelateerde functie(s) van jonge hazen aantasten, al dan niet uitgevoerd kunnen worden.

x: Geen ruimtelijke activiteiten uitvoeren die negatieve effecten hebben op hazen
o: Ruimtelijke activiteiten alleen uitvoeren als uit onderzoek blijkt dat er geen jongen meer aanwezig zijn die worden gezoogd
oo: Voorkeursperiode voor het uitvoeren van ruimtelijke activiteiten

In de meest gevoelige periode (rood), die loopt van begin februari tot eind mei, is het aantal jongen die gezoogd worden dermate hoog dat activiteiten die invloed hebben op de voortplantingsplaatsen niet verantwoord zijn. In deze periode wordt de eerste worp gelegd.

In de gevoelige periode (oranje) is er eveneens een groot aantal jongen van het tweede of derde nestje aanwezig, maar de piek van de voortplantingstijd is voorbij. Ruimtelijke activiteiten kunnen worden uitgevoerd als uit onderzoek blijkt dat er geen jongen die nog gezoogd worden aanwezig zijn. Welk onderzoek hiervoor nodig is, is maatwerk. Dit kan bijvoorbeeld met een warmtebeeldkijker rondom de zoogtijd of met een warmtebeeldcamera aan een drone rond zonsopkomst. Zijn er geen jongen onder de 4 weken in het plangebied aanwezig, dan kunnen de aanwezige oudere hazen diezelfde dag worden verjaagd en kan het gebied worden uitgerasterd om hervestiging te voorkomen.

In de minst gevoelige periode (groen) is de kans op jongen erg klein en zijn er geen aanvullende maatregelen voorafgaand aan de activiteiten noodzakelijk. Worden er wel jongen aangetroffen die nog afhankelijk zijn van de moerhaas, dan is het noodzakelijk om te wachten tot deze jongen niet meer gezoogd worden.

Aanpassen werkwijze of werkvolgorde

Maatregel

De werkwijze kan zodanig worden aangepast dat de hoeveelheid hazen die nadeel ondervinden zo beperkt mogelijk blijft. Bij de uitvoering van de activiteiten kan apparatuur gebruikt worden waarmee het nadelige effect op de hazen zo beperkt mogelijk is.

Kader maatregel

Zorgplicht/zorgvuldig handelen.

Uitleg

Hazen zijn gevoelig voor verstoring. Leefgebied van de haas wordt minder geschikt dichtbij wegen, paden en bebouwing. Houdt bij het aanleggen van permanente paden, wegen of bebouwing rekening met de verstoringsgevoeligheid van de haas en zorg dat er voldoende leefgebied overblijft voor hazen om in te verblijven. Het is daarom aan te bevelen tijdens de ontwerpfase van een inrichtingsplan een ecologische deskundige te betrekken. Verstoringsafstanden kunnen kleiner worden met hoge hagen of houtwallen/houtsingels en bij drukke wegen met geluidsschermen.

Bij tijdelijke, plotselinge activiteit, zoals tijdens de aanleg, de bouw of tijdens de activiteit, zijn hazen een stuk gevoeliger voor verstoring dan bij langdurige aanwezigheid, omdat hier nog geen gewenning is opgetreden. Activiteiten waar geluid, trilling of visuele prikkels bij vrijkomen kunnen een grotere verstoringsafstand met zich mee brengen.

Door aanpassing van de werkwijze en de apparatuur kunnen nadelige effecten op de haas zo beperkt mogelijk worden gehouden. Ongeacht de werkwijze en de apparatuur heeft het altijd de voorkeur om de activiteiten buiten de kwetsbare periode en gefaseerd in ruimte en tijd uit te voeren, bijvoorbeeld door eerst het ene deel van een gebied aan te pakken en daarna het andere deel.

Aanpassen van de werkwijze kan bijvoorbeeld door:

  • Activiteiten die in de directe omgeving van leefgebieden plaatsvinden, rekening houdend met de verstoringsafstand, zo kort mogelijk te laten duren en uit te voeren met zo min mogelijk licht, geluid en trillingen;
  • Geen (extra) werkverlichting te plaatsen. Hazen zijn niet zozeer gevoelig voor verlichting, maar wel voor verlichting waar nog geen gewenning heeft kunnen plaatsvinden;
  • Vegetatiestructuur en bodem zo veel mogelijk te ontzien tijdens de activiteit of activiteiten;
  • Een half uur voor zonsondergang de activiteiten af te ronden zodat looproutes/verbindingen weer toegankelijk zijn, afval is opgeruimd en gebruikte machines en voertuigen uit het gebied zijn verwijderd;
  • Looproutes en verbindingen (die voor de haas van belang kunnen zijn als vluchtroute) een half uur voor zonsondergang weer vrij te maken van bijvoorbeeld gevelde stammen en takken. Mogelijk moeten ook maatregelen genomen worden om andere tijdelijke obstakels, zoals greppels, grondwallen, bouwmateriaal en afval, passeerbaar te maken voor hazen.

Faseren van activiteiten in ruimte en tijd

Maatregel

Door activiteiten gefaseerd in ruimte en tijd uit te voeren, kan ervoor worden gezorgd dat er voor de haas op elk moment voldoende geschikt habitat aanwezig is.

Kader maatregel

Zorgplicht/zorgvuldig handelen.

Uitleg

Het in ruimte en tijd gefaseerd uitvoeren van de activiteiten kan van groot belang zijn. Zo heeft de populatie de mogelijkheid om zich tijdens de activiteiten te handhaven, of te verplaatsen.

De fasering betreft maatwerk per project, afhankelijk van de draagkracht van het gebied en hoeveel er voor de haas overblijft. Het doel van het faseren van de activiteit is dat er te allen tijde voldoende leefgebied van een voldoende hoge kwaliteit aanwezig is en blijft voor de populatie hazen die door de activiteit wordt beïnvloed. Aanbevolen wordt in een werkplan vast te leggen hoe de fasering plaatsvindt. Bij het faseren van de activiteiten moet rekening worden gehouden met de plekken waar hazen zich in het gebied concentreren. Ook moet voorkomen worden dat hazen worden opgesloten in een gebied. Een deskundig ecoloog stelt het werkplan op en legt dit plan bij een vergunningaanvraag ter beoordeling voor aan het bevoegd gezag.

Voorkomen dat hazen aanwezig zijn tijdens de ruimtelijke activiteiten door deze tijdig passief of actief te weren uit het plangebied

Maatregel

Voorafgaand aan de ruimtelijke activiteiten wordt gezorgd dat er geen hazen meer in het plangebied aanwezig zijn en wordt hervestiging van hazen in het plangebied tijdens de activiteiten voorkomen. Door het tijdig weren van hazen uit het plangebied komen hazen (tijdelijk) niet meer in (een deel van) het plangebied voor. Dit voorkomt dat ze worden gedood of verwond door de activiteiten.

Kader maatregel

Zorgplicht/zorgvuldig handelen.

Uitleg

Het voorkomen dat hazen aanwezig zijn tijdens de activiteiten kan op twee manieren:

  • passief: door hazen aan te moedigen het gebied te verlaten, al dan niet met enige dwang (verdrijven), zie subparagraaf 4.7.1;
  • actief: door hazen te vangen en te verplaatsen, zie subparagraaf 4.7.2.

Het aanmoedigen van hazen, eventueel met dwang, om het plangebied te verlaten naar aangrenzend geschikt leefgebied heeft veruit de voorkeur boven het actief vangen en verplaatsen. Het vangen en verplaatsen van hazen en het zich handhaven in een voor hen nieuw leefgebied is zeer verstorend voor de dieren. Bij hazenverplaatsingen over grote afstand zijn er risico’s dat ziekten en parasieten worden verspreid.

Het actief verplaatsen van hazen is alleen een optie als het passief verplaatsen niet mogelijk is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als:

  • er in de directe nabijheid van het plangebied geen alternatief leefgebied is waar hazen naar toe kunnen uitwijken;
  • als er veel wegen aanwezig zijn met een hoge verkeersintensiteit waardoor er een hoog risico is op aanrijdingen;
  • als er een ‘nieuw’ leefgebied is dat nog niet recent is gekoloniseerd door hazen (bijv. natuurontwikkeling).

Beide maatregelen worden in aparte deelparagrafen nader toegelicht.

Passief verplaatsen, al dan niet met enige dwang

In deze subparagraaf wordt uitgewerkt hoe hazen gestimuleerd kunnen worden het plangebied tijdig (al dan niet tijdelijk) te verlaten, zonder hazen te hoeven vangen.

Gebied inrasteren zonder te verstoren

Om hazen passief te verplaatsen kan het gebied worden ingerasterd met uittreedvoorzieningen bij de looproutes, waar dieren wel uit, maar niet meer in kunnen. Hoelang het duurt voordat alle hazen het plangebied verlaten hebben is projectspecifiek. Hazen zijn dermate honkvast dat ze – zeker bij grotere plangebieden – zonder enige dwang het plangebied niet snel zullen verlaten.

Gebied inrasteren en verstoren

Omdat hazen erg honkvast zijn, kan het lang duren voor hazen het ingerasterd gebied vanzelf verlaten. Om dit proces te versnellen, is het mogelijk om te kiezen voor verdrijven: semi-passief verplaatsen. Dat kan op de volgende twee manieren:

  • De vegetatie kort (5-7 centimeter) maaien. Als van binnen naar buiten of in stroken één richting op wordt gemaaid, op een langzame snelheid, en met behulp van wildredders of het voorlopen door een ecoloog, hebben adulte hazen de mogelijkheid om te vluchten.
  • Uitdrijven door drijvers en goed getrainde honden. Het plangebied kan aan drie zijden worden ingerasterd en het gras kort wordt gemaaid (5-7 centimeter). Vervolgens kunnen de hazen met honden worden uitgedreven.

Een ecologische deskundige moet bepalen hoe en wanneer hazen gestimuleerd worden een bestaand leefgebied te verlaten.

Direct na de verstoring kan het gebied volledig worden ingerasterd om hervestiging te voorkomen. Het inrasteren van een gebied geeft de meeste zekerheid dat het gebied vrij blijft van hazen. Is het gebied ingerasterd, controleer dan voorafgaand aan en tijdens de activiteiten of de afrastering niet beschadigd is. Als het gebied goed is ingerasterd, hazen zijn uitgedreven en niet terug kunnen keren, dan kunnen de activiteiten aanvangen. Let erop: als tijdens de daaropvolgende activiteiten de rasters moeten worden verwijderd, dan kunnen hazen terugkeren. Het is aan een ecologische deskundige om te bepalen hoe voorkomen kan worden dat hazen tijdens de activiteiten terugkeren.

In de Faunaschade PrevetieKit Haasachtigen van BIJ12 zijn de specificaties gegeven van verschillende soorten rasters.

Gebied niet inrasteren, maar ongeschikt maken en verstoren

Een gebied zonder rasters ongeschikt maken en houden voor hazen is erg lastig. Het enkel en alleen zeer kortmaaien en houden van de vegetatie is geen effectieve maatregel om hazen langdurig te weren; hazen keren snel naar gemaaide percelen terug. Aanvullend aan het verwijderen van de vegetatie zal het gebied (bijvoorbeeld met honden) verstoord moeten worden. Welke verstoringsvorm en -intensiteit nodig is om hazen langdurig te weren, moet een ecologische deskundige bepalen en de motivering hiervoor goed registreren. Omdat het gebied niet is ingerasterd, kunnen hazen terugkeren zodra de verstoringsbronnen afwezig zijn. Dit kan al in de eerstvolgende nacht. De verstoring moet daarom direct voorafgaand aan de activiteiten plaatsvinden, en na de start van de activiteiten continue ingezet worden. Omdat het erg intensief kan zijn om hazen tot aan het einde van de activiteiten continue te verstoren, en het resultaat daarvan minder betrouwbaar is, wordt het gebruik van rasters aanbevolen. Voor grote en complexe plangebieden waarvan de activiteiten over een langere periode plaatsvinden en/of uitlopen in het voortplantingsseizoen, is het niet voldoende om alleen continue te verstoren. In dat geval is het uitrasteren van delen van het plangebied noodzakelijk.

Het is noodzakelijk dat een ecologische deskundige voorafgaand aan de beoogde activiteiten in het plangebied, indien nodig met behulp van een warmtebeeldcamera, controleert of hazen het gebied verlaten hebben. Zijn hazen onder begeleiding van een ecologische deskundige de ochtend van de activiteiten met honden uitgedreven dan is een controle niet nodig, maar is er een nacht voorbijgegaan voor aanvang van de activiteiten dan kan een controle wel nodig zijn. Welke onderzoeksinspanning hiervoor nodig is, is maatwerk.

Planning

Het stimuleren dat hazen het gebied verlaten, kan alleen als er geen jongen jonger dan 4 weken in het veld aanwezig zijn. Jongen zullen niet vluchten en worden dan gescheiden van de moerhaas. Voorkomen moet worden dat door bijvoorbeeld het inrasteren van het gebied de moerhaas niet meer bij haar jongen kan om deze te zogen.
Het verstoren dient plaats te vinden bij daglicht om zo te bezien of de hazen de gewenste richting op rennen. Kies tijdens het daglicht wel een moment op de dag dat er zo min mogelijk verkeer of landbouwactiviteiten zijn. Dit om sterfte te voorkomen.

Actief verplaatsen

Bij actieve verplaatsing worden de hazen gevangen en daarna verplaatst naar een nieuwe locatie. In deze subparagraaf wordt deze methode nader toegelicht.

Ervaringen met verplaatsingen binnen Nederland zijn niet uitgebreid gedocumenteerd. Er zijn hazen uitgezet in Zeeland na de Watersnoodramp, en op enkele Waddeneilanden en de Wieringermeer, en in Flevoland na de ontginning. Dhr. Broekhuizen heeft 505 hazenverplaatsingen uitgevoerd voor onderzoek. Hierbij zijn de hazen 10 tot 90 kilometer verderop uitgezet (Broekhuizen,1982).

Vangen en hanteren van hazen kan met lange netten en drijvers of honden, of met kastvallen met een valalarm. Sterfte door het vangen komt niet vaak voor (mond. mededeling M. Weterings). Echter, Mayer et al. (2021) suggereren dat sterfte door vangen niet altijd wordt gerapporteerd en Broekhuizen en Maaskamp (1982) rapporteerden sterfte van 5% bij vangen. Hoeveel sterfte na het uitzetten optreedt is onbekend. Er zijn aanwijzingen uit eerder zenderonderzoek dat uitgezette hazen de eerste vijf dagen extra kwetsbaar zijn voor predatie (pers. observatie M. Weterings).

Bij het vangen en verplaatsen hoort een zorgvuldige aanpak, waarbij een vang-, transport- uitzet- en gewenningsprotocol wordt opgesteld en nageleefd. Voor het volgen van verplaatste dieren is mogelijk ook een ontheffing nodig in het kader van de Wet op de Dierproeven. Let er op dat mogelijk ook vergunningen nodig zijn voor het gebruik van vangmiddelen.

De volgende aanbevelingen kunnen stress verminderen:

  • gebruik voor elke haas een eigen (compartiment in de) transport box;
  • zorg in een box met een gladde bodem voor bodembedekking als kranten, handdoeken, zaagsel of stro;
  • verplaats hazen niet op ijsdagen, sneeuw of op tropische dagen;
  • hanteer de boxen voorzichtig en probeer onverwachte bewegingen te voorkomen;
  • een blinddoek kan de stress sterk verminderen (Paci et al., 2012);
  • beperk de tijd dat hazen in de box zitten;
  • plaats de box op de uitzetlocatie en wacht even voor de box wordt geopend, om zo de rust in de box te laten terugkeren voordat de box opengaat;
  • laat geen hazen los in de buurt van wegen, gevaarlijke watergangen, nabij hondenloslooplocaties en in te drukke recreatiegebieden.

Planning

Het actief vangen en verplaatsen van hazen is niet mogelijk als er jongen die nog van de moerhaas afhankelijk zijn (tot 4 weken oud) in het plangebied aanwezig zijn. De jongen worden dan gescheiden van de moerhaas en kunnen doodgaan. Ook jongen die worden gevangen en mee-verplaatst kunnen sterven. De jongen hebben dan geen vertrouwde werplocatie meer waar ze de moerhaas kunnen aantreffen.

Hazenverplaatsingsplan

Wanneer het nodig is de aanwezige dieren actief te verplaatsen omdat er geen geschikte uitwijkmogelijkheden zijn, is een goed onderbouwd verplaatsingsplan opgesteld door een ecologische deskundige onmisbaar. Voor het vangen moet van tevoren een goed doordacht draaiboek worden gemaakt om zo de kans op sterfte onder de hazen te minimaliseren. Hierin moet bijvoorbeeld in detail worden uitgewerkt:

  • met welke middelen hazen worden gevangen,
  • hoe stress zo veel mogelijk wordt vermeden,
  • hoe lang hazen worden vastgehouden,
  • hoe ze worden getransporteerd,
  • waar ze worden losgelaten en op welk tijdstip,
  • of en hoe hazen eventueel worden gemerkt of gezenderd omwille van de monitoring.

Tijdens de verplaatsingsactie moet een logboek worden bijgehouden waarin te lezen is hoeveel hazen zijn gevangen, hoe lang ze zijn vastgehouden en waar ze zijn losgelaten.

Geschiktheid bestemmingsgebied

Wanneer hazen moeten worden geweerd uit het plangebied, is het van belang zeker te weten dat het gebied waar de hazen heen worden gedreven of verplaatst deze extra hazen duurzaam kan herbergen. Mogelijk moet habitat verbeterd worden, zie paragraaf 4.8.

Houd er rekening mee dat bij het verplaatsen van hazen een hoger risico kan ontstaan voor gewasschade bij agrarische ondernemers. Het kan nodig zijn hierover afspraken te maken met de terreineigenaar. Ook kan het passief verplaatsen van hazen leiden tot een verhoging van het aantal hazen wat moet worden geschoten in het kader van beheer- en schadebestrijding. Hierover zijn mogelijk afspraken nodig met de Faunabeheereenheid en de provincie. Het moet voorkomen worden dat hazen in een gebied terechtkomen waar ze worden geschoten. Het actief verplaatsen van hazen naar een compensatiegebied waar ze worden bejaagd is geen optie.

Realiseren nieuw leefgebied of het verbeteren van habitat in bestaand leefgebied

Maatregel

Het verbeteren van de kwaliteit van bestaand leefgebied voor hazen of het realiseren van nieuw leefgebied op een locatie waar nog geen hazen leven. Van belang is dit tijdig voorafgaand en buiten de invloedsfeer van de activiteiten te realiseren.

Kader maatregel

Behoud functionaliteit, waarborgen staat van instandhouding.

Uitleg

Als hazen door de activiteiten niet meer in het plangebied kunnen blijven, en hazenleefgebied verdwijnt, moet gezocht worden naar locaties waar leefgebied kan worden gemaakt; compensatiegebied.

Bij voorkeur wordt in eerste instantie gezocht naar mogelijkheden om een kwaliteitsverbetering te realiseren ten gunste van de haas binnen hetzelfde leefgebied, maar buiten de invloedssfeer van de activiteiten. Een compensatiegebied dicht bij de planlocatie heeft de voorkeur boven een compensatiegebied verder weg. Hazen hoeven dan niet actief verplaatst te worden, maar kunnen op eigen initiatief het compensatiegebied bereiken. Dit leefgebied moeten de hazen dan wel goed kunnen bereiken.

Is er geen compensatiegebied in de directe omgeving van het plangebied te realiseren, dan zal op grotere afstand gezocht moeten worden naar compensatiegebied. Een ecologische deskundige zal moeten onderbouwen dat compensatiegebied bereikbaar is voor de hazen in het plangebied, dan wel dat hazen er actief naar verplaatst worden of dat de hazendichtheid in het compensatiegebied wordt verhoogd ter compensatie van de verwachte afname in het plangebied.

Realiseren of optimaliseren van compensatiegebied

Omdat hazen gebiedsdekkend vóórkomen in het buitengebied is de kans groot dat een beoogd compensatiegebied al in gebruik is. In dat geval zal dit compensatiegebied moeten worden geoptimaliseerd, zodat het aantal hazen daar kan worden verhoogd. Het geschikt maken van ongeschikt gebied, of al geschikt leefgebied optimaliseren voor meer hazen kan op dezelfde manier en wordt daarom samen behandeld.

Door het beheer of de inrichting aan te passen, kan bestaand habitat overgaan van ongeschikt naar optimaal habitat. Als de habitatkwaliteit wordt verbeterd, biedt het gebied plaats aan meer hazen. De populatie hazen zal zich ook beter in stand kunnen houden. Uit de uitgevoerde habitatskwaliteitsbeoordeling (zie paragraaf 3.4) moet blijken dat het resterende gebied door minder optimale habitatkwaliteit geen hoge dichtheid heeft en dat het aannemelijk is dat de kwaliteit van habitat door ingrepen te verbeteren is. Het is van belang de variabelen in het gebied te achterhalen die beperkend zijn voor een hogere kwaliteit. Die beperkingen moeten worden opgeheven. Pas dan is aannemelijk dat de voorgenomen habitatsverbetering het gewenste effect zal hebben. Een ecologische deskundige kan aangeven welke verbeteringsmaatregelen van habitat uitgevoerd moeten worden.

De nieuw aan te leggen inrichting moeten bij voorkeur passend zijn bij de structuur en kenmerken van het omliggende landschap. Deze nieuwe geoptimaliseerde habitat moet al functionerend zijn voor het beoogd aantal hazen vóórdat de eigenlijke activiteiten starten. Dekking en voedsel, zoals ruigtestroken, kunnen binnen één groeiseizoen al voldoende ontwikkeld zijn om te functioneren. Bij gewijzigd beheer, zoals later maaien, kan habitat al op nog kortere termijn geoptimaliseerd worden omdat dit dan direct voedsel en dekking biedt.

Het is, met het oog op een eventuele omgevingsvergunningaanvraag, aan te raden om goed te documenteren hoeveel leefgebied – en met welke kwaliteit – verdwijnt in vergelijking met de hoeveelheid leefgebied die wordt geoptimaliseerd. Het bevoegd gezag kan voorschrijven dat monitoring van het effect van de te nemen maatregelen nodig is. Op die manier kan een goed beeld ontstaan van het effect op de populatie en valt de gunstige staat van instandhouding te toetsen.

Optimalisatiemaatregelen

In paragraaf 3.4 is beschreven hoe de kwaliteit van het compensatiegebied kan worden beoordeeld met een habitatkwaliteitsbeoordeling. Hierbij zijn de volgende variabelen beschreven.

Om een optimaal habitat te vormen, moet een leefgebied:

  1. jaarrond voldoende kwalitatief voedsel beschikbaar hebben;
  2. voldoende dekking bieden;
  3. voor de haas geen barrières bevatten die tot sterfte leiden;
  4. meerdere plekken bevatten waar hazen een rustgebied kunnen vinden dat vrij is van verstoring;
  5. geen tot een zeer lage jachtdruk hebben.

In navolgende deelparagrafen worden per variabele maatregelen genoemd waarmee het gebied geoptimaliseerd kan worden.

Met optimalisatiemaatregelen voor de haas is in Nederland nog weinig ervaring opgedaan en de effectiviteit daarvan is nog niet wetenschappelijk bewezen. Weber heeft in 2017 wel een uitgebreide analyse gedaan van studies die maatregelen aanbevelen. Ook Weber meldt expliciet dat veel van de genoemde maatregelen niet wetenschappelijk zijn getoetst. Toch is er consensus tussen de bij dit kennisdocument betrokken experts (op basis van de kennis van de ecologie van de haas) dat deze maatregelen een positief effect kunnen hebben op kwaliteit van een leefgebied voor de haas en dat daardoor de draagkracht van een gebied vergroot kan worden. Daarom worden de aanbevelingen die Weber noemt aangevuld met aanbevelingen door de bij het kennisdocument betrokken ecologische deskundigen, weergegeven in subparagraaf 4.8.1 tot en met 4.8.5.

Om de hazenpopulatie te kunnen stimuleren, zal experimenteel moeten worden ontdekt welke maatregelen effectief zijn en welke minder. Of een maatregel effectief blijkt is ook contextafhankelijk. De in Weber vermelde bronnen zijn in onderstaande adviezen vermeld om ecologen (die onderstaande aanbevelingen gaan inzetten) richting te kunnen geven, juist rekening houdend met de context.

Variabele 1: Optimaliseren voedselbeschikbaarheid

De voedselkwaliteit en jaarronde beschikbaarheid van voedsel kan mogelijk worden geoptimaliseerd door maatregelen te nemen die zich richten op het beschermen en bevorderen van een voor hazen aantrekkelijke (soortenrijke, permanente) vegetatie. Een gevarieerde vegetatiestructuur biedt meer voedsel. Hieronder worden per leefgebied (grasland, akkerbouw en nieuwe natuur) maatregelen beschreven die kunnen bijdragen aan een optimaler voedselaanbod.

Grasland:
  • Aanbevolen wordt om het areaal permanent soortenrijk grasland uit te breiden.
  • Behoud bodembedekking en lijnvormige landschapselementen of leg deze aan.
  • Als er bemesting nodig is, dan wordt aanbevolen uitsluitend met vaste mest te bemesten. Kunstmest en drijfmest zijn geen optie vanwege de negatieve effecten daarvan. Kunstmest stimuleert vooral grasgroei, waardoor kruiden en klaver (eiwitrijk en belangrijk voor hazen) minder kans krijgen. Drijfmest werkt erg verstorend (zie subparagraaf 4.8.4).
  • Beperk de grondwaterstandsverlaging. Dit helpt om voedselrijk (eiwitrijke kruiden) en dicht begroeid leefgebied voor hazen te behouden.
  • Verjong het grasland door het opnieuw in te zaaien met een inheems graskruiden of klavermengsel, in plaats van te ploegen.
  • Beweid grasland in plaats van maaien. Begraasd grasland ondersteunt meer kruiden en bloemen, wat indirect de kwaliteit van het leefgebied voor hazen verhoogt.
  • Schakel om naar ecologisch maaibeheer (Weber, 2017). Maai grasland gefaseerd om zo een variatie te maken in korter gras en langer gras. Maai zo min mogelijk en maai niet te kort (14 centimeter) zodat spruiten, kruiden en zaadrijke planten beschikbaar blijven.
  • Een tweede maaironde in klavergras wordt afgeraden door Fuchs en Stein-Bachinger (2008), omdat dit de klaver verzwakt en bloei voor insecten voorkomt. In landbouwgebieden waar veel gras en granen groeien, is klaver vaak een van de weinige hoogwaardige eiwitbronnen die hazen kunnen vinden. Als toch gemaaid wordt, is het advies om hoog (ongeveer 14 centimeter) te maaien om herstel te bevorderen.
  • Zorg voor een omzetting van traditionele landbouw naar bio-landbouw (Godt et al., 2010).
Akkerbouw:
  • Verbouw op landschapsschaal meer variatie in gewassen (Spath et al., 1990);
  • Zaai gewassen met meer afstand tussen de zaden, dus minder dicht op elkaar (ijler zaaien) (Weber, 2017). Hierdoor zijn de gewassen beter toegankelijk voor hazen en kan er tussen de gewassen meer diversiteit aan voedsel komen.
  • Gebruik geen gewasbeschermingsmiddelen, tenzij dit echt noodzakelijk is en beperk dan het gebruik daarvan zoveel mogelijk.
  • Bij het gebruik van machines om onkruid te verwijderen op percelen met jonge hazen is voorzichtigheid van belang. Het wordt dan aanbevolen iemand tijdens de voortplantingsperiode voor de machine uit te laten lopen om de aanwezigheid van jonge hazen te controleren.
  • Gebruik geen grondontsmettingsmiddelen (chemische stoffen die aan de bodem worden toegevoegd om ziekteverwekkers, schadelijke nematoden, schimmels, bacteriën of onkruidzaden te bestrijden voordat een gewas wordt geplant).
  • Fuchs en Stein-Bachinger (2008) adviseren om niet alle (halm-)gewassen te dorsen (dus een deel op het veld te laten staan). Zo wordt jaarrond voedsel aangeboden en kunnen planten zaad produceren voor een soortenrijker voedselaanbod in de navolgende jaren.
  • Voorkom dat graanvelden monotone landschappen worden door deze velden zoveel mogelijk te verdelen over de ruimte (The Hare Preservation Trust, 2025 en Game and Wildlife Conservation Trust, 2002). Jonge graanplanten en spruiten zijn rijk aan energie en eiwitten, geschikt voor hazen in het voorjaar en vroege zomer. Als echter in één keer al het graan geoogst wordt, verdwijnt al het voedsel. Daarom wordt aangeraden graanvelden meer te verspreiden en af te wisselen met andere gewassen. Daarnaast is een spreiding in de planning van de oogst aan te raden.
  • Stoppelvelden niet omploegen tot het volgende zaaiseizoen, aangezien deze nog een functie hebben in de voedselvoorziening (The Hare Preservation Trust, 2025).
  • Bevorder verschillende soorten gewassen en tussenteelt (Pegel, 2005).
  • Bevorder bodembedekking onder gewassen, zodat ook na de oogst van de gewassen de bodem begroeid blijft (Pegel, 2005).
  • Pegel (2005) adviseert het inzaaien van klaver in graanvelden.
  • De activiteiten zo positioneren dat graspaden (zoals wandelpaden) behouden blijven (Pegel, 2005) en leg graspaden aan.
  • Het aanleggen en behoud van percelen met gras tussen akkergebied, zodat er een afwisselend landschap ontstaat.
Nieuwe natuur:
  • Nieuwe natuur ecologisch beheren door het toepassen van ecologisch maaibeheer en/of beweiding (met een veedruk van minder dan 1,5 GVE (grootvee-eenheden) per hectare).
  • Hoogwaardige compensatiegebieden aanleggen met een oppervlakte van ten minste 5-8% van het projectgebied (Fischer et al., 2010).
  • Stukjes land braak laten liggen (Spath et al., 1990).
  • Percelen inzaaien met een inheems graskruiden- of klavermengsel (o.a. Spath et al., 1990), zie ook Fauna akkers; een praktische handleiding.
  • Lege (gras)velden inzaaien met zaadmengsels om een brede biodiversiteit aan de (kruiden)planten te verhogen. Bijvoorbeeld door niet enkel te kiezen voor een zadenmix gericht op bijen, maar juist op diverse soortgroepen (wildvogels, bijen, insecten en hommels (Game and Wildlife Conservation Trust, 2002).
  • Wildakkers aanleggen. Wildakkers zijn akkers die bewust beheerd worden om jaarrond voedsel te bieden voor wilde dieren in landbouwland. (Spath et al., 1990 en Game and Wildlife Conservation Trust, 2002).
  • Laat brede stroken niet-gemaaid gras staan, middenin of aan de rand van weilanden (The Hare Preservation Trust, 2025). De Game and Wildlife Conservation Trust (2002) adviseert op veehouderijen enkele vlakken ongemaaid en onbeweid laten.
  • Bij plaatsing van zonneparken wordt aanbevolen de stand van de panelen zo te plaatsen dat er voldoende licht en water op de bodem komt en de vegetatie kan groeien, bijvoorbeeld door het gebied in te richten en te beheren volgens het EcoCertified Solar Label. Als van dit label geen gebruik wordt gemaakt, kan wat betreft de afstand tussen panelen, hoogte van de panelen, paneeloppervlak en paneelrichting ten opzichte van de zon aan vergelijkbare kenmerken worden voldaan. Ter onderbouwing is het mogelijk om de door TNO en WUR ontwikkelde methode te gebruiken voor het berekenen van de grondbelichting, zie Ontwerptoets bodemkwaliteit zonneparken en Onderzoek naar de impact van zonneparken op plantengroei en bodemgezondheid.

Door bovengenoemde maatregelen binnen de verschillende leefgebiedstypen toe te passen, kan de voedselkwaliteit en -beschikbaarheid voor hazen jaarrond worden verbeterd. Dit draagt bij aan een optimaler habitat.

Variabele 2: Optimaliseren van dekking

De dekking van het leefgebied kan mogelijk worden geoptimaliseerd door de volgende maatregelen te nemen:

  • Het aanleggen van soortenrijke kruidenstroken van minimaal 3 meter breed (ecologisch beheerd), eventueel met hogere beplantingen. Dit kunnen bijvoorbeeld stroken zijn naast onverharde paden die tussen landbouwpercelen in liggen, of stroken ruige vegetatie langs kanalen, wegen et cetera ter bevordering van lijnvormige elementen (Pegel, 2005).
  • Het aanleggen van ruigtehoekjes met dekking-gevende vegetatie.
  • Grotere percelen opdelen in kleinere percelen (Spath et al., 1990) door midden op het perceel (lijnvormige) houtwallen of greppels aan te leggen.
  • Als er grotere oppervlakten aan compensatiegebied moet worden gerealiseerd, verdient het de voorkeur om dit compensatiegebied in mozaïek-vorm verspreid in het landschap aan te leggen. Of anders deze als vertakte lijnvormige elementen door het landschap te rijgen (Pegel, 2005).
  • Hoogwaardige compensatie aanleggen met een oppervlakte van ten minste 5-8% van het projectgebied (Fisher et al, 2010).
  • Grasland niet maaien, maar beweiden. Maaien geeft een uniforme, vlakke vegetatie die minder geschikt is als schuilplaats. Begrazing creëert een ongelijkmatige, open structuur in het grasland: korte plekken om te eten, hogere plekken voor dekking en schuilgelegenheid.
  • Het beweiden van grasland met een gereduceerd aantal grootvee-eenheden (GVE’s). Een veedruk lager dan 1,5 GVE per hectare wordt aangeraden.
  • Het omschakelen naar ecologisch maaibeheer (Weber, 2017).
  • Stroken van 6 meter breed niet-gemaaid gras behouden en afwisselen met stroken van 6 meter gemaaid gras (The Hare Preservation Trust, 2025).
  • Enkele vlakken van weilanden bij veehouderijen ongemaaid en onbeweid laten (Game and Wildlife Conservation Trust, 2002).
  • Wildakkers (akkers die bewust beheerd worden om schuilgelegenheid te bieden voor wilde dieren in landbouwland) aanleggen (Game and Wildlife Conservation Trust, 2002).
  • Fuchs en Stein-Bachinger (2008) adviseren om niet alle (halm-)gewassen te dorsen (dus een deel op het veld te laten staan) om zo jaarrond dekking aan te bieden.
  • Baumann (2003) suggereert sporen die ontstaan door te ploegen niet te egaliseren, maar bewust te laten liggen voor dekking.
  • De aanwezigheid van veldbomen beschermen en bevorderen (Spath et al., 1990).
  • Voorkom dat graanvelden monotone landschappen worden door graanvelden zoveel mogelijk te verdelen over de ruimte (The Hare Preservation Trust, 2025 en Game and Wildlife Conservation Trust, 2002). Graanvelden bieden veel dekking. Als echter in één keer al het graan geoogst wordt, verdwijnt alle dekking. Daarom is het advies om graanvelden meer te verspreiden en af te wisselen met andere gewassen. Ook valt aan te raden om de stoppels te laten staan in de winter in plaats van om te ploegen (o.a. The Hare Preservation Trust, 2025).

Door bovengenoemde maatregelen toe te passen, kan de schuilgelegenheid voor hazen verbeteren. Dit draagt bij aan een optimaler habitat.

Variabele 3: Optimaliseren van verbinding (opheffen van barrières)

De verbinding in hazenleefgebied kan mogelijk worden geoptimaliseerd door maatregelen te nemen die zich richten op het opheffen van – voor de haas ongunstige – barrières. De adviezen hiervoor zijn te vinden in paragraaf 4.9. Niet elke barrière is echter ongunstig voor de haas, omdat er ook barrières bestaan die predatoren kunnen weren uit hazenleefgebied of snelle verspreiding van ziekten kunnen voorkomen. Hier moet een ecologische deskundige in de beoordeling rekening mee houden.

Variabele 4: Optimaliseren van rust (verminderen verstoring)

De rust in hazenleefgebied kan mogelijk worden geoptimaliseerd door maatregelen te nemen die zich richten op het tegengaan van verstoring. De volgende maatregelen verminderen de verstoring in een gebied:

  • Stoppen met hazenjacht, aangezien dit – buiten de sterfte – ook verstoring en stress met zich meebrengt.
  • Het creëren van barrières voor honden, zoals hekken of heggen tussen hazenleefgebied en woonwijken en erven.
  • Het creëren van barrières voor huiskatten, zoals watergangen of hekken tussen hazenleefgebied en woonwijken of erven.
  • Het beperken van losloopmogelijkheden van honden en/of sluiten van een honden-uitlaatgebied, dit vermindert de predatiedruk door honden.
  • Gebieden onttrekken aan recreatie en recreatie tegengaan door recreatievoorzieningen zoals parkeergelegenheid, wandelpaden en bankjes te verwijderen.
  • Het verbieden van evenementen in hazenleefgebied.
  • Het verlagen van de veedruk: een veedruk lager dan 1,5 GVE per hectare wordt aangeraden.
  • Het weren van stropers, door toezicht en handhaving.
  • Het maaien van binnen naar buiten of in één richting, hogere maaihoogte en met wildbeschermers. Dit voorkomt dat de haas wordt ingesloten. Het maaien met lagere snelheid en minder grote machines kan onnodige stress bij hazen voorkomen.
  • Maaien buiten de voortplantingsperiode van de haas (zie paragraaf 4.4). Moet er toch gemaaid worden binnen de voortplantingsperiode, doe dit dan zo laat mogelijk in het seizoen (niet vóór 1 juni). Neem aanvullende maatregelen om het doden van jongen te voorkomen. Laat een ecologische deskundige vooraf controleren of er jonge hazen aanwezig zijn en markeer deze locaties (zie paragraaf 4.4).
  • Voorafgaand aan maaiactiviteiten worden jonge hazen soms opgespoord en verplaatst naar de rand van een perceel om slachtoffers te voorkomen. Onduidelijk is of een moerhaas haar jongen kan terugvinden als deze over grotere afstand wordt verplaatst. Mogelijk blijft de geur van mensen bij het haasje. Het is wenselijker de werplocatie te sparen door eromheen te werken. Maai op lage snelheid om werplocaties heen. Jongen kunnen zo nodig tijdelijk worden afgeschermd met een grote emmer of gaasraster, zodat ze niet vlak voor de maaimachine alsnog weglopen.
  • Als er bemesting nodig is, dan wordt aanbevolen uitsluitend met vaste mest te bemesten. Bij drijfmest wordt het gehele perceel versneden en bereden. Hierdoor zal de sterfte onder jonge hazen groot zijn.

Door bovengenoemde maatregelen toe te passen, kan de rust voor hazen verbeteren, wat bijdraagt aan een optimaler habitat.

Variabele 5: Stoppen van jacht op hazen

In gebied dat wordt geoptimaliseerd voor hazen mogen hazen niet afgeschoten worden. Gelden er voor een beoogd compensatiegebied jachtrechten of worden hazen bestreden in het kader van schadebestrijding, dan is dit gebied mogelijk minder geschikt om te selecteren als compensatiegebied.

Aanbeveling ter bescherming bij hoog water

In uiterwaarden of andere gebieden met regelmatige overstromingen is het aanleggen van hazenterpen aan te bevelen. Deze terpen zijn minimaal 20 x 30 meter moeten bij de hoogste waterstand nog droog blijven. Hierbij is dekking in de vorm van voldoende hoogte en variatie in vegetatie nodig.

Beheer van de optimalisatiemaatregelen

Bij de planvorming moet ook worden nagedacht over het toekomstig beheer en onderhoud van nieuw leefgebied voor de haas. Voorkom dat het gebied verbost of verruigd waardoor het zijn draagkracht verliest. Het borgen van dergelijk beheer kan de initiatiefnemer doen door bijvoorbeeld afspraken vast te leggen met agrarische natuurverenigingen of individuele terreineigenaren. Mogelijk is er een koppeling te leggen met de Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLB), Aanvalsplan Grutto, Nationaal Programma Landelijk Gebied, de initiatieven voor Basiskwaliteit Natuur en het GLB (Gemeenschappelijk Landbouwbeleid).

Het is van belang dat maatregelen om compensatiegebieden te optimaliseren duurzaam worden geborgd. Hierbij is het aan te raden om ten minste voor een termijn van 5 jaar het beheer van de genomen maatregelen te borgen. Daarna kan aan de hand van de staat van instandhouding op dat moment beoordeeld worden of een langere tijdshorizon moet worden gehanteerd dan de genoemde 5 jaar.

Opheffen of voorkomen barrières

Maatregel

Opheffen of voorkomen van de barrières voor hazen die tot extra sterfte leiden.

Kader maatregel

Behoud functionaliteit, waarborgen staat van instandhouding.

Uitleg

De deskundig ecoloog moet aangeven op welke wijze barrières in het landschap voor de hazen opgeheven kunnen worden, zodat hazen gemakkelijker naar alternatief leefgebied kunnen gaan.
Hazen gebruiken vaak dezelfde wissels. Met specifieke maatregelen zorgt men dat (deel)populaties niet geïsoleerd van elkaar komen te liggen. Deze maatregelen zorgen dat bestaande of nieuwe barrières passeerbaar zijn door hazen. De leidraad Faunavoorzieningen (Smulders et al., 2021) bevat de meest recente inzichten om faunavoorzieningen zo effectief mogelijk aan te leggen. In deze leidraad ontbreekt echter de haas. Een goed alternatief voor haas is daarom de internationale leidraad Wildlife and Traffic: A European Handbook for Identifying Conflicts and Designing Solutions, COST Action 341 (2022). Dit document geeft aan dat hazen gebruik maken van ecoducten, faunabruggen, en ruimere passages onder bruggen en viaducten, inclusief plankieren onder bruggen. Smallere tunnels, zoals dassentunnels en kleinwildtunnels, worden anekdotisch gebruikt en zijn niet effectief bij het passeerbaar maken van barrières. Geleidende structuren zijn essentieel voor het functioneren. Openstaande hekken, kapotte rasters en ondergelopen tunnels zorgen er regelmatig voor dat faunavoorzieningen die bedoeld zijn om dieren te leiden of verbindingen te maken, in de praktijk niet functioneren.

Mogelijke maatregelen gericht op wegverkeer
  • Sluit wegen af voor (niet-bestemmings-)verkeer tussen een half uur voor zonsondergang en zonsopkomst.
  • Verlaag de maximumsnelheid.
  • Breng snelheid-remmende voorzieningen aan, bijvoorbeeld drempels of wegversmallingen. Ook kunnen wegen doodlopend worden gemaakt.
  • Uitvoeren van de activiteiten overdag en de wissels een half uur voor zonsondergang weer vrijmaken van obstakels en andere menselijke invloeden.
  • Bermen zodanig beheren dat het deel van de berm direct grenzend aan het de weg kort wordt gemaaid, dit ter voorkoming van een aanrijding door verkeer. Door het korthouden van de bermstrook direct naast de weg, kan de haas over de begroeiing heen kijken en de weg waarnemen. Hiermee wordt voorkomen dat de haas uit de begroeiing loopt en direct op de weg beland. De rest van de berm kan dan ecologisch beheerd worden en hogere begroeiing vormen.
  • Faunavoorzieningen aanleggen zoals faunatunnels, loopplanken in duikers of loopstroken op viaducten. Dit kan zowel de aanleg van nieuwe als optimalisatie van bestaande voorzieningen zijn. Deze voorzieningen moeten aansluiten op fauna-kerende rasters of andere geleidende structuren.
Maatregelen gericht op watergangen
  • Vermijd verticale beschoeiing, maar zorg dat hazen op elke plek het water kunnen verlaten door bijvoorbeeld steenstort te gebruiken of natuurvriendelijke oevers aan te leggen.
  • Plaats bij aanleg van verticale beschoeiingen minimaal om de 100 meter (bij voorkeur om de 50 meter) een veilige uittreedplaats. Bij uitreedplaatsen aan de wegzijde van een watergang mogen deze niet leiden tot extra verkeerslachtoffers.
  • Plaats loopplanken of bruggetjes als watergangen breder zijn dan 3 meter en daarmee een barrière vormen voor hazen om overheen te kunnen springen. Waak er echter voor dat loopplanken waterschuwe predatoren als de huiskat de mogelijkheid biedt om hazenleefgebied te betreden vanuit de woonwijken. Het plaatsen van uittredeplaatsen is dan een effectievere maatregel om de barrièrewerking op te heffen. Katten zullen een dergelijke watergang niet overzwemmen, maar hazen wel. Ligt de watergang verder weg van bebouwing, en is er weinig risico op huiskatten, dan is een loopplank wel een goede manier om de barrière werking van een watergang op te heffen. Echter, dan geldt nog steeds dat hazen die in de watergang terechtkomen, zullen verdrinken.
Maatregelen gericht op bebouwing
  • Tussen lintbebouwing behouden of versterken van ruimte, zodat hazen tussen de woningen door kunnen bewegen en door het niet geheel dichtmaken met erfafscheiding.
  • Nieuwe woonwijken in het buitengebied voorzien van voldoende stroken en dekking, zodat hazen zich kunnen verplaatsen.
Maatregelen gericht op omheinde percelen
  • Openingen maken bij hekwerken van een meter of hoger, want deze vormen anders een barrière voor de haas. Maak de openingen ter hoogte van wissels.

Opstellen ecologisch werkprotocol

Maatregel

Een ecologische deskundige stelt indien nodig een ecologisch werkprotocol op. Dit ecologisch werkprotocol moet op de locatie aanwezig zijn en de inhoud moet bij de betrokken medewerkers bekend zijn. De activiteiten moeten aantoonbaar volgens dit protocol worden uitgevoerd.

Kader maatregel

Zorgplicht/zorgvuldig handelen.

Uitleg

In een ecologisch werkprotocol staan de maatregelen omschreven om effecten op beschermde soorten te voorkomen. Ook staat erin hoe te handelen als deze effecten toch optreden. In het ecologische werkprotocol is onder andere te vinden:

  1. in welke periode gewerkt moet worden;
  2. welke activiteiten op welke locatie(s) en op welk moment plaatsvinden;
  3. welke maatregelen worden genomen gedurende het werk en wat daarmee wordt gerealiseerd voor de haas;
  4. wanneer begeleiding door een ecologische deskundige noodzakelijk is;
  5. hoe monitoring van de effectiviteit van de genomen maatregelen gebeurt;
  6. wie de deskundige is, wat zijn of haar ervaringen zijn op het gebied van de haas en wat de ecologische deskundige exact gaat doen;
  7. wanneer en op welke wijze het logboek wordt bijgehouden.

Uitvoeren monitoring

Maatregel

Soms kan het nodig zijn om het effect van activiteiten op de populatie hazen en de effectiviteit van de genomen maatregelen te monitoren, om zo nodig bij te sturen.

Kader maatregel

Onderzoeken effectiviteit maatregelen.

Uitleg

Monitoring van de hazenstand of de effectiviteit van genomen maatregelen is toe te passen in verschillende situaties. Bijvoorbeeld als er een kwetsbare functie wordt aangetast of als de staat van instandhouding landelijk of lokaal ongunstig is. Ook valt monitoring toe te passen bij projecten die door de schaalgrootte of de cumulatie met andere projecten in de buurt een negatief effect kunnen hebben op de staat van instandhouding. Projecten waar grootschalige effecten op de lokale staat van instandhouding valt te verwachten, zijn bijvoorbeeld projecten waar veel verblijfplaatsen verdwijnen. Monitoring kan ook worden toegepast om de effectiviteit van (experimentele) maatregelen te onderzoeken die de habitatkwaliteit voor hazen moeten verbeteren.

Monitoring kan alleen volgen op de uitvoering van verdiepend onderzoek. Dit vanwege het belang van het hebben van een nulmeting, anders is er geen vergelijking mogelijk met de oorspronkelijke situatie.

Monitoring van de effectiviteit van maatregelen

Het kan nodig zijn de effectiviteit van de maatregelen, zoals opgenomen in hoofdstuk 4, te controleren op hun effectiviteit. Denk bijvoorbeeld aan het functioneren van faunapassages, rasters of optimalisatiemaatregelen in compensatiegebieden. Soms is het ook nodig om de verplaatste populatie te monitoren.

Monitoring kan worden uitgevoerd voor het meten van de effectiviteit van de maatregelen waar de effectiviteit nog niet van bewezen is, waaronder ook experimentele maatregelen. Voor de uitvoering van monitoring zijn de richtlijnen van toepassing zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Experimentele maatregelen mogen niet ten koste gaan van de effectiviteit van de benodigde mitigatie/compensatie. Dit vraagt extra aandacht bij het beschrijven van de gehanteerde methodiek in de rapportage die bij de omgevingsvergunningsaanvraag nodig is. Een mogelijk protocol voor monitoring is het Kader Monitoring Maatregelen van de RVO. Het protocol hanteert de BACI-methode, Before After Control Impact (Bollerman et al., 2023). Welke onderzoeksinspanning en methodieken nodig zijn voor de monitoring hangt af van wat er gemonitord wordt (gebruik, dichtheden, gedrag, reproductie, et cetera) en is daarmee maatwerk.

Monitoren staat van instandhouding

Een voorbeeld van een geschikte methode voor het monitoren van de staat van instandhouding van de haas is het NEM Meetprogramma Dagactieve Zoogdieren Broedvogel Monitoring Project. Het doel van de methode voor het monitoren van de staat van instandhouding is om een vergelijking te maken van de verspreiding en populatiegrootte gedurende een lange(re) periode. Hierdoor kan de trend worden bepaald.

Bronnen

Verwijzingen:

  • Averianov, A., Niethammer, J., & Pegel, M. (2003). Lepus europaeus – Feldhase. In: Niethammer, J., & Krapp, F. (red.). Handbuch der Säugetieren Europas. Band 3/II: Hasentieren Lagomorpha. Aula-Verlag, Wiebelsheim.
  • Baumann, M. (2003). Pflugfurchenproject zur Forderung des Feldhasen in der Solothurner Witi. Solothurn, Jagd und Fischerei Kanton Solothurn. 26 S.
  • Bertóti, I. (1975). The effect of modern corn production system on hare production (in Hungarian). A Vadgazdalkodas Fejlesztese 15: 33–41.
  • Bollerman, S., Bankert, D., Dekker, J., Klasberg, M. & Limpens, H. (2023). Kader Monitoring Maatregelen Soortenbescherming. RVO.
  • Bolton, M., Tyler, G., Smith, K., & Bamford, R. (2017). The impact of predator control on lapwing Vanellus vanellus breeding success on wet grassland nature reserves. Journal of Applied Ecology 44: 534-544. https://doi.org/10.1111/j.1365-2664.2007.01288.x
  • Borkent, B., Brandenburg, K., & van Zweden, J. (2024) Evaluatie KNJV wildvoorjaarstellingen 2013-2024. CBS, Den Haag, Nederland.
  • Brandsen, S., Vermorken, L.S., Kuipers, H.J., et al. (2024). Reactive response to predation risk affects foraging time of hares, yet not their phosphorus intake. Mamm Biol 104: 115–127. https://doi.org/10.1007/s42991-023-00385-0
  • Bray, Y., Devillard, S., Marboutin, E., Mauvy, B., Péroux, R. (2007). Natal dispersal of European hare in France. Journal of Zoology 273(4): 426-434.
  • Broekhuizen, S. (1982). Hazen in Nederland. Landbouwhogeschool. https://doi.org/10.18174/205964
  • Broekhuizen, S., & Maaskamp, F. (1982). Movement, home range and clustering in the European hare (Lepus europaeus PALLAS) in the Netherlands. Zeitschrift für Saugetierkunde 47: 22-32.
  • Brüll, U., (1973). Wildfutterpflanzengesellschaften und Futterwerter von Feldhasen (Lepus europaeus) genützten Pflanzen. Proefschrift. Universiteit van Hamburg, Hamburg, Duitsland.
  • Buys, J., & Dekker, J. (2010). In een groen groen boerenland….: Hazen en landgebruik in Limburg. Natuurhistorisch Maandblad, 99(5): 97–102.
  • Burt, W.H. (1943). Territoriality and home range concepts as applied to mammals. Journal of Mammalogy, 24(3): 346–352. https://doi.org/10.2307/1374834
  • Bray, Y., Devillard, S., Marboutin, E., Mauvy, B., Péroux, R. (2007). Natal dispersal of European hare in France. J Zool 273: 426–43
  • Cowan, D.P., & Bell, D.J. (1986). Leporid social behaviour and social organization. Mammal Review, 16(3-4): 169-179. https://doi.org/10.1111/j.1365-2907.1986.tb00039.
  • Dekker, J. (2010). Hazen tussen duin en dijk. Tussen Duin en Dijk, 9(2), 7-9.
  • Dekker J. & Van Norren, E. (2021). Achteruitgang van haas en konijn sinds 1950. Oorzaken en beschermings- mogelijkheden. Rapport 2020.24. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
  • Dekker, J. (2023). Hazentelling Zuid-Holland met warmtebeeld – 2024. Jasja Dekker Dierecologie B.V., Arnhem.
  • Edwards, P.J., Fletcher, M.R., & Berny, P. (2000). Review of the factors affecting the decline of the European brown hare, Lepus europaeus (Pallas, 1778) and the use of wildlife incident data to evaluate the significance of paraquat. Agriculture, Ecosystems and Environment 79: 95–103.
  • Fauna akkers; een praktische handleiding
  • Fischer, J., Heynen, D., & Kery, M. (2010). Uberwachung und forderung des feldhasen in der Schweiz- Erkenntnisse aus 18 jahren feldhasenmonitoring. In: Godt et al. fachtagung feldhase.
  • Fischer, C. & Tagand, R. (2012). Spatial behaviour and survival of translocated wild brown hares. Animal Bio- diversity and Conservation 35(2): 189–196.
  • Frylestam, B. (1979). Studies on the European hare. Xxxv. Structure, size and dynamics of three European hare populations in Southersn Sweden. Acta Theriologica 24 (33): 449-464.
  • Frylestam, B. (1980). Utilisation of farmland habitats by European hares (Lepus europaeus, Pallas) in southern Sweden. Swedish Wildlife Research 980, 11:271-284.
  • Frylestam, B. (1986). Agricultural land use effects on the winter diet of brown hares (Lepus europaeus Pallas) in southern Sweden. Mammal Review, 16, 157–161.
  • Fuchs, S., & Stein-Bachinger, K. (2008). Naturschutz im Ökolandbau – Praxishandbuch für den ökologischen Ackerbau im nordostdeutschen Raum. Bioinstitut, Olomouc, Tsjechië.
  • Game and Wildlife Conservation Trust (2002). Conserving the brown hare: A practical guide produced by the Game & Wildlife Conservation Trust for farmers, landowners and local Biodiversity Action Plan groups. Hampshire, UK.
  • Godt, J., Lang, J., Kugelschafter, K., Baierl, C., Van Elsen, T., Haase, T., & Hess, T. (2010). Optimierung eines nachhaltigen landwirtschaftlichen Nutzungssystems (Ökolandbau) hinsichtlich der
  • Lebensraumbedingungen von Offenlandarten. In: Lang, J.; Godt, J. & Rosenthal G. (Hrsg.): Fachtagung Feldhase. Ergebnisse der “Fachtagung Feldhase – Der aktuelle Stand der Hasenforschung” 19. – 20. März 2010 in Kassel. Lutra Verlags- und Vertriebsgesellschaft, Tauer: 121 – 132.
  • Goszczynski, J., & Wasilewski, M. (1992). Predation of foxes on a hare population in central Poland. Acta Theriologica 4:329-338.
  • Grendelmeier, B. (2011). Entwicklung einer junghasenschonenden Mähmethode. – Bachelor-thesis, Fachstelle Wildtier- und Landschaftsmanagement WILMA der Zürcher Hochschule für Angewandte Wissenschaften ZHAW und Hintermann & Weber.
  • Hackländer, K., Tataruch, F., Ruf, T. (2002). The effect of dietary fat content on lactation energetics in the European hare (Lepus europaeus). Physiol Biochem Zool 75:19-28.
  • Hackländer, K. (2023). European Hare Lepus europaeus Pallas, 1778, in: Hackländer, Klau, Alves, P.C. (Eds.), Primates and Lagomorpha, Handbook of the Mammals of Europe. Springer International Publishing, Cham.
  • Hoefs, R.M.A., Van Doorn, A.M., Smidt, R.A., & Van Os, J. (2010). Landschappelijke effecten van ontwikkelingen in de landbouw (No. 215). Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu.
  • Hoeksma, W. (1950). De Familie Lepus. 2de druk. N.V. Uitgevers-Maatschappij AE.E. Kluwer, Deventer, Nederland: 61-72.
  • Huber, J. (2004). Heer Lampe, de Europese haas in Nederland. ISBN 90-12-10114-X. Uitgeverij Koninklijke Vermande.
  • Hutchings, M.R., & Harris, S. (1996). The Current Status of the Brown Hare (Lepus europaeus) in Britain.
  • Iuell, B., Bekker, G.J., Cuperus, R., Dufek, J., Fry, G., Hicks, C., Hlaváþ, V., Keller, V., Rosell, C., Sangwine, T., Tørsløv, N., Wandall, B.M. (2003). Wildlife and Traffic: A European Handbook for
  • Identifying Conflicts and Designing Solutions, KNNV Natural History Publishers, Utrecht, The Netherlands (www.knnvuitgeverij.nl), ISBN: 90-5011- 186-6.
  • Jagersvereniging.nl
  • Jezierski, W. (1967). Four cases of ‘home instinct’ in the European hare. Acta Theriol 12:1 73–174.
  • Kaluzinski, J., & Pielowski, Z. (1976). The effect of technical agricultural operations on the hare population. In: Z. Pielowski & Z. Pucek Z (red.). Ecology and management of European hare populations. Polish Hunting Association, Warschau: 205–211.
  • Karp, D., & Gehr, B. (2020). Bad hare day: very low survival rate in brown hare leverets. Wildlife Biology.
  • Kilias, H., & Ackermann, W. (2001). Zur Bestandssituation des Feldhasen (Lepus europaeus Pallas) in Bayern. Zeitschrift für Jagdwissenschaft, 47, 111–124.
  • Knauer, F., Küchenhoff, H., & Pilz, S. (2010). A statistical analysis of the relationship between red fox Vulpes vulpes and its prey species (grey partridge Perdix perdix, brown hare Lepus europaeus and rabbit Oryctolagus cuniculus) in Western Germany from 1958 to 1998. Wildlife Biology 16: 56-65.
  • Koopmans, M., Dekker, J., Kappers, E.F., & Loonstra, J. (2024). Soorten van de wildlijst. Verkenning van oorzaken populatiedaling en mogelijkheden tot herstel. A&W-rapport 22-401 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden
  • Krebs, C.J., Boonstra, R., Boutin, S., & Sinclair, A.R.E. (2001). What drives the 10-year cycle of snowshoe hares? Bioscience, 51(1): 25-35.
  • Krivopalova, A., Mikula, P., Cukor, J., Ševčík, R., Brynychová, K., & Šálek, M. (2024). Adaptation of farmland mammalian specialist to urban life: Escape behavior of European hare along the urbanrural gradient. Science of the Total Environment, 951, Article 175779. https://doi.org/10.1016/j.scitotenv.2024.175779
  • Kunst P.J.G., Van der Wal, R., & Van Wieren S. (2001). Home ranges of brown hares in a natural salt marsh: comparisons with agricultural systems. Acta Theriologica 46: 287–294.
  • Lamarque, F., Barrat, J., & Moutou, F. (1996). Principal diagnoses for determining causes of mortality in the European brown hare (Lepus europaeus) found dead in France between 1986 and 1994. Gibier Faune Sauvage, 13(1): 53–72
  • Lewandowski, K., & Nowakowski, J.J. (1993). Spatial distribution of brown hare Lepus europaeus populations in habitats of various types of agriculture. Acta Theriologica 38: 435–442.
  • Lundström-Gilliérona, C., & Schlaepfer, R. (2003). Hare abundance as an indicator for urbanisation and intensification of agriculture in Western Europe. Ecological Modelling 168(3): 283-301.
  • Marboutin, E., & Aebischer, N.J., (1996). Does harvesting arable crops influence the behaviour of the European hare Lepus europaeus? Wildlife Biology 2, 83–91
  • Marboutin, E., Bray, Y., Peroux, R., Mauvy, B., & Lartiges, A. (2003). Population dynamics in European Hare: breeding parameters and sustainable harvest rates. Journal of Applied Ecology 40(3): 580–91.
  • Mayer, M., Haugaard, L., & Sunde, P. (2021). Scared as a hare: effects of capture and experimental disturbance on survival and movement behavior of European hares. Wildlife Biology 2021. https://doi.org/10.2981/wlb.00840
  • Mayer, M., Fischer, C., Blaum, N., Sunde, P., Ullmann, W. (2023). Influence of roads on space use by European hares in different landscapes. Landscape Ecology 38, 131–146. https://doi.org/10.1007/s10980-022-01552-3
  • McLaren, G.W., Hutchings, M.R., & Harris, S. (1997). Why are brown hares (Lepus europaeus) rare in pastoral landscapes in Great Britain? Gibier Faune Sauvage 14: 335–348.
  • Milanov, Z.B. (1996). Effect of mowing fodder plants on small game populations in central Bulgaria. Proceedings of the International Union of Game Biologists, XXII Congress, Sofia 1995: 394-397.
  • Milanov, Z.B. & Dimov, S.B. (1990). Losses of offspring in the population of Lepus europaeus Pall. 1778 during mechanized harvest of alfalfa. – Ekologiya (Sofia) 23: 47-51.
  • Misiorowska, M., Wasilewski, M. (2012). Survival and causes of death among released brown hares (Lepus europaeus Pallas, 1778) in Central Poland. Acta Theriol 57: 305–312.
  • Montizaan, M.G.E., & Dekker, J. (2016). Haas Lepus europaeus. In: Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.M.B., Canters, K.J., Buys J.C., (red.). Atlas van de Nederlandse Zoogdieren – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.
  • NDFF Verspreidingsatlas.
  • NEM Meetprogramma Dagactieve Zoogdieren Broedvogel Monitoring Project | De Zoogdiervereniging
  • Norren, E. Van, Dekker, J., & Limpens, H. (2020). Basisrapport Rode Lijst Zoogdieren 2020 volgens Nederlandse en IUCN-criteria. Rapport 2019.026. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
  • Op de Hoek, T., Schrama, M., & Smit, C. (2013). Verwilderde katten op Schiermonnikoog. De Levende Natuur, 114(1): 4–8.
  • Olesen, C.R., & Asferg, T. (2006). Assessing potential causes for the population decline of European brown hare in the agricultural. and no.: NERI Technical Report, (600).
  • Ottens, H.J., & Wiersma, P. (2016). Hoe de hazen lopen in Groningen. Werkgroep grauwe Kiekendief, Nature today, 3 november 2016. Nature Today | Hoe de Hazen lopen in Groningen
  • Paci, G., Ferretti, M., Bagliacca, M., (2012). Reducing visual stimulations in European hares (Lepus europaeus Pallas) captured for translocation. Italian Journal of Animal Science 11, e51. https://doi.org/10.4081/ijas.2012.e51
  • Panek, M., Kamieniarz, R., & Bresiński, W. (2006). The effect of experimental removal of red foxes Vulpes vulpes on spring density of brown hares Lepus europaeus in western Poland. Acta Theriologica 51:187–193
  • Pavliska, P.L., Riegert, J., Grill, S., & Šálek, M. (2018). The effect of landscape heterogeneity on population density and habitat preferences of the European hare (Lepus europaeus) in contrasting farmlands. Mammalian Biology 88: 8–15
  • Pegel, M. (2005). Europaischer Feldhase Lepus europaeus Pallas. In Braun, F., Dieterlen, F. (Hrsg.) Die Saugetiere Baden-Wurttembergs. Stuttgart, Eugen Ulmer. Band 2, 1778: 105-130.
  • Pépin D, & Angibault, J.M. (2007). Selection of resting sites by the european hare as related to habitat characteristics during agricultural changes. European Journal of Wildlife Research, 53:183-189.
  • Pepin, D. (1989). Variation in survival of brown hare (Lepus europaeus) leverets from different farmland areas in Paris basin. Journal of Applied Ecology 26: 13–23.
  • Petrov, P. (1976). Über den Hasenbestand in Bulgarien. In: Z. Pielowski & Z. Pucek Z (red.). Ecology and management of European hare populations. Polish Hunting Association, Warschau: 205–211.
  • Petrovan, S.O. (2011). The landscape ecology of brown hares and European rabbits in pastures in the northeast of England. PhD Thesis, University of Hull, Engeland
  • Pfister, H.P., Kohli, L., Kastli, P., Birrer, S. (2002). Feldhase Schlussbericht 1991-2000 – 150 S. – Schriftenreihe Umwelt, Wildtiere 334. BUWAL 2002, Bern: 150 S.
  • Preisser, E., Bolnick, D., & Benard, M. (2005). Scared to Death? The Effects of Intimidation and Consumption in Predator-Prey Interactions. Ecology, Vol. 86, No. 2 (Feb., 2005): 501-509.
  • Reynolds, J.C., & Tapper, S.C. (1995). Predation by foxes Vulpes vulpes on brown hares Lepus europaeus in central southern England, and its potential impact on annual population growth. Wildlife Biology, 1, 145–158.
  • Reynolds, J.C., Stoate, C., Brockless, M.H., Aebischer, N.J., & Tapper, S.C. (2010). The consequences of predator control for brown hares (Lepus europaeus) on UK farmland. European Journal of Wildlife Research, 56: 541-549.
  • Reitz, F., & Leonard, Y. (1994). Characteristics of European hare Lepus europaeus use of space in a French agricultural region of intensive farming. Acta Theriologica 39(2): 143-157.
  • Rödel, H., & Dekker, J. (2012). Weer, konijn en haas. Zoogdier, 23(4), 1-3.
  • Rödel, H.G., Dekker, J. (2012). Influence of weather factors on population dynamics of two lagomorph species based on hunting bag records. Eur J Wildl Res 58: 923–932.
  • Rosell, C., Seiler, A., Chretien, L.T.S., Guinard, E., Trocmé, M., Hlavac, V., Hofland, A., Mot, R., Reck, H., Sangwine, T., Sjölund, A., Georgiadis, L., Hahn, E., Bekker, H., Bil, M., Böttcher, M. E., O’Malley, V., Autret, Y., & Van der Grift, E. A. (2022). Wildlife and Traffic: A European Handbook for Identifying Conflicts and Designing Solutions. IENE. https://handbookwildlifetraffic.info/
  • Rühe, F., & Hohmann, U. (2004). Seasonal locomotion and home-range characteristics of European hares (Lepus europaeus) in an arable region in central Germany. European Journal of Wildlife Research 50(3):101- 111.
  • Schäfers, G., Ebersbach, H., Reimers, H., Körber, P., Janke, K., Borggräfer, K., Landweht, F. (2016). Atlas der Säugetiere Hamburg. Artenbestand, Verbreitung, Rote Liste, Gefährdung und Schutz. – Behörde für Umwelt und Energie, Amt f. Naturschutz, Grünplanung und Energie, Abteilung Naturschutz. Hamburg.
    Schai-Braun, S.C., & Hackländer, K. (2014). Home range use by the European hare (Lepus europaeus) in a structurally diverse agricultural landscape analysed at a fine temporal scale. Acta Theriol 59, 277–287. https://doi.org/10.1007/s13364-013-0162-9
  • Schai-Braun, S.C. & Hackländer, K. (2016). Family Leporidae (Hares and Rabbits). In D. E. Wilson, T. E. Lacher Jr. & R. A. Mittermeier, Handbook of the mammals of the world. 6. Lagomorphs and Rodents I (pp. 62-149). Barcelona: Lynx Edicions.
  • Schai-Braun, S.C., Kowalczyk, C., Klansek, E., & Hackländer, K. (2019). Estimating sustainable harvest rates for European hare (Lepus Europaeus) populations. Sustainability, 11(10), 2837.
  • Schneider, E. (1978). Der Feldhase, Biologie-Verhalten Hege und Jagd. BLV Verlaggesellschaft Munchen
  • Schneider, E., & Heidenreich, A. (1989). Food intake and faeces output of brown hares in captivity. Abstracts of papers en posters of the 5th International Theriological Congress: 198.
  • Schmidt, N.M., Asferg, T., & Forchhammer, M.C. (2004). Long-term patterns in European brown hare population dynamics in Denmark: effects of agriculture, predation and climate. BMC Ecology 4:article 15.
  • Sliwinski, K., Strauß, E., Jung, K., Siebert, U. (2021). Comparison of spotlighting monitoring data of European brown hare (Lepus europaeus) relative population densities with infrared thermography in agricultural landscapes in Northern Germany. PLoS ONE 16(7): e0254084. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0254084
  • Smith, R.K., Vaughan Jennings, N., & Harris, S. (2005). A quantitative analysis of the abundance and demography of European hares Lepus europaeus in relation to habitat type, intensity of agriculture and climate Mammal Review 12:1-24.
  • Smith, J.A., McDaniels, M.E., Peacor, S.D., et al. (2024). Population and community consequences of perceived risk from humans in wildlife. ECOLOGY LETTERS, 27(6), 10.1111/ele.14456
  • Smulders, P.B., Wansink, D.E.H., Van der Grift, E., Nouwens, L., Hofland, A.C., (2021). Leidraad Faunavoorzieningen bij Infrastructuur. Rijkswaterstaat, Dienst Water, Verkeer en Leefomgeving, Utrecht. Wildl Res 40:545–551
  • Spath, H., & Schütz, W. (1990). Management of wild rabbit and brown hare populations in agricultural landscapes. European Journal of Wildlife Research, 36(4), 213–222. https://doi.org/10.1007/BF01769496
  • Strauß, E., Grauer, A., Bartel, M., Klein, R., Wenzeilides, L., Greiser, G., Muchin, A., Nösel, H., Winter, A. (2008). The German wildlife information system: Population densities and development of European Hare (Lepus europaeus PALLAS) during 2002-2005 in Germany, February 2008, European Journal of Wildlife Research 54(1):142-147, DOI:10.1007/s10344-007-0112-4
  • Tapper, S.C., & Barnes, R.F.W. (1986). Influence of farming practice on the ecology of the brown hare (Lepus europaeus). Journal of applied Ecology, 39-52.
  • Telinstructies-nachtonderzoek.pdf (jagersvereniging.nl)
  • Ter Harmsel, R., Bijlsma, R.J., Van der Grift, E., Villing, N., Van Eupen, M., Biersteker, L., & Los, S. (2022). Staat van instandhouding haas en konijn. Rapport 3152, Wageningen Environmental Research, Wageningen Universiteit & Research, Wageningen. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-1028887
  • Valencak, T.G., Tataruch, F., & Ruf, T. (2009). Peak energy turnover in lactating European hares: the role of fat reserves. Journal of Experimental Biology 212: 231-237.
  • Van den Ende, J.M. (2015). Spatial ecology and prey choice of tagged feral cats on Schiermonnikoog. M.Sc. Dissertation, VU, Amsterdam.
  • Van Lunteren, P. (2022). Analyse dag-/nachttellingen Haas, konijn en ree, Bureau Waardenburg en Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging 2022: Analyse dag-/nachttellingen Haas, konijn en ree, Bureau Waardenburg en Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging 2022
  • Van Vliet, A. & Bron, W. (2018). Moment van maaien vervroegt sneller dan eilegdatum kievit. Geraadpleegd op https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature-reports/message/?msg=24334
  • Voigt, U., Siebert, U. (2019). Living on the edge – circadian habitat usage in pre-weaning European hares (Lepus europaeus) in an intensively used agricultural area. PLoS ONE 14(9): e0222205. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0222205
  • Voigt, U., & Siebert, U. (2020). Survival rates on pre-weaning European hares (Lepus europaeus) in an intensively used agricultural area. European Journal of Wildlife Research, 66(4), 1-12.
  • Weber, D., Roth, T., & Kohli, L. (2019). Increasing brown hare (Lepus europaeus) densities in farmland without predator culling: results of a field experiment in Switzerland. European Journal of Wildlife Research 65: article number 75.
  • Weterings, M.J.A., Fokkema, R.W., Kuipers, H.J., Boot, W., Grossmann, M.C., Van der Struik, D., Van de Walle, I., van Til, E. & Jongepier, E. (in prep.) Large-scale surveillance of a cryptic mammal species: a comparison of visual- and thermal-imager counts. Ecological Solutions and Evidence.
  • Weterings, M.J.A., Losekoot, S., Kuipers, H.J., Prins, H.H.T., Langevelde, F., Wieren, S.E. (2022). Influence of multiple predators decreases body condition and fecundity of European hares. Ecology and Evolution 12. https://doi.org/10.1002/ece3.8442
  • Weterings, M.J.A., Weiß, M. & Kuipers, H. (2023). Impact-analyse: Gevolgen sluiting van jacht op de populatie van wildlijstsoorten. Rapport VHL.2023. 7902350001. Van Hall Larenstein University of Applied Sciences, Leeuwarden
  • Zoogdiervereniging, 2025. De Haas. Gevonden op https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/haas.

Websites

Totstandkoming publicatie

Het tot stand komen van dit kennisdocument is in 2025 begeleid door Sana Okayasu/ procesbegeleider BIJ12 en Mirjam Vijfhuize/ ecoloog BIJ12. De kwaliteitscontrole is uitgevoerd door Esther den Heijer/ ecoloog BIJ12 en Kees Straates/ ecoloog BIJ12.
Deze publicatie is tot stand gekomen in samenwerking met Jasja Dekker/ Jasja Dekker Dierecologie, Jeroen Nagtegaal/ TAUW namens Netwerk Groene Bureaus, Alfred Melissen/ Zoogdiervereniging en Martijn Weterings/ Hogeschool Van Hall Larenstein.
Vanuit de provincie en RVO zijn de volgende personen betrokken: Laura Dijkman-Fugers en Joyce Verschoor/ Provincie Utrecht, Manon Mulder/ Provincie Groningen, Noortje Meijdam/ Provincie Zeeland en J. Beihuisen/ Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Deze publicatie is in opdracht van het Interprovinciaal Overleg (IPO) door BIJ12 opgesteld en gecoördineerd.

Colofon

Dit is een publicatie van BIJ12

BIJ12
Leidseveer 2
3511 SB Utrecht

Meer informatie

Voor specifieke vragen met betrekking tot de uitvoering van de wet of beoordeling van een aanvraag kunt u contact opnemen met de desbetreffende provincie.

Bronvermelding

Kennisdocument Haas, versie 1.0
BIJ12 december 2025

Foto’s

Foto’s afkomstig via buiten-beeld.nl tenzij anders vermeld.
Foto header: Saxifraga-Piet Munsterman

Bijlage 1: Wet- en regelgeving

Het juridisch kader voor de bescherming van de haas is vastgelegd in de volgende artikelen:

  • Artikelen 5.1 en 5.2 van de Omgevingswet;
  • Artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit;
  • Artikelen 11.1, 11.2, 11.6, 11.22, 11.23, 11.27, 11.54, 11.112, 11.116 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Deze staan hieronder uiteengezet.

Omgevingswet

Artikel 5.1 (Omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
    1. een omgevingsplanactiviteit,
    2. een rijksmonumentenactiviteit,
    3. een ontgrondingsactiviteit,
    4. een stortingsactiviteit op zee,
    5. een Natura 2000-activiteit,
    6. een jachtgeweeractiviteit,
    7. een valkeniersactiviteit,tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
    1. een bouwactiviteit,
    2. een milieubelastende activiteit,
    3. een lozingsactiviteit op:
      1. een oppervlaktewaterlichaam,
      2. een zuiveringtechnisch werk,
    4. een wateronttrekkingsactiviteit,
    5. een mijnbouwlocatieactiviteit,
    6. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:
      1. een weg,
      2. een waterstaatswerk,
      3. een luchthaven,
      4. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,
      5. een installatie in een waterstaatswerk,
    7. een flora- en fauna-activiteit,

voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

Artikel 5.2 (Afbakening vergunningplicht artikel 5.1)

  1. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen. Daarbij kunnen voor:
    1. een omgevingsplanactiviteit,
    2. een ontgrondingsactiviteit,
    3. een milieubelastende activiteit,
    4. een lozingsactiviteit op:
      1. een oppervlaktewaterlichaam,
      2. een zuiveringtechnisch werk,
    5. een wateronttrekkingsactiviteit,
    6. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg,
    7. een Natura 2000-activiteit,
    8. een flora- en fauna-activiteit,
    9. een jachtgeweeractiviteit,gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening van de aanwijzing kan worden afgeweken.
  2. Voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument kunnen ook bij het besluit tot aanwijzing van een archeologisch moment als rijksmonument, bedoeld in artikel 3.1 van de Erfgoedwet, gevallen worden aangewezen waarin het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, niet geldt. Deze gevallen hebben alleen betrekking op onderdelen van het archeologisch monument die uit het oogpunt van de archeologische monumentenzorg geen waarde hebben.
  3. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor:
    1. een Natura 2000-activiteit,
    2. een flora- en fauna-activiteit,
    3. een jachtgeweeractiviteit,
    4. een valkeniersactiviteit,gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, bij ministeriële regeling, van de aanwijzing kan worden afgeweken.
  4. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor:
    1. een Natura 2000-activiteit,
    2. een flora- en fauna-activiteit,gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in een programma van de aanwijzing kan worden afgeweken.
  5. Op grond van artikel 5.1, worden in ieder geval gevallen aangewezen ter uitvoering van:
    1. de habitatrichtlijn,
    2. de kaderrichtlijn afvalstoffen,
    3. de kaderrichtlijn water,
    4. het Londen-protocol,
    5. de mer-richtlijn, 
f. het Ospar-verdrag,
    6. de richtlijn industriële emissies,
    7. de richtlijn offshore veiligheid,
    8. de richtlijn stedelijk afvalwater,
    9. de richtlijn winningsafval,
    10. de Seveso-richtlijn,
    11. het verdrag van Aarhus,
    12. het verdrag van Bern,
    13. het verdrag van Bonn,
    14. het verdrag van Valletta,
    15. de vogelrichtlijn.

Omgevingsbesluit

Artikel 4.12 (bevoegd gezag Minister voor Natuur en Stikstof enkel- en meervoudige aanvraag)

  1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:
    1. een Natura 2000-activiteit van nationaal belang; of
    2. een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang.
  2. De volgende Natura 2000-activiteiten en de volgende flora- en fauna-activiteiten (als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.39, 11.40, 11.46, 11,47, aanhef en onder b, 11.48, 11.54. 11.60 en 11.61 van het Besluit activiteiten leefomgeving) worden als activiteiten van nationaal belang aangewezen:
    1. een activiteit voor het aanleggen, uitbreiden, inrichten, wijzigen, gebruiken, beheren of onderhouden van:
      1. een autoweg, autosnelweg, vaarweg, hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg, voor zover deze weg wordt beheerd door het Rijk en voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het vervoer en transport via deze weg of de inpassing in de fysieke leefomgeving;
      2. een primaire waterkering in beheer bij het Rijk en doorgangen in deze waterkeringen, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met de waterveiligheid of de inpassing in de fysieke leefomgeving;
      3. een militair terrein en een terrein met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met militaire doeleinden of de inpassing in de fysieke leefomgeving;
      4. een militaire luchthaven;
      5. de luchthaven Schiphol of een overige burgerluchthaven van nationale betekenis, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het vervoer en transport via deze luchthaven of met de inpassing in de fysieke leefomgeving;
      6. het gastransportnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder n, van de Gaswet, en de daarmee verbonden gasdrukregelstations en gasdrukmeetstations, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met het gastransport; en
      7. een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen, voor zover de activiteit rechtstreeks samenhangt met de elektriciteitsvoorziening;
    2. een activiteit die rechtstreeks samenhangt met:
      1. het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, onder b, van de wet;
      2. landaanwinning in de territoriale zee; of
      3. het opsporen, winnen of opslaan van:
        1. delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Mijnbouwwet die zich bevinden op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem; of
        2. aardwarmte als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Mijnbouwwet die zich bevindt op een diepte van meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem;
    3. een activiteit van het Rijk die nodig is voor de ontwikkeling, werking en bescherming van de hoofdwateren, bedoeld in bijlage II, onder 1, onder A;
    4. een militaire activiteit, verricht door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, buiten de onder a, onder 3°, bedoelde terreinen, en buiten de onder a, onder 4°, bedoelde militaire luchthavens;
    5. een vlucht met opsporings- of reddingshelikopters buiten de reguliere routes;
    6. de uitoefening van een van de volgende vormen van commerciële visserij of vanwege onderzoek uitgevoerde visserij:
      1. niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren; of
      2. sleepnetvisserij in zoute wateren;
    7. een lozingsactiviteit, inhoudende het brengen van afvalwater in de Waddenzee;
    8. een activiteit verricht door of namens een buitenlandse mogendheid;
    9. een activiteit die rechtstreeks uitvoering geeft aan het op 19 april 1839 te Londen gesloten Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden (Trb. 1966, nr. 161);
    10. een activiteit van of namens een lid van het Koninklijk Huis of op terreinen waar de Kroondrager gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht; en
    11. een activiteit die geheel of grotendeels plaatsvindt in:
      1. het grensgebied, bedoeld in artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, nr. 54);
      2. niet-provinciaal ingedeeld gebied; of
      3. de exclusieve economische zone.
  3. Als flora- en fauna-activiteiten van nationaal belang worden ook aangewezen:
    1. een activiteit als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
    2. een activiteit als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
    3. een activiteit als bedoeld in «artikel 11.37, eerste lid, 11.39, eerste lid, 11.46, eerste lid, 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, of 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om:
      1. het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde dieren ten behoeve van vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren;
      2. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier toe-eigent is gestorven, met het oog op het prepareren ervan;
      3. het onder zich hebben van een geprepareerd uit het wild afkomstig dier; of
      4. het onder zich hebben van dieren of planten die vanuit een ander land binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht;
    4. een activiteit als bedoeld in artikel 11.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van motorboten op open zee als bedoeld in bijlage IV, onder b, tweede gedachtestreep, tweede zin, bij de vogelrichtlijn;
    5. een activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, of 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om het vangen en onder zich hebben van bruinvissen, gewone dolfijnen, gewone zeehonden, grijze zeehonden, tuimelaars, witflankdolfijnen of witsnuitdolfijnen ten behoeve van:
      1. het opvangen en verzorgen van zieke of gewonde dieren van deze soorten in een opvangcentrum; of
      2. het doen van wetenschappelijk onderzoek; en
    6. activiteiten als bedoeld in artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om:
      1. herintroductie van soorten;
      2. het uitzetten van dieren voor het bestrijden van ziekten, plagen of onkruiden;
      3. het uitzetten van dieren samen met de onder 2 bedoelde dieren, als prooidieren voor die dieren; of
      4. het uitzetten van dieren of eieren van dieren buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort.
  4. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkelvoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag betrekking heeft op een valkeniersactiviteit.

Besluit activiteiten leefomgeving

Artikel 11.1 (Activiteiten)

  1. Deze afdeling gaat over activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben.
  2. Deze afdeling gaat niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.

Artikel 11.2 (Oogmerken)

De regels in paragraaf 11.1.2 zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.

Artikel 11.6 (Specifieke zorgplicht)

  1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht:
    1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
    2. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  2. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat:
    1. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied, kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoel-stellingen;
    2. wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten;
    3. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen;
    4. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen;
    5. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
    6. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Artikel 11.22 (Activiteiten)

  1. Deze afdeling gaat over:
    1. flora- en fauna-activiteiten, waarover regels zijn gesteld in de artikelen 11.27 en 11.28 en de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.5;
    2. het handelen volgens een faunabeheerplan, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.6;
    3. de uitoefening van de jacht, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.7;
    4. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden, waaronder het verrichten van een jachtgeweeractiviteit en een valkeniersactiviteit, en het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties om dieren te vangen of te doden, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.8;
    5. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.9;
    6. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.10; en
    7. het vangen, doden en verwerken van walvissen, waarover regels zijn gesteld in paragraaf 11.2.11.
  2. De paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 en 11.2.8 gaan niet over activiteiten die onderwerp zijn van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bedoeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover zij worden verricht in de exclusieve economische zone.

Artikel 11.23 (Oogmerken)

  1. De regels in de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.5 over flora- en fauna-activiteiten zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.
  2. De regels in de paragrafen 11.2.6 en 11.2.7 over het handelen volgens een faunabeheerplan en de uitoefening van de jacht zijn gesteld met het oog op:
    1. de natuurbescherming;
    2. goed jachthouderschap;
    3. het voorkomen en bestrijden van schade door dieren; en
    4. het waarborgen van de veiligheid.
  3. De regels in paragraaf 11.2.8 over het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden zijn gesteld met het oog op:
    1. de natuurbescherming
    2. het waarborgen van de veiligheid;
    3. het beschermen van de gezondheid; en
    4. het beschermen van het milieu.
  4. De regels in paragraaf 11.2.9 over het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten daarvan zijn gesteld met het oog op natuurbescherming.
  5. De regels in paragraaf 11.2.10 over activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben zijn gesteld met het oog op:
    1. de natuurbescherming;
    2. het beschermen van de gezondheid; en
    3. het beschermen van het milieu.
  6. De regels in paragraaf 11.2.11 over het vangen, doden en verwerken van walvissen zijn gesteld met het oog op het voorkomen van mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van de walvisstand.

Artikel 11.27 (Specifieke zorgplicht)

  1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:
    1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
    2. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
    3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:
    1. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:
      1. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;
      2. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;
      3. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en
      4. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;
    2. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand, op grond van objectieve gegevens, nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
    3. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
    4. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;
    5. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
    6. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Artikel 11.54 (Aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen)

  1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
    1. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A;
    2. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en
    3. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B.
  2. Het verbod geldt niet als:
    1. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden;
    2. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of
    3. de activiteit deel uitmaakt van:
      1. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of
      2. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn

Artikel 11.112 (Oogmerken)

  1. De regels in paragraaf 11.3.2 over het vellen en herbeplanten van houtopstanden zijn gesteld met het oog op:
    1. de natuurbescherming;
    2. de instandhouding van het bosareaal in Nederland; en
    3. het beschermen van landschappelijke waarden.
  2. De regels in paragraaf 11.3.2 over de handel in het bezit van hout of houtproducten zijn gesteld met het oog op:
    1. de natuurbescherming;
    2. het beschermen van het milieu;
    3. het tegengaan van klimaatverandering; en
    4. het beheer van natuurlijke hulpbronnen.

Artikel 11.116 (Specifieke zorgplicht)

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.111, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.112, is verplicht:

  1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  2. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.74l (Beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: andere soorten)

  1. Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
    1. er geen andere bevredigende oplossing bestaat;
    2. de activiteit nodig is:
      1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
      2. voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
      3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
      4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of
      5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
      6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
      7. voor het voorkomen van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
      8. voor het beperken van de omvang van de populatie van in het wild levende dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
      9. voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
      10. in het kader van een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
      11. in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
      12. in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of
      13. in het algemeen belang; en
    3. de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
  2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving tot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, genoemd in dat onderdeel onder 1°, 2°, 3°, 7°, 9° en 13°, in aanmerking genomen.
  3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.

Bijlage 2: Begrippenlijst

BegripDefinitie
AlternatievenafwegingDe alternatievenafweging is het systematisch onderzoeken of een voorgenomen activiteit kan worden uitgevoerd op een andere wijze of locatie die minder negatieve effecten heeft op beschermde soorten.
Onder de Omgevingswet moet bij een besluit over een project of omgevingsvergunning worden aangetoond dat:
- er geen uitvoerbaar alternatief bestaat dat dezelfde doelen bereikt met minder of geen significante negatieve effecten op milieu en natuurwaarden;
-negatieve effecten zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt voordat mitigerende maatregelen worden toegepast.
BelangenafwegingDe belangenafweging is het proces waarbij een bevoegd gezag de belangen van het voorgenomen project afweegt tegen de bescherming van natuur en milieu, inclusief beschermde soorten.
Bewezen effectieve maatregelBewezen effectieve maatregelen zijn maatregelen waarvan op basis van objectieve gegevens, wetenschappelijk onderzoek of aantoonbare praktijkervaring is vastgesteld dat zij daadwerkelijk leiden tot de beoogde mitigatie van negatieve effecten op beschermde soorten.
Compenserende maatregelCompenserende maatregelen zijn maatregelen die worden genomen om onvermijdelijke negatieve effecten van een project op beschermde soorten, te vergoeden of goed te maken, zodat de gunstige staat van instandhouding van de soorten op lange termijn wordt gewaarborgd.
Deze maatregelen worden toegepast wanneer negatieve effecten niet volledig kunnen worden vermeden of beperkt, en hebben als doel om het ecologische verlies op een andere plek of op een andere manier te compenseren.
Cumulatieve effectenCumulatieve effecten zijn de gezamenlijke gevolgen van een voorgenomen activiteit in combinatie met andere bestaande, vergunde of redelijkerwijs te verwachten activiteiten of plannen op beschermde soorten.
In de context van de Omgevingswet betekent dit dat niet alleen het individuele effect van een project wordt beoordeeld, maar ook de opgetelde invloed van meerdere projecten of ingrepen die in ruimte en tijd samen kunnen optreden. Deze gezamenlijke effecten kunnen leiden tot significante effecten op soorten, zelfs wanneer elke afzonderlijke activiteit op zichzelf beperkt lijkt.
DispersieHet verlaten van jongen van hun geboortegebied om een eigen home-range te zoeken.
Experimentele maatregelEen experimentele maatregel is een maatregel waarvan de werking, uitvoerbaarheid of effectiviteit nog niet voldoende is aangetoond, maar die wordt toegepast om te onderzoeken of zij kan bijdragen aan het verminderen van negatieve effecten.
Flora- en fauna-activiteitActiviteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Deze begripsbepaling staat in de bijlage bij de Omgevingswet.
Functionele leefomgevingDe omgeving waar alles aanwezig is om de levenscyclus van de haas te voltooien. Bij de haas vallen onder de functionele leefomgeving de delen van het leefgebied met rustplaatsen (zie subparagraaf 1.3.2) en voortplantingsplaatsen (zie subparagraaf 1.3.3), het foerageergebied (zie subparagraaf 1.3.5) en groenstructuren die voldoende dekking bieden (zie subparagraaf 1.3.6). Deze onderdelen moeten binnen de actieradius van een haas liggen en te allen tijde goed bereikbaar zijn, zonder barrières (zie subparagraaf 1.3.7).
Grootvee-eenheden (GVE’s)De GVE of grootvee-eenheid is een rekenkundige maat om de begrazingsdruk of ruimtelijke behoefte van vee of (soms ook) wilde grote grazers te standaardiseren. Het geeft aan hoeveel vee er op een hectare aan landbouwgrond gehouden wordt. Bijvoorbeeld 1 melkkoe = 1 GVE en 1 jong rund = 0,6 GVE.
Home rangeHet gebied waar een individu leeft en dat hij gebruikt voor alle dagelijkse activiteiten, zoals foerageren, paren en het grootbrengen van jongen (Burt, 1943).
Jonge haasBij de term ‘jonge haas’ gaat het om hazen in de eerste maand na de geboorte, als ze afhankelijk zijn van moedermelk. De term wordt gebruikt om onderscheid te maken met juveniele haas.
JuvenielEen juveniel is een jonge, nog niet geslachtsrijp haas die niet meer afhankelijk is van moedermelk. Hazen worden binnen 5-12 maanden geslachtsrijp.
KwelderEen kwelder is een begroeid buitendijks landgebied dat bij hoogwater, en met name bij springtij of storm, overstroomt door zeewater.
LeefgebiedHazenhabitat, biotoop waar hazen leven.
LegerEen ondiep kuiltje in het landschap dat door een haas gebruikt als rust- en schuilplaats.
Mitigerende maatregelMaatregel die wordt genomen om negatieve effecten van een project op beschermde soorten te voorkomen of te beperken.
De maatregel richt zich op het minimaliseren van schade, zodat de negatieve impact op de soorten zo laag mogelijk blijft.
MoerhaasVrouwelijke adulte haas.
RammelaarMannelijke adulte haas.
RammeltijdPiek in de voortplantingsperiode van de haas waarbij de rammelaars zichtbaar bezig zijn met het zoeken en bewaken van een vrouwtje.
Staat van instandhoudingDe staat van instandhouding van een soort geeft aan in hoeverre de populatie, het leefgebied en het verspreidingsgebied van die soort duurzaam levensvatbaar zijn binnen haar natuurlijke verspreidingsgebied. Hierop wordt getoetst in de vergunningverlening.
WildredderEen wildredder is een aanpassing aan een maaimachine waarmee wordt beoogd het verwonden of doden van dieren zo veel mogelijk te voorkomen.
WisselEen wissel is een vaste looproute die hazen regelmatig gebruiken om zich tussen leefgebieden, voedselbronnen, drinkplaatsen of rustplaatsen te verplaatsen. Deze paden ontstaan door herhaald gebruik en zijn vaak zichtbaar als smalle, uitgesleten sporen in de vegetatie of op de bodem.

Bijlage 3: Overzicht van kennislacunes

Het Kennisdocument Haas is een verzameling van kennis, inschattingen en ervaringen van experts zoals deze beschikbaar was in het najaar van 2025. Tijdens de totstandkoming zijn enkele kennislacunes geïdentificeerd. Deze zijn in onderstaande lijst opgenomen.

  • Dichtheden van hazen en omvang van home ranges zijn in het kennisdocument nationaal beschreven. Het is onbekend of er regionale of provinciale verschillen zijn. Mocht er in de toekomst meer bekend worden van hazendichtheden en de omvang van homeranges in verschillende provincies, dan wordt dit toegevoegd.
  • Dichtheden van hazen en de omvang van home ranges in verschillende landschappen en verschillende gewassen zijn in het kennisdocument niet beschreven. Mochten er in de toekomst cijfers bekend worden van het aantal hazen in percelen met graan, aardappelen, mais, Engels raaigras, bieten et cetera, dan wordt dit toegevoegd.
  • De staat van instandhouding van de haas is ten tijde van het opstellen van het kennisdocument enkel nationaal bepaald. Mocht in de toekomst de staat van instandhouding ook provinciaal worden bepaald, dan wordt dit toegevoegd.
  • De WUR heeft in 2022 de landelijke staat van instandhouding bepaald van de haas en ook een habitatgeschiktheidsindex gemaakt. Mogelijk is deze methodiek ook bruikbaar op provinciaal niveau. Mochten provincies deze methodiek ook gaan hanteren, en ook gedetailleerde habitatgeschiktheidsindexen maken voor het leefgebied in hun provincie, dan wordt dit toegevoegd.
  • Met het vangen en verplaatsen van hazen is nog niet veel ervaring opgedaan. Mocht dit in de toekomst veranderen, dan kunnen nadere aandachtspunten en aanbevelingen aan het kennisdocument worden toegevoegd.
  • Het is nog niet inzichtelijk wat het effect van barrières is op de haas. Deze zal deels negatief zijn door genetische en demografische isolatie en door sterfte, maar heeft mogelijk ook een positief effect door het afremmen van predatie en ziekten door isolatie. Mocht hier in de toekomst meer informatie over beschikbaar zijn, dan wordt de tabel met de kwetsbare periode aangepast.
  • De in het kennisdocument opgenomen optimalisatiemaatregelen (paragraaf 4.8) zijn nog niet voldoende bewezen effectief. Het wordt aanbevolen hier nader wetenschappelijk onderzoek naar te doen. Zodra meer ervaring is opgedaan met de maatregelen, dan kan in het kennisdocument deze ervaringen worden toegevoegd.
  • Om te bepalen wat er moet gebeuren met barrières voor de haas, zoals bijvoorbeeld wegen of watergangen, wordt nu verwezen naar Leidraad Faunavoorzieningen 2021. Deze noemt echter niet specifiek de haas. Welke specificaties faunavoorzieningen voor hazen moeten hebben, is op dit moment niet voldoende zeker aan te geven. Mocht in de toekomst meer bekend worden over de eisen aan faunavoorzieningen voor hazen, dan kan deze informatie worden toegevoegd aan het kennisdocument.
  • Hoe kwetsbaar zijn moerhazen voorafgaand aan de voortplantingsperiode als moerhazen zich opvetten voor hun eerste worp? Er was ten tijde van het opstellen van dit kennisdocument onvoldoende bekend om deze periode ook aan te wijzen als een kwetsbare periode. Mocht in de toekomst meer bekend worden over de gevoeligheid van moerhazen, dan kan deze informatie worden toegevoegd aan het kennisdocument.

Bij een toekomstige actualisatie van het kennisdocument zal BIJ12 onderzoeken in hoeverre nieuwe kennis is toe te voegen. Aanvullende kennis kan worden gemaild naar kennisdocumenten@bij12.nl.

Inhoudsopgave