Structuur
De structuur van hoog- en laagveenbossen loopt uiteen van heel gevarieerd (met name in elzenbroekbossen) tot eenvoudig (zoals in gagelstruwelen en berkenbroekbos). Vanwege de grote variatie daarin is daarom geen monitoring van structuurkenmerken opgenomen. Waar passend, is het desondanks van belang variatie in de bosstructuur na te streven (open plekken, dode bomen en/ of een goed ontwikkelde bosrand); dit is van groot belang voor diverse faunagroepen zoals broedvogels, dagvlinders en zoogdieren.
Flora en fauna
Biotische kwaliteit wordt uitgedrukt in het voorkomen van kwalificerende soorten uit de volgende soortgroepen (mossen zijn met (m) aangeduid):
N14.02 Hoog- en laagveenbos – Flora en fauna
| Soortgroep | Soorten |
| Planten: | draadzegge, eenarig wollegras, galigaan, glanzend veenmos (m), hoogveenveenmos (m), kamvaren, kleine veenbes, koningsvaren, laurierwilg, lavendelhei, moeraslathyrus, moeraswolfsmelk, paardenhaarzegge, poelruit, rood veenmos (m), rijsbes, slank wollegras, slanke zegge, sterzegge, stijf veenmos (m), stijve zegge, violet veenmos (m), wateraardbei, waterdrieblad, waterviolier, wilde gagel, wrattig veenmos (m) |
| Broedvogels: | blauwborst, boomkruiper, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, grote bonte specht, kleine bonte specht, matkop, nachtegaal, wielewaal |
Tot de kwalificerende soorten kunnen ook 2 extra (bedreigd, ernstig bedreigde of verdwenen uit Nederland) Rode lijst soorten gerekend worden. Enkel van de volgende soortgroepen: vissen, reptielen, amfibieën, mossen, kranswieren, vaatplanten, dagvlinders, libellen, sprinkhanen, krekels en vogels. Deze soorten tellen alleen mee voor het aantal soorten, maar niet voor het criterium van verspreiding en soortgroepen.
Kwaliteitsbepaling
- “Hoog”: indien minimaal 8 kwalificerende soorten voorkomen, waarvan ten minste 5 op >15% van de oppervlakte van het beheertype en beide soortgroepen vertegenwoordigd zijn.
- “Midden”: indien 5-7 kwalificerende soorten voorkomen of indien meer soorten voorkomen, maar niet aan de eisen van klasse “Hoog” voldaan wordt.
- “Laag”: indien niet aan de criteria voor de klasse “Midden” of “Hoog” voldaan is.
Milieu- en watercondities
De beoordeling van abiotische condities wordt gedaan op basis van de interne water- en milieuconditie (standplaatsfactoren). Wanneer externe beïnvloeding beter, respectievelijk slechter scoort, wordt het eindoordeel 1 punt/klasse naar boven of beneden bijgesteld.
a) Standplaatsfactoren
Het beheertype komt voor op permanent natte, venige gronden waar de grondwaterstand in de winter op of aan maaiveld staat en in de zomer slechts ondiep wegzakt. Wanneer de grondwaterstand meer dan circa een halve meter wegzakt, leidt dat tot mineralisatie van veen en het optreden van vochttekorten, hetgeen leidt tot een afname van de soortenrijkdom en vaak ook tot een verruiging van de vegetatie. In de laagveenbossen vindt buffering vooral plaats onder invloed van oppervlaktewater dat zich onder de kragge bevindt. Naarmate de veenlaag dikker wordt neemt de oppervlaktewaterinvloed af en verzuurt de bovengrond onder invloed van regenwater. In hoogveenbossen vindt voeding geheel plaats door regenwater en heersen eveneens zure omstandigheden. Matige zure omstandigheden overheersen in elzenbroekbossen waar zich boven het grondwater een dunne regenwaterlens heeft gevormd.
De zuurgraad van de bodem varieert van zuur in regenwatergevoede hoogveenbossen tot neutraal in door oppervlaktewater beïnvloedde laagveenbossen. De hoogveenbossen zijn uitgesproken voedselarm, terwijl de oppervlaktewater gevoede elzenbroekbossen matig voedselrijk zijn.
De grondwaterstanden, de hydrologische dynamiek en de waterkwaliteit zijn de sleutelfactoren voor dit beheertype. Anders dan in rivier- en beekbegeleidend bos spelen overstroming en slibafzetting slechts een beperkte rol. De tot dit type behorende elzenbossen en wilgenstruwelen kunnen in de winter wel inunderen, maar het inundatiewater bestaat vooral uit regen- en grondwater.
Ranges waarbij voor hoog- en laagveenbos kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen voor gemiddelde laatste grondwaterstand (GLG) en gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG)

N14.02 hoog- en laagveenbos tabel: Bij het bepalen van de range van de GVG is uitgegaan van het habitattype H91D0 Hoogveenbossen. Rood is laag, geel is midden, groen is hoog.
Kwaliteitsbepaling
- “Hoog”: indien minstens 25% van de oppervlakte zich voor de GLG en de GVG binnen het bereik voor “Hoog” ontwikkeld bevindt.
- “Midden”: indien niet voldaan wordt aan “Hoog” en minstens 50% van de oppervlakte voor de GLG en de GVG zich minimaal binnen het bereik voor “Midden” ontwikkeld bevindt.
- “Laag”: indien aan bovenstaande criteria niet wordt voldaan.
b) Externe beïnvloeding
N14.02 Hoog- en laagveenbos – Stikstofdepositie *
| Hoog | Midden | Laag |
| Stikstofdepositie* | < 12 kg N ha-1 y-1
< 850 mol N ha-1 y-1 | 12 – 25 kg N ha-1 y-1
850-1780 mol N ha-1 y-1 | > 25 kg N ha-1 y-1
> 1780 mol N ha-1 y-1 |
* Waarde voor Hoogveenbossen (25kg) (Van Dobben & Van Hinsbergen,2008).
Ruimtelijke condities
N14.02 Hoog- en laagveenbos – Ruimtelijke condities
| Oppervlakte beheertype/Ruimtelijke samenhang | >150 ha | 50 – 150 ha | 25-50 ha | < 25 ha |
| Verbonden met (afstand max. 30 meter) ondersteunende beheertypen* | Hoog | Hoog | Hoog | Midden |
| In nabijheid (binnen 1 km) van andere bosbeheertypen | Hoog | Hoog | Midden | Laag |
| Geïsoleerd | Hoog | Midden | Laag | Laag |
*Dit betreffen: N05.01 Moeras, N06.01 Veenmosrietland en moerasheide, N06.03 Hoogveen, N06.04 Vochtige heide en bosbeheertypen (N14.01 t/m N17.03)
Monitoring
N14.02 Hoog- en laagveenbos – Monitoring
| Parameter | Methode | Frequentie |
| Planten | Inventarisatie kwalificerende soorten | 6 jaar |
| Broedvogels | Inventarisatie kwalificerende soorten | 6 jaar |
| Bepaling abiotiek | Diverse methoden | 6 jaar |
| Stikstof | Opvragen depositie | 6 jaar |
| Vegetatie | Vegetatiekartering | 12 jaar |
| Ruimtelijke condities | GIS-analyse en veldwaarneming | 6 jaar |