Weidevogel

Hoenderachtigen (fazant en patrijs)

De ‘Faunaschade PreventieKit’ voor hoenderachtigen laat zien met welke preventieve maatregelen u gewasschade door fazanten en patrijzen kunt voorkomen of beperken.

1. Fazant

De fazant komt van oorsprong uit de drogere streken van Centraal-Azië maar wordt nu als inheemse vogelsoort beschouwd. Fazanten komen in de broedtijd in grote delen van Nederland voor maar ontbreken in stedelijk gebied en bosrijke omgeving. Ze zijn het talrijkst in agrarisch gebied op de kleigronden van Zuidwest- en Noordoost-Nederland.

Buiten de broedtijd scholen fazanten samen op plekken met veel voedsel en dekking. Zulke plekken liggen doorgaans niet ver van de broedplaats. Fazanten foerageren graag op percelen met veel (on)kruiden en zaden of op akkerlanden met granen, suikerbieten, vollegrondsgroenten en peulvruchten. Schade aan deze gewassen zal meestal binnen de perken blijven omdat de fazant in het jachtseizoen goed gereguleerd kan worden. De meeste schade wordt veroorzaakt in de zaai- en kiemperiode.

1.1. Patrijs

Patrijzen zijn gebonden aan halfopen tot open boerenland, en hebben een voorkeur voor akkers. Rond 1975 was de patrijs nog een talrijke broedvogel in het grootste deel van het land. Sindsdien is de populatie door intensivering van de landbouw met 90% afgenomen en zijn grote delen van vooral Midden- en Noordoost-Nederland verlaten. Op de zand- en kleigronden van Zuid-Nederland komt deze soort nog betrekkelijk ruim verspreid voor. Het aantal patrijzen per vierkante kilometer zijn er echter gewoonlijk laag. Ook in het noorden komen nog wat patrijzen voor. Het aantal patrijzen in ons land neemt nog steeds af.

Ook in het winterhalfjaar blijven patrijzen in de buurt van de broedplaats. Families vormen daarbij wintergroepjes die tot enkele tientallen exemplaren groot worden. De groepjes vallen in het vroege voorjaar uiteen. Hoewel de patrijs op de lijst van bejaagbare soorten staat wordt de jacht op de patrijs niet geopend. Omdat er nog zo weinig patrijzen voorkomen is belangrijke gewasschade nagenoeg uitgesloten. Mocht al schade van patrijzen optreden, dan is dit in de zaai- en kiemperiode.

2. Preventieve maatregelen

Hieronder vindt u enkele verjaagmethoden. Zowel visuele als akoestische middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan. Door werende middelen af te wisselen en bovendien te combineren met afschot met het geweer, verhoogt u de effectiviteit en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen.

2.1 Visuele middelen

Nota bene: visuele middelen als vlaggen, vogelverschrikkers, ballonnen en flitsmolens mogen door elkaar gebruikt worden en kunnen elkaar ook vervangen.

Verjagen door vogelverschrikker

Vogelverschrikker

Vogelverschrikkers

Een vogelverschrikker bootst een menselijke gedaante na. Vogelverschrikkers worden met name gebruikt om vogelschade in zaaibedden en afrijpende gewassen te voorkomen.

Vogelverschrikkers bestaan vaak uit oude kleren om een houten frame, opgestopt met stro of iets dergelijks. Loshangende mouwen en broekspijpen die wapperen in de wind, versterken het effect. U moet vogelverschrikkers regelmatig verplaatsen om gewenning te voorkomen.

Er zijn vogelverschrikkers die zich na een bepaald tijdsinterval automatisch opblazen/oprichten. Dit soort vogelverschrikkers heeft een (uitschakelbare) sirene en lamp met dag/nachtschakeling. Volgens de fabrikant is deze vogelverschrikker effectief voor diverse vogelsoorten en ’s nachts (door de ingebouwde lamp). Eén vogelverschrikker is voldoende voor een gebied van 1 tot 4 hectare.

In aanvulling op vogelverschrikkers kunt u nog landbouwvoertuigen op percelen zetten. Bejaagde diersoorten kunnen zich ook laten afschrikken door nabootsingen van ‘jachthutjes’ in de vorm van rietmatten, camouflagenetten en dergelijke.

Richtlijn BIJ12

  • normale vogelverschrikkers: plaats vier stuks per hectare, regelmatig verspreid over het perceel;
  • opblaasbare vogelverschrikkers: volg de voorschriften van de fabrikant.

Verjagen door vlaggen en linten

Vlaggen en linten

Vlaggen en linten

Vlaggen en linten worden veel toegepast om vogels en zoogdieren uit landbouwpercelen te weren. U kunt hiervoor zakken, lappen of stroken folie aan een stok of paal boven het gewas hangen. Let erop dat de vlaggen vrij kunnen wapperen en de wind er zoveel mogelijk vat op heeft. Lange stroken lichte folie zijn bij geringe windkracht al zeer bewegelijk.

Richtlijn BIJ12

  • hang vier stuks op per hectare, regelmatig verspreid over het perceel daar waar schade te verwachten valt:afmetingen rechthoekige vlaggen: minimaal 60 x 90 cm;
  • afmetingen linten: minimaal 7 x 150 cm;
  • lengte paal: minimaal 1,5 meter;
  • percelen groter dan 5 ha: minimaal één vlag/lint per 100 meter.

Verjagen door ballonnen

Ballonnen

Ballonnen

Ook ballonnen gevuld met helium worden wel boven het gewas opgelaten om vogels te verjagen. U kunt de ballonnen voorzien van staarten (buisvormig of een windzak), waardoor een grillig vliegpatroon ontstaat. Er zijn ook ballonnen met ‘roofdierogen’ verkrijgbaar. Ballonnen verjagen effectief maar zijn kwetsbaar bij harde wind (> 6 Beaufort). Bij regen en mist vliegen ballonnen niet of minder goed.

Richtlijn BIJ12

  • laat vier ballonnen op per hectare, regelmatig verspreid over het perceel.

Verjagen door nabootsing roofvogel

Nabootsing roofvogel

Nabootsing roofvogel

Deze methode is gepatenteerd en bestaat uit een vlieger in de vormen en kleuren van een zeearend of slechtvalk. De vlieger is bevestigd aan een lange mast. De vliegers vliegen zelfstandig en natuurgetrouw op de wind. Volgens de leverancier treedt er nauwelijks gewenning op door het grillige vliegpatroon. De vliegers werken niet bij windstilte en kunnen niet worden toegepast bij harde wind. Het aantal vliegers dat nodig is, is afhankelijk van het gewas en de te verjagen soorten, de hoogte waarop de vlieger in de lucht hangt en het type vlieger.

Richtlijn BIJ12

  • gebruik de vlieger conform de gebruiksaanwijzing van de fabrikant/leverancier

2.2 Akoestische middelen

Knalapparaat

Knalapparaten zijn gaskanonnen die harde knallen afgeven. De apparaten werken op propaan of butaan. U haalt de beste resultaten als u de knallen elke 3 tot 5 minuten af laat gaan. Er zijn modellen die dubbele knallen afgeven en modellen die met elke knal een aantal graden van richting veranderen. Zo wordt het geweer realistischer nagebootst.

Voor het gebruik van knalapparaten hebt u in bepaalde gemeenten een ontheffing in het kader van de Algemene Plaatselijke Verordening nodig. De apparaten mogen niet gebruikt worden vlakbij de bebouwde kom. Houd er rekening mee dat knalapparaten bij weidend vee schrik- en vluchtreacties kunnen geven.

Richtlijn BIJ12

  • het tijdsinterval tussen de knallen mag maximaal 30 minuten bedragen;
  • verder geldt:
    • < 5 ha – 1 knalapparaat;
    • > 5 ha minimaal – 1 knalapparaat per 5 ha;
    • overig: – verplaats de apparaten iedere 2 tot 3 dagen.

Verjagen met vogelafweerpistool

Vogelafweerpistool

Vogelafweerpistool

Een vogelafweerpistool bestaat uit een standaard alarm- of startpistool, voorzien van een opschroefbare schietbuis. Met de schietbuis worden vogelafweerpatronen afgeschoten. Deze patronen ontploffen op een hoogte van 40 tot 60 meter (als knaller of giller, eventueel gecombineerd met lichteffecten).

Het vogelafweerpistool is een vuurwapen en valt onder de Wet Wapens en Munitie. Daarom hebt u een bijzondere machtiging van de korpschef van de regiopolitie nodig om er een te mogen bezitten en gebruiken. In sommige gemeenten is een ontheffing verplicht.

Richtlijn BIJ12

Het gebruik van een vogelafweerpistool is een arbeidsintensief, maar zeer effectief middel om vogels te verjagen.

  • u moet de percelen minimaal tweemaal per dag controleren en eventueel aanwezige vogels verjagen;
  • u moet er als grondgebruiker voor zorgen dat het gebruik van dit middel controleerbaar is; een ondertekende verklaring van de eigenaar van het vogelafweerpistool dat hij het middel bij u heeft ingezet, volstaat (eventueel moet u lege patronen of nota’s bewaren).

Verjagen door schriklintkoord en ritselfolielijn

schriklint/ -koord

Schriklint/-koord

Schriklint (ook wel bromlint of zoemlint genoemd) bestaat uit een speciaal lint dat langs perceelsranden of tussen gewasrijen wordt gespannen. Het gaat door de wind trillen en brommen. Schriklint wordt toegepast om vogelschade in kleinschalige teelten (kleinfruitpercelen, bloemen- en bloemzaadteelt) te voorkomen. Het is ook geschikt voor het verjagen van watervogels op percelen langs water.

In plaats van schriklint kunt u strakgespannen nylonkoord (2 mm dik) gebruiken, op circa 80 cm hoogte. Ook dit maakt een zingend geluid in de wind. Deze koorden geven bij aanraking door vogels een extra schrikreactie.

Richtlijn BIJ12

  • breng de linten over de gehele lengte of breedte van het perceel aan;
  • zorg ervoor dat de onderlinge afstand tussen de linten maximaal 15 m bedraagt.

2.3 Afscherming

Verjagen door afdeknetten

Afdeknetten

Afdeknetten

Afdeknetten worden in de fruitteelt gebruikt om vogels te weren. De netten worden los over het gewas gelegd of aangebracht op een frame van palen en touwen. Afdeknetten zijn vooral van belang om gevoelige gewassen als bloembollen en rabarber tegen schade door hoenderachtigen te beschermen.

Richtlijn BIJ12

  • breng de linten over de gehele lengte of breedte van het perceel aan;
  • zorg ervoor dat de onderlinge afstand tussen de linten maximaal 15 m bedraagt.

2.4 Beheer

Verjagen ondersteunen door afschot

Ondersteunend afschot

Ondersteunend afschot en populatiebeheer

U kunt het geweer inzetten voor afschot van de fazant. Patrijzen mogen niet bejaagd worden, tenzij hiervoor een ontheffing is afgegeven door de provincie. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen: (1) afschot om verjaging te ondersteunen en (2) populatiebeheer. In het eerste geval schiet u individuele dieren ter verjaging en gaat het om directe schadebestrijding. Dit gebeurt op het perceel. In het tweede geval (populatiebeheer) voorkomt u schade door de aantallen te reguleren. Populatiebeheer heeft als doel om de populatieomvang binnen een bepaald gebied op een niveau te brengen dat aansluit bij de maatschappelijke doelen.

U mag het geweer alleen zelf gebruiken als u jachtaktehouder bent. Bent u dat niet, dan kunt u een jager of een andere schadebestrijder vragen om dit middel toe te passen.

Fazanten mogen in het jachtseizoen bejaagd worden. Buiten het jachtseizoen kunt u een jager of een andere schadebestrijder een grondgebruikersverklaring geven. Hij of zij mag dan in het kader van schadebestrijding op fazanten jagen. Daarbuiten en voor de andere soorten hebt u vaak een ontheffing of machtiging nodig om daadwerkelijk afschot te mogen plegen.

Richtlijn BIJ12

Nota bene: de richtlijn is van toepassing op ‘aan verjaging ondersteunend afschot’.

  • minimaal twee keer per week schade bestrijden door middel van afschot van de schadeveroorzakende diersoort in de periode dat er schade wordt veroorzaakt;
  • op grotere percelen, bij kwetsbare gewassen, of bij veel schadeveroorzakers moet u een grotere inspanning leveren (hogere frequentie); ook de inzet van meerdere schadebestrijders (meer geweren) ligt dan voor de hand;

Als u een verzoek doet voor een tegemoetkoming in de schade moet u aantonen dat u adequaat gebruik hebt gemaakt van de ontheffing. Met de volgende link vindt u meer informatie over het adequaat gebruik van de ontheffing.

2.5 Overige middelen

Nader te specificeren

Drone

Nader te specificeren

Nader te specificeren middelen zijn alle legale middelen die grondgebruikers willen uitproberen. Het gaat om middelen waarvan de werking niet of onvoldoende is bewezen en die niet in de Faunaschade Preventie Kit (FPK) staan, maar waarvan BIJ12 wél een realistische werking verwacht. Denk bijvoorbeeld aan afleidend voeren, laser en de inzet van robots of drones. BIJ12 kan naar zo’n kansrijk, preventief middel experimenteel onderzoek laten doen, al dan niet in samenwerking met de betreffende grondgebruiker. Op deze manier stimuleert BIJ12 de inzet van innovatieve verjaagmaatregelen die door grondgebruikers zelf zijn ontwikkeld. Lees hier meer over onderzoeken van BIJ12.

Wilt u een nieuw middel uittesten, dan kunt u vooraf de verwachte werking met een consulent van BIJ12 bespreken. Als u aanspraak wilt houden op een tegemoetkoming, vraag dan schriftelijke toestemming voor de inzet van het betreffende middel.

3. Soorten faunaschade

Bij verschillende gewassoorten kunnen er over het algemeen twee soorten schade aangericht worden door hoenderachtigen: vraatschade en krabschade.

In onderstaande infographics ziet u wanneer faunaschade voornamelijk optreedt. Schade kunt u voorkomen met de preventieve middelen uit paragraaf 2.

3.1 Schade aan akkerbouwgewassen

Extra informatie

Granen (zomer en winter): schade in de zaai- en kiemperiode.

Winterwortelen: vooral schade in de zaaiperiode.

Peulvruchten: incidentele schade.

Infographic hoenderachtigen schade aan akkerbouw

3.2 Schade aan vollegrondsgroenten

Extra informatie

Sla, andijvie, spinazie: schade vooral door het uitpikken van het hart van andijvie.

Boerenkool: matig schadegevoelig, er is incidentele schade voornamelijk aan jong gewas.

Overige groenten: schade aan cichorei bij kieming en schade aan de jonge spruiten van rabarber.

Infographic hoenderachtigen schade aan vollegrondsgroenten

3.3 Schade aan overige gewassen

Extra informatie

Bloemen, bloemzaden en bloembollen: incidenteel schade aan bloemzaden. Afdeknetten kunnen de schade beperken.

Infographic hoenderachtigen schade aan overige gewassen

4. Algemeen

BIJ12 kan onder voorwaarden tegemoetkomen in de schade die beschermde inheemse diersoorten veroorzaken aan bedrijfsmatig geteelde landbouwgewassen of gehouden landbouwhuisdieren. Vervolgschade, bijvoorbeeld door vertrapping, verslemping en vervuiling, komt niet voor een tegemoetkoming in de schade in aanmerking.

Als u in aanmerking wilt komen voor een tegemoetkoming, moet u in veel gevallen (preventieve) maatregelen nemen om de schade te voorkomen en/of beperken. De vereiste maatregelen kunnen afhankelijk zijn van gewas, diersoort, periode en gebiedsstatus. Zie hiervoor in deze preventiekit beschreven preventieve maatregelen.

4.1 Wat te doen bij schade

Als er ondanks preventieve maatregelen toch nog schade van enige omvang optreedt, kunt u een tegemoetkoming in de schade aanvragen bij BIJ12. Deze aanvragen worden getoetst aan de beleidsregels van de provincie waarin de schade percelen liggen.

Het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag doet u via MijnFaunazaken. Het melden van schade doet u via www.faunaschade.nl.

Let op: aan het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag zijn behandelkosten van 300 euro verbonden. De aanvraag kan pas worden ingediend nadat deze kosten via de betaalfunctie (iDEAL) in de applicatie zijn betaald.

Heeft u vragen over het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag of over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen, neem dan tijdig contact op met BIJ12. BIJ12 is bereikbaar via het telefoonnummer 085 – 486 22 22 of info@mijnfaunazakenbij12.nl.

4.2 Ontheffing

Voor het verjagen van een diersoort met ondersteunend afschot, is een ontheffing nodig. De Faunabeheereenheid (FBE) kan u op aanvraag machtigen om van de ontheffing gebruikt te maken, of u kunt zelf een ontheffing aanvragen:

  • als u een machtiging voor een ontheffing wilt aanvragen, neem dan bij dreigende of optredende schade direct contact op met de FBE in de provincie waarin uw percelen liggen;
  • als er nog geen ontheffing aan de FBE is verleend voor de betreffende diersoort, vraag deze dan direct zelf aan bij de provincie;
  • neem dezelfde dag nog preventieve maatregelen (voor zover die zijn toegestaan zonder ontheffing);
  • ontvangt u een machtiging via de FBE of een ontheffing van de provincie, neem dan meteen ook de maatregelen die volgens de ontheffing zijn toegestaan.

Voor verdere informatie over de provinciale FBE’s verwijzen we u naar www.faunabeheereenheid.nl.

4.3 Meer informatie

Wilt u meer weten over faunaschade en de voorkoming ervan? Raadpleeg dan de Faunaschade Preventie Kits (‘Bevers en beverratten’, Dassen, Duiven, Eenden, Ganzen, Haasachtigen, Hertachtigen, Hoenderachtigen, Kleine zangvogels, Koeten, Kraaiachtigen, Meeuwen, Roofvogels, Woelmuizen, ‘Wolven, vossen en marterachtigen’ en Zwanen). Maatregelen voor andere soortgroepen en de daarbij eventueel geldende richtlijnen vanuit BIJ12 zijn te vinden in de Handreiking Faunaschade (2009) (bijgewerkt op 08-02-2024).

4.4 Kleine lettertjes

Aan de informatie zoals weergegeven in de ‘Faunaschade Preventie Kit Module Hoenderachtigen’ kunnen geen rechten worden ontleend. Weersomstandigheden, teeltkeuzes, enzovoort kunnen leiden tot schadesituaties die niet zijn beschreven. De grondgebruiker blijft in alle gevallen primair verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van schade. Alle FPK’s vormen een weergave van gedeelde praktijkervaringen en niet van alle middelen waarvan de werking wetenschappelijk is aangetoond.

5. Over team Faunazaken

BIJ12 houdt zich bezig met taken op het gebied van faunaschade door natuurlijk in het wild levende beschermde dieren. Zij reiken handvatten aan om faunaschade te voorkomen en te bestrijden. Als dat niet (meer) mogelijk is, kunnen agrariërs in bepaalde gevallen bij BIJ12 terecht voor een tegemoetkoming in de schade.

Colofon

  • Mede samengesteld door Van Bommel FAUNAWERK en Communicatiebureau de Lynx (logo, illustraties, infographics en print css).
  • Voor het beste printresultaat gebruikt u bij voorkeur Google Chrome.
  • Download de tekst op deze pagina als PDF bovenaan deze pagina (knop ‘PDF’).