Haasachtigen

Bijgewerkt op: 04 juli 2024

De ‘Faunaschade PreventieKit’ voor haasachtigen laat zien met welke preventieve maatregelen u gewasschade door hazen en konijnen kunt voorkomen of beperken.

Deze Faunaschade PreventieKit is geldig tot en met oktober 2024

1. Algemeen

De haas komt algemeen en talrijk voor in gras- en akkerland. Hij heeft een voorkeur voor kleinschalige landbouwgebieden met afwisselende gewassen. Hazen leven solitair en zijn sterk plaatsgebonden. Hun leefgebieden overlappen elkaar sterk, waardoor vooral bij het foerageren groepsvorming optreedt. De hoogte van de hazenstand kan van jaar tot jaar sterk verschillen, vooral onder invloed van het weer. Natte omstandigheden bevorderen het uitbreken van parasitaire infecties. Afgezien daarvan vertoont de hazenstand sinds de jaren zeventig een dalende trend, met name op de zandgronden. Op de kleigronden blijft de stand min of meer stabiel.
Hazen kunnen schade veroorzaken op akkerlanden, vooral aan granen, suikerbieten, wortelen, en peulvruchten. Deze schade zal binnen de perken blijven, omdat de haas in het jachtseizoen goed gereguleerd kan worden. Schade van hazen in percelen met fruitbomen, boomkwekerijen en vollegrondsgroenten kan oplopen, maar is goed te voorkomen met een deugdelijk hazenkerend raster.

Het konijn komt algemeen en talrijk voor, vooral op zandgronden waar dekking is en korte grazige vegetaties. Konijnen bewonen het gehele jaar hetzelfde gebied. Het leefgebied strekt zich uit tot een straal van 50-150 meter rond de holen en verschillende leefgebieden kunnen elkaar overlappen. De konijnenstand wordt regelmatig geplaagd door virusziekten (myxomatose en viraal haemorragisch syndroom). Gedurende het jaar kunnen populaties konijnen erg fluctueren.
Konijnen foerageren voornamelijk op graslanden maar eten ook granen/mais, suikerbieten en wortelen. Schade aan deze gewassen zal binnen de perken blijven. Schade van konijnen in percelen met fruitbomen, boomkwekerijen en vollegrondsgroenten kan oplopen, maar is goed te voorkomen met een deugdelijk konijnenkerend raster.

2. Preventieve maatregelen

Hieronder vindt u enkele verjaagmethoden. Zowel visuele als akoestische middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan. Door werende middelen af te wisselen en bovendien te combineren met afschot met het geweer, verhoogt u de effectiviteit en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen.

2.1 Visuele middelen

Nota bene: visuele middelen als vlaggen, vogelverschrikkers, ballonnen en flitsmolens mogen door elkaar gebruikt worden en kunnen elkaar ook vervangen.


Flitslampen en flitsmolens

Flitslampen en flitsmolens

Flitslampen werken op batterijen of accu en worden ook wel gebruikt om hazen te weren van landbouwpercelen. U moet ze in combinatie met andere middelen gebruiken om gewenning te voorkomen.

Flitsmolens bestaan uit drie vanen (zes vlakken), afwisselend zwart en fel gekleurd of voorzien van een reflectiefolie. De molentjes staan op een poot van circa 1,50 meter en draaien op de wind. De afwisseling in kleurvlakken veroorzaakt bij het draaien een soort flitsen. Er zijn ook molens die voorzien zijn van een roofvogelsilhouet.

Richtlijn BIJ12

  • gebruik de flitslampen conform de gebruiksaanwijzing van de fabrikant/leverancier;
  • gebruik tenminste vier flitsmolens per hectare, regelmatig verspreid over het perceel;
  • voor beide middelen geldt dat de flitsen vanaf elke positie op het perceel zichtbaar moeten zijn.

2.2 Akoestische middelen

Knalapparaat

Knalapparaat

Knalapparaten zijn gaskanonnen die harde knallen afgeven. De apparaten werken op propaan of butaan. U haalt de beste resultaten als u de knallen elke 3 tot 5 minuten af laat gaan. Er zijn modellen die dubbele knallen afgeven en modellen die met elke knal een aantal graden van richting veranderen. Zo wordt het geweer realistischer nagebootst.

Voor het gebruik van knalapparaten hebt u in bepaalde gemeenten een ontheffing in het kader van de Algemene Plaatselijke Verordening nodig. De apparaten mogen niet gebruikt worden vlakbij de bebouwde kom. Houd er rekening mee dat knalapparaten bij weidend vee schrik- en vluchtreacties kunnen geven.

Richtlijn BIJ12

  • het tijdsinterval tussen de knallen mag maximaal 30 minuten bedragen;
  • verder geldt:
    < 5 ha 1 knalapparaat;
    > 5 ha 1 knalapparaat per 5 ha;
    overig: verplaats de apparaten iedere 2 tot 3 dagen.

Vogelafweerpistool

Vogelafweerpistool

Het gebruik van een vogelafweerpistool is een arbeidsintensief, maar zeer effectief middel om vogels en hazen te verjagen. Een vogelafweerpistool bestaat uit een standaard alarm- of startpistool, voorzien van een opschroefbare schietbuis. Met de schietbuis worden vogelafweerpatronen afgeschoten. Deze patronen ontploffen op een hoogte van 40 tot 60 meter (als knaller of giller, eventueel bij hazenoverlast gecombineerd met lichteffecten).

Het vogelafweerpistool is een vuurwapen en valt onder de Wet Wapens en Munitie. Daarom hebt u een bijzondere machtiging van de korpschef van de regiopolitie nodig om er een te mogen bezitten en gebruiken. In sommige gemeenten is een ontheffing verplicht.

Richtlijn BIJ12

  • u moet de percelen minimaal tweemaal per dag controleren en eventuele aanwezige hazen verjagen;
  • u moet er als grondgebruiker voor zorgen dat het gebruik van dit middel controleerbaar is; een ondertekende verklaring van de eigenaar van het vogelafweerpistool dat hij het middel bij u heeft ingezet, volstaat (eventueel moet u lege patronen of nota’s bewaren).

Kleppermolentjes – rammelblikjes

Kleppermolentjes

Kleppermolentjes worden gebruikt om hazen en konijnen te verjagen. Kleppermolentjes worden door de wind aangedreven. U moet de molentjes op een paal monteren waarbij ze boven het gewas uitsteken. Nadeel van deze methode is een snelle gewenning. Bovendien werken ze niet als het windstil is.


Schriklint/-koord

Schriklint/-koord

Schriklint (ook wel bromlint of zoemlint genoemd) bestaat uit een speciaal lint dat langs perceelsranden of tussen gewasrijen wordt gespannen. Het gaat door de wind trillen en brommen. Schriklint wordt toegepast om schade in kleinschalige teelten (kleinfruitpercelen, bloemen- en bloemzaadteelt) te voorkomen.

Richtlijn BIJ12

  • breng de linten over de gehele lengte of breedte van het perceel aan.

2.3. Afscherming

Gaasraster

Rasters van gaas zijn een zeer effectieve manier om niet-vliegende diersoorten te weren van landbouwpercelen. De kosten zijn echter hoog en het permanente karakter van gaasrasters maakt deze vooral geschikt voor meerjarige teelten (bijvoorbeeld fruitpercelen, boomteelt).

Voorbeeld van een gaasraster voor haasachtigen:

  • rasterpalen: 1,80 m lang, diameter 10/12 cm;
  • hoek- en schoorpalen: 2,50 m lang, diameter 12/14 cm;
  • gaas: zwaar vierkant vlechtwerk van 1,20 m hoog (bijvoorbeeld zwaartype 120).

Gebruik:

  • gebruik elke 4 meter een paal;
  • breng gaas aan de wildzijde van de palen aan, graaf het gaas 0,20 m in en span het gaas mechanisch aan;
  • puntdraden op 0,20 m beneden het maaiveld en 0,03 m boven het maaiveld;
  • spandraden op 0,60 m boven het maaiveld;bevestig het gaas aan draden met binddraad en ringkrammen (minimaal elke 40 cm).
De inhoud van deze infographic vindt u deels in de tekst op de pagina. We zijn ons ervan bewust dat deze afbeelding niet digitaal toegankelijk is. Onze excuses daarvoor. Wij werken aan nieuwe faunaschadepreventiekits en de digitale toegankelijkheid daarvan. Heeft u vragen over de inhoud van deze afbeelding? Neem dan contact met ons op via info@mijnfaunazakenbij12.nl.

Gaasraster

Elektrisch draadraster

Elektrisch draadraster is geschikt om niet-vliegende diersoorten te weren. Elektrische draadrasters zijn goedkoper dan gaasrasters, zijn eenvoudiger te plaatsen en te verplaatsen, maar vragen meer toezicht en onderhoud. De schrikdraadapparaten zijn bovendien diefstalgevoelig.

De inhoud van deze infographic vindt u deels in de tekst op de pagina. We zijn ons ervan bewust dat deze afbeelding niet digitaal toegankelijk is. Onze excuses daarvoor. Wij werken aan nieuwe faunaschadepreventiekits en de digitale toegankelijkheid daarvan. Heeft u vragen over de inhoud van deze afbeelding? Neem dan contact met ons op via info@mijnfaunazakenbij12.nl.

Elektrisch draadraster

Elektrisch netwerk/Euronet

Elektrisch netwerk / Euronet / Schrikdraad

Fijnmazig elektrisch netwerk blijkt een goed toepasbare en effectieve methode om haasachtigen van landbouwpercelen te weren. U kunt de netten na enige oefening vrij simpel aanbrengen en opruimen. De kosten voor aanschaf en onderhoud liggen vrij hoog, waardoor deze methode vooral in aanmerking komt voor de wat kapitaalintensievere teelten. De netten met bijbehorende schrikdraadapparaten zijn diefstalgevoelig en daardoor niet overal toepasbaar.


Manchet

Manchet

Boommanchetten beschermen effectief tegen wildschade door konijnen en hazen. Boommanchetten vormen een extra beschermlaag rond de stam zodat de schors rondom niet meer weggevreten kan worden.

Er zijn twee soorten manchetten.

  1. PVC-boommanchetten bestaan uit een geperforeerde kunststof band van ongeveer 7 cm breed, gerold in een spiraal. De kunststofspiraal is zeer elastisch en groeit met de boom mee. De boommanchet is bestand tegen alle weersinvloeden. Het nadeel is dat de stam door het boommanchet vochtig blijft, waardoor allerlei ziektes en ziekteverwekkers (zoals vruchtboomkanker en bloedluis) gemakkelijker een kans krijgen. U kunt hem snel en eenvoudig plaatsen. PVC-boommanchetten moet u na 4-5 jaar verwijderen om ingroeien van de manchet in de bast te voorkomen.
  2. Wilt u manchetten langdurig gebruiken, dan kunt u beter voor een gazen constructie kiezen. Dit gaas wordt geleverd op rollen, waardoor u de hoogte van de stambescherming zelf kunt bepalen. Deze manchetten zijn, in tegenstelling tot de PVC-manchet, dus ook geschikt voor bescherming tegen hogere vraat en veegschade door ree en/of hert. Doordat de boomstam niet wordt afgesloten, krijgt de stam altijd voldoende lucht en licht. Hierdoor voorkomt u ziektes en rottingsverschijnselen.
    Naast manchetten bestaan er ook diverse wildafweermiddelen, die men op de stam van de boom smeert tegen vraat door konijnen en hazen.

2.4. Teeltechnische maatregelen

Vliesdoek

Vliesdoek

Vliesdoek beschermt jonge planten en gekiemd zaad tegen schade van wind, storm, vorst, hagel, hitte, (slag)regens en zonnebrand, tegen insecten en tegen vogelvraat (duiven, fazanten en eenden). Ook tegen hazen kan het tijdelijk effectief zijn.

Vliesdoek is zeer licht. Het is lucht- en waterdoorlatend en uv-bestendig. Vliesdoek laat 90 procent van het licht door en beperkt het vochtverlies. In het voorjaar kan het aanbrengen van vliesdoek de teelt van verschillende groenten, bijvoorbeeld wortelen, bieten en bloemkolen, en planten in de sierteelt met één tot drie weken vervroegen.

2.5. Geur- en smaakmiddelen

Negatieve Conditionering

Negatieve Conditionering (smaak)

Bij conditionering leert u dieren gedrag aan als reactie op een bepaalde prikkel. In dit geval brengt u smaakmiddelen aan op uw gewas die zorgen voor een bittere of afstotende smaak. Dieren die van het gewas eten krijgen negatieve associaties bij het gewas. Daardoor gaan zij het gewas in de toekomst mijden.

Richtlijn BIJ12

De gewasbehandeling dient volgens beproefde methodiek en met behulp van toegelaten middelen te gebeuren.

2.6. Aantrekken natuurlijke vijanden

Zitpalen roofvogels

Zitpalen roofvogels

Roofvogels vangen niet alleen muizen maar verjagen ook aanwezige vogels. U kunt roofvogels aantrekken door uitkijkposten te plaatsen. Een uitkijkpost bestaat uit een paal van 4 tot 5 meter hoog met aan de bovenzijde een horizontale, ronde zitstok (diameter 3 tot 5 cm).

2.7. Beheer

Ondersteunend afschot en populatiebeheer

Ondersteunend afschot

U kunt het geweer inzetten voor afschot. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen: (1) afschot om verjaging te ondersteunen en (2) populatiebeheer. In het eerste geval schiet u individuele dieren ter verjaging en gaat het om directe schadebestrijding. Dit gebeurt op het perceel. In het tweede geval (populatiebeheer) voorkomt u schade door de aantallen te reguleren. Populatiebeheer heeft als doel om de populatieomvang binnen een bepaald gebied op een niveau te brengen dat aansluit bij de maatschappelijke doelen.
U mag het geweer alleen zelf gebruiken als u jachtaktehouder bent. Bent u dat niet, dan kunt u een jager of een andere schadebestrijder vragen om dit middel toe te passen. Zowel het konijn als de haas mogen in het jachtseizoen bejaagd worden. Buiten het jachtseizoen kunt u een jager of een andere schadebestrijder een grondgebruikersverklaring geven. Hij of zij mag dan in het kader van schadebestrijding op konijnen jagen. Daarbuiten hebt u vaak een ontheffing of machtiging nodig om daadwerkelijk afschot te mogen plegen.

Richtlijn BIJ12

Nota bene: de richtlijn is van toepassing op ‘aan verjaging ondersteunend afschot’.

  • minimaal twee keer per week schade bestrijden door middel van afschot van de schadeveroorzakende diersoort in de periode dat er schade wordt veroorzaakt;
  • op grotere percelen, bij kwetsbare gewassen, of bij veel schadeveroorzakers moet u een grotere inspanning leveren (hogere frequentie); ook de inzet van meerdere schadebestrijders (meer geweren) ligt dan voor de hand.

Als u een verzoek doet voor een tegemoetkoming in de schade moet u aantonen dat u adequaat gebruik hebt gemaakt van de ontheffing. Met de volgende link vindt u meer informatie over het adequaat gebruik van de ontheffing.


Vangkooi

Vangkooi

Er zijn zeer veel verschillende typen kastvallen en vangkooien. Een bekend type is de val waarbij één of twee deuren dichtslaan of –vallen als het dier op een tredplaat stapt. Voor het gebruik van kastvallen en vangkooien is voor de meeste diersoorten een ontheffing vereist.

Richtlijn BIJ12

  • Wilt u met een kastval of vangkooi konijnen vangen, dan hebt u meestal een provinciale ontheffing nodig.

Beheer en schadebestrijding met fretten

Buidels en fretten

Met behulp van fretten kunt u jagen op konijnen. De fretten verjagen de konijnen uit hun hol, u kunt vervolgens:

afschot plegen (zie ‘Ondersteunend afschot en populatiebeheer’)
konijnen vangen met behulp van jachtvogels (zie ‘Jachtvogels’)
konijnen vangen met behulp van buidels. Buidels bestaan uit een netje met een langs de rand ingeregen trekkoord. Het netje legt u, voordat u de fret inzet, over het hol van een konijn. Het trekkoord bevestigt u met een pennetje. Wanneer het konijn wegvlucht, trekt de buidel dicht en raakt het dier gevangen. In plaats van buidels kunt u ook gazen vangkooitjes gebruiken, met een éénzijdig te openen klepje.

U mag konijnen bejagen met behulp van fretten tijdens het jachtseizoen als u jachthouder bent. Buiten het jachtseizoen kunt u een jager of een andere schadebestrijder een grondgebruikersverklaring geven. Hij of zij mag dan in het kader van schadebestrijding met behulp van fretten konijnen vangen.


Long nets (konijnen)

Long nets (konijnen)

Long nets kunt u gebruiken om vluchtende konijnen te vangen op locaties waar fretteren of afschot niet effectief zijn, zoals gebieden met veel bosschages of beplanting. U zet lange netten op in de buurt van de bosschages of beplanting. U kunt de konijnen vervolgens verjagen uit het struikgewas door middel van drijvers, honden en/of fretten. De vluchtende dieren lopen zich dan vast in de netten.

U mag konijnen vangen tijdens het jachtseizoen als u jachthouder bent. Buiten het jachtseizoen kunt u een jager of een andere schadebestrijder een grondgebruikersverklaring geven. Hij of zij mag in het kader van schadebestrijding dan konijnen vangen. Voor het gebruik van long nets dient u een ontheffing aan te vragen.


Jachtvogels

Jachtvogels

Het gecontroleerd inzetten van predatoren om diersoorten van percelen te verjagen kan zeer effectief zijn. De aanwezigheid van een natuurlijke vijand is voor veel dieren al voldoende om hun heil elders te gaan zoeken. Bovendien kan de methode ingezet worden op plaatsen waar niet met het geweer kan worden opgetreden. Wel is de methode zeer arbeidsintensief en de oppervlakte die één verjager aankan beperkt. Zolang er voor de overlast veroorzakende diersoorten voldoende voedsel aanwezig blijft, zult u de methode moeten blijven herhalen.

Met een getrainde roofvogel kunt u overlast van onder andere konijnen, hazen, kraaien, kauwen en duiven bestrijden. In Nederland mag u alleen jagen met havik en slechtvalk en moet u in het bezit zijn van een valkeniersakte. Bejagen met behulp van jachtvogels mag alleen tijdens het jachtseizoen door de jachthouder. Buiten het jachtseizoen kunt u een valkenier een grondgebruikersverklaring geven. Hij of zij mag dan in het kader van schadebestrijding met behulp van een jachtvogel konijnen, kraaien, kauwen en houtduiven vangen.

2.8. Overige middelen

Afleidend voeren

Afleidend voeren

Naast het plaatsen van een wildkerend raster kunt u in tijden van voedselschaarste kwetsbare percelen beschermen tegen konijnen- en hazenvraat door alternatief voedsel aan te bieden.

Alternatief voedsel is bijvoorbeeld snoeihout, en dan het liefst van appel. Hazen hebben een voorkeur voor snoeihout van Cox’s Orange Pippin, Elstar en Goudreinet. U legt dit snoeihout aan de buitenkanten van de boomgaard. Dit snoeihout is het liefst zo vers mogelijk; oud en ingedroogd snoeihout wordt veel minder aangenomen.

Suikerbieten zijn ook geliefd onder hazen en konijnen. U kunt ze afdekken met bladeren zodat ze niet bevriezen.


Nader te specificeren

Drone

Nader te specificeren middelen zijn alle legale middelen die grondgebruikers willen uitproberen. Het gaat om middelen waarvan de werking niet of onvoldoende is bewezen en die niet in de Faunaschade Preventie Kit (FPK) staan, maar waarvan BIJ12 wél een realistische werking verwacht. Denk bijvoorbeeld aan afleidend voeren, laser en de inzet van robots of drones. BIJ12 kan naar zo’n kansrijk, preventief middel experimenteel onderzoek laten doen, al dan niet in samenwerking met de betreffende grondgebruiker. Op deze manier stimuleert BIJ12 de inzet van innovatieve verjaagmaatregelen die door grondgebruikers zelf zijn ontwikkeld. Lees hier meer over onderzoeken van BIJ12.

Wilt u een nieuw middel uittesten, dan kunt u vooraf de verwachte werking met een consulent van BIJ12 bespreken. Als u aanspraak wilt houden op een tegemoetkoming, vraag dan schriftelijke toestemming voor de inzet van het betreffende middel.

3. Soorten faunaschade

Bij verschillende gewassoorten kunnen er over het algemeen drie soorten schade aangericht worden door haasachtigen: vraatschade, graafschade en schilschade.

In onderstaande infographics ziet u wanneer faunaschade voornamelijk optreedt. Schade kunt u voorkomen met de preventieve middelen uit paragraaf 2.

3.1 Schade aan akkerbouwgewassen

Extra informatie

Mais: afvreten jonge planten en perceelranden.

De inhoud van deze infographic vindt u deels in de tekst op de pagina. We zijn ons ervan bewust dat deze afbeelding niet digitaal toegankelijk is. Onze excuses daarvoor. Wij werken aan nieuwe faunaschadepreventiekits en de digitale toegankelijkheid daarvan. Heeft u vragen over de inhoud van deze afbeelding? Neem dan contact met ons op via info@mijnfaunazakenbij12.nl.

3.2 Schade aan vollegrondsgroenten

De inhoud van deze infographic vindt u deels in de tekst op de pagina. We zijn ons ervan bewust dat deze afbeelding niet digitaal toegankelijk is. Onze excuses daarvoor. Wij werken aan nieuwe faunaschadepreventiekits en de digitale toegankelijkheid daarvan. Heeft u vragen over de inhoud van deze afbeelding? Neem dan contact met ons op via info@mijnfaunazakenbij12.nl.

3.3 Schade aan fruit

Extra informatie

Aardbeien: vooral vraat aan jonge planten.

Fruitbomen: schade door afbijten van knoppen en twijgen en schillen van de stam.

De inhoud van deze infographic vindt u deels in de tekst op de pagina. We zijn ons ervan bewust dat deze afbeelding niet digitaal toegankelijk is. Onze excuses daarvoor. Wij werken aan nieuwe faunaschadepreventiekits en de digitale toegankelijkheid daarvan. Heeft u vragen over de inhoud van deze afbeelding? Neem dan contact met ons op via info@mijnfaunazakenbij12.nl.

3.4 Schade aan overige gewassen

Extra informatie

Bosbouw en boomteelt: vraat- en schilschade aan voornamelijk fruitbomen.

De inhoud van deze infographic vindt u deels in de tekst op de pagina. We zijn ons ervan bewust dat deze afbeelding niet digitaal toegankelijk is. Onze excuses daarvoor. Wij werken aan nieuwe faunaschadepreventiekits en de digitale toegankelijkheid daarvan. Heeft u vragen over de inhoud van deze afbeelding? Neem dan contact met ons op via info@mijnfaunazakenbij12.nl.

4. Algemeen

BIJ12 kan onder voorwaarden tegemoetkomen in de schade die beschermde inheemse diersoorten veroorzaken aan bedrijfsmatig geteelde landbouwgewassen of gehouden landbouwhuisdieren. Vervolgschade, bijvoorbeeld door vertrapping, verslemping en vervuiling, komt niet voor een tegemoetkoming in de schade in aanmerking.

Als u in aanmerking wilt komen voor een tegemoetkoming, moet u in veel gevallen (preventieve) maatregelen nemen om de schade te voorkomen en/of beperken. De vereiste maatregelen kunnen afhankelijk zijn van gewas, diersoort, periode en gebiedsstatus. Zie hiervoor in deze preventiekit beschreven preventieve maatregelen.

4.1 Wat te doen bij schade

Als er ondanks preventieve maatregelen toch nog schade van enige omvang optreedt, kunt u een tegemoetkoming in de schade aanvragen bij BIJ12. Deze aanvragen worden getoetst aan de beleidsregels van de provincie waarin de schade percelen liggenDeze link opent in een nieuw tabblad.

Het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag doet u via MijnFaunazaken. Het melden van schade doet u via www.faunaschade.nlDeze link opent in een nieuw tabblad.

Let op: aan het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag zijn behandelkosten van 300 euro verbonden. De aanvraag kan pas worden ingediend nadat deze kosten via de betaalfunctie (iDEAL) in de applicatie zijn betaald.

Heeft u vragen over het indienen van een tegemoetkomingsaanvraagDeze link opent in een nieuw tabblad of over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen, neem dan tijdig contact op met BIJ12. BIJ12 is bereikbaar via het telefoonnummer 085 – 486 22 22 of info@mijnfaunazakenbij12.nl.

4.2 Ontheffing

Voor het verjagen van een diersoortDeze link opent in een nieuw tabblad met ondersteunend afschot, is een ontheffing nodig. De Faunabeheereenheid (FBE) kan u op aanvraag machtigen om van de ontheffing gebruikt te maken, of u kunt zelf een ontheffing aanvragen:

  • als u een machtiging voor een ontheffing wilt aanvragen, neem dan bij dreigende of optredende schade direct contact op met de FBE in de provincie waarin uw percelen liggen;
  • als er nog geen ontheffing aan de FBE is verleend voor de betreffende diersoort, vraag deze dan direct zelf aan bij de provincie;
  • neem dezelfde dag nog preventieve maatregelen (voor zover die zijn toegestaan zonder ontheffing);
  • ontvangt u een machtiging via de FBE of een ontheffing van de provincie, neem dan meteen ook de maatregelen die volgens de ontheffing zijn toegestaan

Voor verdere informatie over de provinciale FBE’s verwijzen we u naar www.faunabeheereenheid.nl.

4.3 Meer informatie

Wilt u meer weten over faunaschade en de voorkoming ervan? Raadpleeg dan de Faunaschade Preventie KitsDeze link opent in een nieuw tabblad (‘Bevers en beverratten’, Dassen, Duiven, Eenden, Ganzen, Haasachtigen, Hertachtigen, Hoenderachtigen, Kleine zangvogels, Koeten, Kraaiachtigen, Meeuwen, Roofvogels, Woelmuizen, ‘Wolven, vossen en marterachtigen’ en Zwanen). Maatregelen voor andere soortgroepen en de daarbij eventueel geldende richtlijnen vanuit BIJ12 zijn te vinden in de Handreiking Faunaschade (2009)(bijgewerkt op 08-02-2024).

4.4 Kleine lettertjes

Aan de informatie zoals weergegeven in de ‘Faunaschade Preventie Kit Haasachtigen’ kunnen geen rechten worden ontleend. Weersomstandigheden, teeltkeuzes, enzovoort kunnen leiden tot schadesituaties die niet zijn beschreven. De grondgebruiker blijft in alle gevallen primair verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van schade. Alle FPK’s vormen een weergave van gedeelde praktijkervaringen en niet van alle middelen waarvan de werking wetenschappelijk is aangetoond.

5. Over team Faunazaken

BIJ12 houdt zich bezig met taken op het gebied van faunaschade door natuurlijk in het wild levende beschermde dieren. Zij reiken handvatten aan om faunaschade te voorkomen en te bestrijden. Als dat niet (meer) mogelijk is, kunnen agrariërs in bepaalde gevallen bij BIJ12 terecht voor een tegemoetkoming in de schade.

Colofon

  • Mede samengesteld door Van Bommel FAUNAWERK en Communicatiebureau de Lynx (logo, illustraties, infographics en print css).
  • Voor het beste printresultaat gebruikt u bij voorkeur Google Chrome.
  • Download de tekst op deze pagina als PDF bovenaan deze pagina (knop ‘PDF’).