Woelmuizen, ratten en mollen

De ‘Faunaschade PreventieKit’ voor woelmuizen, ratten en mollen laat zien met welke preventieve maatregelen u gewasschade door woelmuizen, ratten, muskusratten en mollen kunt voorkomen of beperken.

1.1 Veldmuis en woelrat

De populatieontwikkeling van veldmuis en woelrat, knaagdieren uit de familie van de Woelmuizen, kent door de jaren heen een sterk cyclisch karakter. De populaties groeien een aantal jaar, om ineens te crashen en vervolgens weer een aantal jaar naar een volgende piek op te bouwen. Als de omstandigheden in piekjaren erg gunstig zijn kunnen de populaties zich (regionaal) tot plagen ontwikkelen en voor forse schade zorgen.

Veldmuizen kunnen volledige graslandpercelen op de kop zetten. Daarnaast wordt voornamelijk het wortelgestel van gewassen afgevreten; woelratten knagen in de winterperiode de wortels van fruitbomen en boomkwekerijgewassen aan tot de kenmerkende ’potloodpunt’ overblijft. Schade aan wortels wordt in het opvolgende (voor)jaar zichtbaar doordat de gewassen in ontwikkeling achterblijven of geheel afsterven.

U moet veldmuizen en woelratten bestrijden in de jaren in opbouw naar de piek. Als een populatie zich tot een plaag heeft ontwikkeld bent u vaak al te laat en vergt de bestrijding een enorme inspanning.

1.2 Bruine rat en zwarte rat

De zwarte rat komt in Nederland voor in agrarisch gebied in Noord-Brabant, in en rond enkele havensteden en kent een opmars in de rest van het land.. De bruine rat in veel algemener verspreid en komt in Nederland vrijwel overal voor. Ratten zijn cultuurvolgers en komen in en om bebouwing voor. In en rond (op)stallen en erven kunnen ratten elektrische bedradingen, houtwerk en isolatiematerialen vernielen (knaagschade). Opgeslagen voer(gewassen) zijn aantrekkelijk voor ratten. Verdere schade aan landbouwgewassen is doorgaans zeer beperkt.

1.3 Muskusrat (bisamrat)

De muskusrat of bisamrat is geen rat maar een knaagdier uit de onderfamilie der woelmuizen. Het dier wordt ongeveer vier keer zo zwaar als de bruine rat. De muskusrat leeft langs zoetwater met begroeide oevers. Hij graaft gangen in de oever en bouwt een burcht, waarvan de ingang meestal onder het wateroppervlak ligt. De muskusrat is een zeer goede zwemmer en duiker en kan onder water lange afstanden afleggen. Hij wordt ook wel waterkonijn genoemd en is zeer goed eetbaar. De muskusrat is voornamelijk ‘s nachts en in de schemering actief. Hij leeft voornamelijk van planten, zoals zegge en paardenstaarten.

In Nederland worden de dieren vaak in veenweidegebieden aangetroffen, omdat de bodem zich hier goed leent voor het graven van gangen. In de veen- en waterrijke gebieden van Zuid-Drenthe en Noord-Overijssel en Zuid-Holland komen verhoudingsgewijs veel muskusratten voor. Waterschappen hebben de wettelijke opdracht om alle waterstaatswerken te beschermen tegen schade door graverijen van muskus- en beverratten. Zolang de werking van preventieve maatregelen nog niet is aangetoond, houden de waterschappen de populatie muskusratten zo laag mogelijk. Waar de populatiedichtheid nog laag is en waar natuurlijke vijanden ontbreken kan de muskusrat snel in aantal vermeerderen, mede door de snelle voortplanting. Ook in landbouwpercelen richten ze schade aan.

1.4 Mol

De mol is in Nederland vrij algemeen verspreid en komt overal voor waar de grond geschikt is om in te graven. De bodem moet niet te zandig, te vochtig of te stenig zijn en er moeten voldoende wormen aanwezig zijn. De mol heeft een voorkeur voor rulle, humusrijke grond met een niet te hoge grondwaterstand en permanente begroeiing. Hij komt vooral voor in loofwouden en graslanden, maar ook in tuinen, bosranden, parken en boomgaarden.

2. Preventieve maatregelen

Hieronder vindt u enkele verjaagmethoden. Sommige middelen werken maar gedurende een korte periode. Daarna wennen dieren eraan. Door middelen af te wisselen, verhoogt u de effectiviteit en wordt gewenning zoveel mogelijk voorkomen.

2.1. Teelttechnische maatregelen

Verjagen door bemestingBemesting (zwavel (S) en stikstof (N) – (veldmuizen)

Bemesting met een combinatie van zwavel en stikstof zou door de zwavelgeur een verjagend effect op veldmuizen moeten hebben. De zwavel en stikstof wordt gestrooid (N), beregend (S) of geïnjecteerd (N). In Duitsland wordt deze werkwijze op grote schaal toegepast. Daarnaast heeft zwavel-stikstofbemesting een positief effect op de grasproductie.

2.2. Aantrekken natuurlijke vijanden

Aantrekken van natuurlijke vijanden

Zitpalen roofvogels

Zitpalen roofvogels – (muizen, mollen en ratten)

Roofvogels jagen op muizen, mollen en ratten. U kunt roofvogels aantrekken door uitkijkposten te plaatsen. Een uitkijkpost bestaat uit een paal van 4 tot 5 meter hoog met aan de bovenzijde een horizontale, ronde zitstok (diameter 3 tot 5 cm). De roofvogels verjagen ook meteen vogels die schade kunnen veroorzaken.


Schade beperken door plaatsing nestgelegenheid

Nestgelegenheid roofvogels

Nestegelegenheid roofvogels – (muizen)

In plaats van zitpalen voor roofvogels kunt u ook nestkasten voor torenvalken ophangen. Ook het plaatsen van uilenkasten kan nuttig zijn om schade door muizen te beperken. De nestkast voor torenvalken is het best op een paal in het open veld te plaatsen. De nestkasten voor andere uilen hebben beschutting van een boom of gebouw nodig.

2.3. Beheer

Vangkooi – (muizen, mollen en ratten en muskusratten)

Er zijn zeer veel verschillende typen kastvallen en vangkooien. Een bekend type is de val waarbij één of twee deuren dichtslaan of –vallen als het dier op een tredplaat stapt. Voor het gebruik van kastvallen en vangkooien is voor woelratten (waaronder muskusratten) een provinciale ontheffing vereist. Voor muizen, mollen en ratten is geen ontheffing nodig.


Klemmen – (mollen, zwarte en bruine rat, huismuis, woelmuizen en woelrat)

Klemmen zijn volgens het Besluit beheer en schadebestrijding dieren (art. 11) verboden, met uitzondering van klemmen die uitsluitend geschikt en bestemd zijn voor het vangen en (direct) doden van mollen, zwarte en bruine ratten of huismuizen. Het gebruik van klemmen voor woelmuizen (dus ook muskusratten) en woelratten mag alleen op basis van een ontheffing. Er zijn klemmen die dichtslaan door indrukken van een tredplaat of door beroering van een draad of pal. Dergelijke klemmen worden over het algemeen voor holen of op wissels geplaatst. Andere klemmen worden voorzien van aas en geplaatst op plaatsen waar de dieren verwacht worden. Op plaatsen met kinderen of huisdieren kunt u klemmen voor ratten en muizen het beste plaatsen in een tunneltje, gemaakt van drie houten planken.

De muskusrattenbestrijders willen te allen tijde bijvangsten voorkomen. Vandaar dat er steeds onderzoek gedaan wordt hoe bijvangsten voorkomen kunnen worden. Zo zijn voor de vangst van muskusratten de drijvende klemmen op een vlot tegenwoordig voorzien van een gazen dak tot in het water, zodat niet alle dieren daar zomaar bij kunnen.


Rook- en gaspatronen – (mollen en woelratten)

U mag mollen en woelratten onder zeer strikte voorwaarden chemisch bestrijden met aluminiumfosfide- en magnesiumfosfidetabletten. Als de tabletten met vocht uit de lucht of uit de grond in aanraking komen ontstaat na een chemische reactie het zeer giftige fosforwaterstof. Dit gas dood de woelratten en mollen. Bij de toepassing wordt een speciaal doseerapparaat en leggeweer gebruikt. Wilt u mollen en woelratten bestrijden met middelen op basis van fosforwaterstof, dan hebt u verplicht een licentie Mollen- en Woelrattenbestrijding nodig.


Biociden

Rodenticiden

Rodenticiden zijn giften voor het doden van knaagdieren. Als u rodenticiden buiten gebruikt, lopen roofvogels en huisdieren via doorvergiftiging een hoog risico. Vooral rodenticiden op basis van anticoagulantia (antistollingsmiddelen) breken moeilijk af in het milieu, hopen op in organismen en zijn giftig. Het zijn zogenaamde PBTstoffen, persistent, bioaccumulerend en toxisch. Redenen voor het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) (www.ctgb.nl) om het gebruik van deze stoffen alleen toe te laten onder strikte voorwaarden en te beperken tot binnenruimtes. Wilt u rodenticiden voor ratten buiten gebruiken, dan moet u een professional inschakelen die in het bezit is van het vakbekwaamheidsbewijs Knaagdierbeheersing op het Agrarisch Bedrijf (KBA) en werkt volgens de principes van geïntegreerde plaagdier bestrijding (IPM).

RodenatorProT
De Rodenator is een apparaat, waarbij met behulp van een lans een mengsel van zuurstof en propaangas in het tunnelnetwerk van het dier wordt gespoten. Dit mengsel wordt via een ingebouwde ontsteking tot ontploffing gebracht. Door de ondergrondse schokgolf wordt het dier nagenoeg direct gedood. Daarnaast wordt het gangenstelsel beschadigd, wat herbevolking voorkomt.

2.4. Overige middelen

preventie door waterpeil te verhogen

Waterpeil verhogen

Percelen ongeschikt maken voor schadesoorten

Waterpeil verhogen – (veldmuizen)

In de winter is sprake van een neerslagoverschot en bij veel regenval raakt de wortelzone verzadigd met water. De overleving van veldmuizen is dan zeer laag. Een grote drooglegging helpt veldmuizen de winter door. Het is aan te bevelen om in percelen die gevoelig zijn voor muizen, als preventieve maatregel de waterpeilen te verhogen (tot in het voorjaar), zowel in muizenrijke als muizenarme jaren.

Percelen inunderen of bevloeien – (veldmuizen)
Mochten er aan het eind van de winter nog percelen of locaties zijn met veel muizen en is er mogelijk een muizenpiek op komst, dan kunt u die graslanden kortstondig inunderen of met een sleepslang bevloeien met water.


preventie door kort maaien

Grondbewerking (kort maaien)

Grondbewerking (kort maaien) – (veldmuizen)

Een kort gegraasde of gemaaide grasmat voorkomt dat veldmuizen dekking hebben tegen predatoren. Weilanden met een korte en egale grasmat zijn minder aantrekkelijk. In warmere najaren zijn er vaak nog graspercelen met een behoorlijke graslengte. U kunt grasland het beste kort de winter in laten gaan. Daarnaast moet u slootkanten schoonmaken en de begroeiing kort houden.


Nader te specificeren

Drone

Nader te specificeren

Nader te specificeren middelen zijn alle legale middelen die grondgebruikers willen uitproberen. Het gaat om middelen waarvan de werking niet of onvoldoende is bewezen en die niet in de Faunaschade Preventiekit (FPK) staan, maar waarvan BIJ12 wél een realistische werking verwacht. Denk bijvoorbeeld aan afleidend voeren, laser en de inzet van robots of drones. BIJ12 kan naar zo’n kansrijk, preventief middel experimenteel onderzoek laten doen, al dan niet in samenwerking met de betreffende grondgebruiker. Op deze manier stimuleert BIJ12 de inzet van innovatieve verjaagmaatregelen die door grondgebruikers zelf zijn ontwikkeld. Lees hier meer over onderzoeken van BIJ12.

Wilt u een nieuw middel uittesten, dan kunt u vooraf de verwachte werking met een consulent van BIJ12 bespreken. Als u aanspraak wilt houden op een tegemoetkoming, vraag dan schriftelijke toestemming voor de inzet van het betreffende middel.

3. Soorten faunaschade

Bij verschillende gewassoorten kunnen er over het algemeen drie soorten schade aangericht worden door woelmuizen, ratten en mollen: graafschade, vraatschade, bevuiling en vernieling en predatie.

In onderstaande infographics ziet u wanneer faunaschade voornamelijk optreedt. Schade kunt u voorkomen met de preventieve middelen uit paragraaf 2.

3.1 Schade aan akkerbouwgewassen

Infographic knaagdieren schade aan akkerbouw

3.2 Schade aan grasland

Extra informatie

Blijvend grasland : veldmuizen en woelratten vreten het wortelgestel van graslanden volledig of gedeeltelijk weg. Vooral in de winter en het voorjaar is dat het geval. Graslanden langs watergangen kunnen instorten door gegraaf van muskusratten.

Graszaad en ingezaaid grasland (geen graszoden): volledig of gedeeltelijk wegvreten van wortelgestel in de winter en het voorjaar door veldmuis, woelrat, woelmuis, muskusrat en mol.

Infographic knaagdieren schade aan grasland

3.3 Schade aan vollegrondsgroenten

Extra informatie

Vollegrondsgroenten algemeen: schade aan wortels. Daardoor sterven gewassen af of verwelken ze.
Bloemkool, broccoli, en romanesco, boerenkool en overige koolsoorten: wroetschade door mollen aan jonge spruiten/plantmateriaal.

Infographic knaagdieren schade aan vollegrondsgroenten

3.4 Schade aan fruit

Extra informatie

Algemeen: vraatschade en graafschade vindt vooral in de winter plaats, maar wordt pas zichtbaar in het voorjaar.

Infographic knaagdieren schade aan fruit

3.5 Overige schade

Extra informatie

Landbouwhuisdieren: bruine rat en zwarte rat eten eieren en kuikens.

Opgeslagen ruwvoer (kuilvoer, silage, pakken en rollen): bruine rat en zwarte rat vernielen verpakkingen.

Opstallen en erven: schade door knagen aan houtwerk, isolatie en elektrische bedrading. Bij grote aantallen bruine en zwarte ratten is er ook vervuiling en stankoverlast.

Waterkeringen: ondermijning van waterkeringen doordat muskusratten grote gangenstelsels graven.

Infographic knaagdieren schade aan overige gewassen

4. Algemeen

BIJ12 kan onder voorwaarden tegemoetkomen in de schade die beschermde inheemse diersoorten veroorzaken aan bedrijfsmatig geteelde landbouwgewassen of gehouden landbouwhuisdieren. Vervolgschade, bijvoorbeeld door vertrapping, verslemping en vervuiling, komt niet voor een tegemoetkoming in de schade in aanmerking.

Als u in aanmerking wilt komen voor een tegemoetkoming, moet u in veel gevallen (preventieve) maatregelen nemen om de schade te voorkomen en/of beperken. De vereiste maatregelen kunnen afhankelijk zijn van gewas, diersoort, periode en gebiedsstatus. Zie hiervoor in deze preventiekit beschreven preventieve maatregelen.

4.1 Wat te doen bij schade

Als er ondanks preventieve maatregelen toch nog schade van enige omvang optreedt, kunt u een tegemoetkoming in de schade aanvragen bij BIJ12. Deze aanvragen worden getoetst aan de beleidsregels van de provincie waarin de schadepercelen liggen.

Het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag doet u via MijnFaunazaken. Het melden van schade doet u via www.faunaschade.nl.

Let op: aan het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag zijn behandelkosten van 300 euro verbonden. De aanvraag kan pas worden ingediend nadat deze kosten via de betaalfunctie (iDEAL) in de applicatie zijn betaald.

Heeft u vragen over het indienen van een tegemoetkomingsaanvraag of over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen, neem dan tijdig contact op met BIJ12. BIJ12 is bereikbaar via het telefoonnummer 085 – 486 22 22 of info@mijnfaunazakenbij12.nl.

4.2 Ontheffing

Voor het verjagen van een diersoort met ondersteunend afschot, is een ontheffing nodig. De Faunabeheereenheid (FBE) kan u op aanvraag machtigen om van de ontheffing gebruikt te maken, of u kunt zelf een ontheffing aanvragen:

  • als u een machtiging voor een ontheffing wilt aanvragen, neem dan bij dreigende of optredende schade direct contact op met de FBE in de provincie waarin uw percelen liggen;
  • als er nog geen ontheffing aan de FBE is verleend voor de betreffende diersoort, vraag deze dan direct zelf aan bij de provincie;
  • neem dezelfde dag nog preventieve maatregelen (voor zover die zijn toegestaan zonder ontheffing);
  • ontvangt u een machtiging via de FBE of een ontheffing van de provincie, neem dan meteen ook de maatregelen die volgens de ontheffing zijn toegestaan.

Voor verdere informatie over de provinciale FBE’s verwijzen we u naar www.faunabeheereenheid.nl.

4.3 Meer informatie

Wilt u meer weten over faunaschade en de voorkoming ervan? Raadpleeg dan de Faunaschade Preventie Kits (‘Bevers en beverratten’, Dassen, Duiven, Eenden, Ganzen, Haasachtigen, Hertachtigen, Hoenderachtigen, Kleine zangvogels, Koeten, Kraaiachtigen, Meeuwen, Roofvogels, Woelmuizen, ‘Wolven, vossen en marterachtigen’ en Zwanen). Maatregelen voor andere soortgroepen en de daarbij eventueel geldende richtlijnen vanuit BIJ12 zijn te vinden in de Handreiking Faunaschade (2009) (bijgewerkt op 08-02-2024).

4.4 Kleine lettertjes

Aan de informatie zoals weergegeven in de ‘Faunaschade Preventie Kit Woelmuizen, ratten en mollen’ kunnen geen rechten worden ontleend. Weersomstandigheden, teeltkeuzes, enzovoort kunnen leiden tot schadesituaties die niet zijn beschreven. De grondgebruiker blijft in alle gevallen primair verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van schade. Alle FPK’s vormen een weergave van gedeelde praktijkervaringen en niet van alle middelen waarvan de werking wetenschappelijk is aangetoond.

5. Over team Faunazaken

BIJ12 houdt zich bezig met taken op het gebied van faunaschade door natuurlijk in het wild levende beschermde dieren. Zij reiken handvatten aan om faunaschade te voorkomen en te bestrijden. Als dat niet (meer) mogelijk is, kunnen agrariërs in bepaalde gevallen bij BIJ12 terecht voor een tegemoetkoming in de schade.

Colofon

  • Mede samengesteld door Van Bommel FAUNAWERK en Communicatiebureau de Lynx (logo, illustraties, infographics en print css).
  • Voor het beste printresultaat gebruikt u bij voorkeur Google Chrome.
  • Download de tekst op deze pagina als PDF bovenaan deze pagina (knop ‘PDF’).