N07.02 Zandverstuiving

Bijgewerkt op: 19 december 2023

Zandverstuivingen worden gekenmerkt door onbegroeid zand en pionierbegroeiingen met een groot aandeel mossen en korstmossen. Het beheertype Zandverstuiving is te vinden op droge, zure en voedselarme zandbodems in het binnenland.

Algemene beschrijving

Na karakteristieke pionierstadia met algen en buntgras ontstaan meestal mosrijke stadia gevolgd door korstmosrijke stadia (korstmossteppe). Bij verdergaande successie ontstaan droge, open vegetaties met zandstruisgras of fijn schapengras, stuifzandheiden en open dennenbossen. Uitstuiving tot op het grondwater komt voor, in deze valleitjes kunnen pionierbegroeiingen van vochtige bodems voorkomen. Deze vochtige elementen zijn door verdroging van de zandgronden, zeer schaars geworden.

De jonge zandverstuivingen zijn vanaf de middeleeuwen veelal ontstaan door een te intensief gebruik. Hierdoor is zand bloot komen te liggen en is het zand gaan stuiven. Uitbreiding van de zandvlakten kon plaatsvinden door grootschalige verstuivingen. Pas aan het einde van de 19e eeuw slaagde men erin het stuifzand grotendeels vast te leggen door de aanplant van naaldbos.

Zandverstuivingen zijn in de loop der jaren sterk in omvang en kwaliteit achteruit gegaan. Depositie van stikstof stimuleert de groei van algen en sommige mossen en versnelt de successie van pionierbegroeiingen naar soortenarme droge graslanden en struweel.

De mate van biodiversiteit is vooral afhankelijk van een afwisseling en overgangen van kaal zand, korstmosbegroeiingen en droog open grasland. Voor sommige kenmerkende dieren is  het in de nabijheid voorkomen van heide, struweel of bos van groot belang.

De korstmosstadia in zandverstuivingen herbergen een grote diversiteit aan zeldzame korstmossen. Zandverstuivingen zijn eveneens belangrijk voor mossen, vogels, reptielen en ongewervelden. Hoewel niet bijzonder rijk aan fauna kent het wel een aantal specifieke soorten. Voorbeelden zijn kleine heivlinder, aardbeivlinder, blauwvleugelsprinkhaan en zandoorworm en broedvogels als duinpieper en boomleeuwerik. Reptielen als zandhagedis komen eveneens veelvuldig voor in zandverstuivingen.

Voorbeeldgebieden

Hulshorsterzand, Loonse en Drunense duinen, Planken Wambuis, Kootwijkerzand en Drouwenerveld.

Afbakening

  • Het beheertype Zandverstuiving bestaat uit tenminste 50% uit onbegroeid stuivend zand, mos of korstmosbegroeiingen en droog grasland met buntgras.
  • De overige delen bestaan uit heide, grasland met bochtige smele en/of boomgroepen zoals kleine met bomen begroeide forten.
  • Het beheertype is in het Zandlandschap gelegen. Kaal zand in de duinen behoort bij de beheertypen Open duin of Strand en embryonaal duin.

Standaardkostprijs

De standaardkostprijsbladen gaan uit van de beheermaatregelen die gemiddeld over heel Nederland gezien nodig zijn om dit beheertype in stand te houden. Afhankelijk van regionale omstandigheden kan het noodzakelijk zijn om het beheer aan te passen voor de instandhouding van het beheertype.

Bekijk de meeste actuele standaardkostprijzen voor een overzicht van alle standaardkostprijzen per natuurtype.

Subsidie

Subsidieverplichtingen

De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.

Subsidietarief

Bekijk de meest actuele subsidietarieven voor de jaarvergoeding voor het Natuurbeheertype N07.02 Zandverstuiving.

De vergoeding kan jaarlijks wijzigen en bedraagt 84% van de standaardkostprijs.

Monitoring en natuurkwaliteit

Structuur

De volgende kwalificerende structuurelementen worden onderscheiden.

N07.02 Zandverstuiving – Structuur

Structuurelement Min. % Max. %
Kale bodem en/of open pioniervegetatie 10
Los zand 15
Gesloten lage vegetaties, grassen, zeggen en kruiden 5 20
Heidevegetaties 5 20
Solitaire bomen en kleine bosjes (>5 m) 5 10
Jeneverbesstruwelen 5 20
Hoog struweel, incl. braam-, gagel- en bremstruwelen 5 20
Water 1 10

Kwaliteitsbepaling

  • “Hoog”: indien minimaal 4 kwalificerende structuurelementen aanwezig zijn, waaronder ‘Kale bodem en/of open pioniervegetatie’ en ‘Gesloten lage vegetaties, grassen, zeggen en kruiden’.
  • “Midden”: indien 3 kwalificerende structuurelementen aanwezig zijn, waaronder ‘Kale bodem en/of open pioniervegetatie’ of indien meer kwalificerende elementen aanwezig zijn, maar niet voldaan is aan de eisen van klasse “Hoog”.
  • “Laag”: indien 0 – 2 kwalificerende structuurelementen aanwezig zijn.

Flora en fauna

Biotische kwaliteit wordt uitgedrukt in het voorkomen van kwalificerende flora- en faunasoorten uit de volgende soortgroepen (kostmossen zijn met (k) aangeduid):

N07.02 Zandverstuiving – Flora en fauna

Soortgroep Soorten
Planten: dwergviltkruid, ezelspootje (k), grasklokje, grote tijm, hamerblaadje (k), heidespurrie, hondsviooltje, jeneverbes, klein tasjeskruid, oeverkruid, slank stapelbekertje (k), stuifzandkorrelloof (k), stuifzandstapelbekertje (k), tandjesgras, vroege haver, wollig korrelloof (k), IJslands mos (k), zandblauwtje, zilverhaver
Broedvogels: boomleeuwerik, duinpieper, tapuit
Dagvlinders & sprinkhanen: blauwvleugelsprinkhaan, heivlinder, kleine heivlinder, kommavlinder

Tot de kwalificerende soorten kunnen ook 2 extra (bedreigd, ernstig bedreigde of verdwenen uit Nederland) Rode lijst soorten gerekend worden. Enkel van de volgende soortgroepen: vissen, reptielen, amfibieën, mossen, kranswieren, vaatplanten, dagvlinders, libellen, sprinkhanen, krekels en vogels. Deze soorten tellen alleen mee voor het aantal soorten, maar niet voor het criterium van verspreiding en soortgroepen.

Kwaliteitsbepaling

  • “Hoog”: indien minimaal 7 kwalificerende soorten voorkomen, waarvan minimaal 4 op >15% van de oppervlakte van het beheertype en elke soortgroep vertegenwoordigd is.
  • “Midden”: indien 5-7 kwalificerende soorten voorkomen of indien meer soorten voorkomen, maar niet aan de eisen van klasse “Hoog” voldaan wordt.
  • “Laag”: indien niet aan de klasse “Midden” of “Hoog” voldaan is.

Milieu- en watercondities

De beoordeling van a-biotische condities wordt gedaan op basis van de interne water- en milieuconditie (standplaatsfactoren). Wanneer externe beïnvloeding beter, respectievelijk slechter scoort, wordt het eindoordeel 1 punt/klasse naar boven of beneden bijgesteld.

a) Standplaatsfactoren

Wat betreft waterstanden heeft dit type een droog tot zeer droog karakter. Natte en/of vochtige omstandigheden over langere periodes zijn niet gunstig, vooral niet in zomer.

Karakteristiek voor dit type is de uitzonderlijke armoede aan basen, aan voedingsstoffen en een bijzonder gering vermogen om vocht vast te houden. De pH bevindt zich meestal tussen zuur tot zwak zuur. Op plekken waar door verstuiving vers, niet uitgeloogd zand is afgezet is de pH relatief hoog (pH > 4,5), door uitloging onder invloed van regenwater en humuszuren daalt de pH tot waarden onder de 4,5.

De nutriëntbeschikbaarheid is laag, van oligotroof tot mesotroof. Op minder goed ontwikkelde plekken, bijvoorbeeld vergraste plekken en vegetaties van latere successiestadia, bereikt de nutriëntenbeschikbaarheid een zwak eutroof niveau. Actief en opgestoven stuifzand bevat slechts een geringe hoeveelheid organisch materiaal. Dit type is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. Depositie van stikstof versnelt de successie van pionierbegroeiingen naar soortenarme droge graslanden en struweel.

Overgangssituaties naar wat nattere pioniersstadia kunnen ook voorkomen binnen het type. Het zand stuift vaak uit tot op het niveau van het grondwater. Deze uitgestoven laagten zijn natter dan de zandverstuiving zelf.

Figuur 8. Ranges waarbij voor stuifzanden kenmerkende “vegetaties” kunnen voorkomen voor zuurgraad (pH) en nutriëntenrijkdom.

Figuur 8. Ranges waarbij voor stuifzanden kenmerkende “vegetaties” kunnen voorkomen voor zuurgraad (pH) en nutriëntenrijkdom.

Kwaliteitsbepaling

  • “Hoog”: indien minstens 25% van de oppervlakte zich voor voedselrijkdom zich op dezelfde locatie binnen het bereik voor “Hoog” bevindt.
  • “Midden”: indien niet voldaan wordt aan “Hoog” en minstens 50% van de oppervlakte zich voor zuurgraad en voedselrijkdom, op dezelfde locatie, binnen het bereik voor “Midden” bevindt.
  • “Laag”: indien aan bovenstaande criteria niet wordt voldaan.

b) Externe beïnvloeding

N07.02 Zandverstuiving – Stikstofdepositie *

Hoog Midden Laag
Stikstofdepositie* < 10 kg N ha-1 y-1 < 710 mol N ha-1 y-1 10 – 15 kg N ha-1 y-1

710-1070 mol N ha-1 y-1

> 15 kg N ha-1 y-1

> 1070 mol N ha-1 y-1

* Waarde voor Zandverstuiving (10,4 kg) en Droge heide (15 kg) (Van Dobben & Van Hinsberg, 2008).

Ruimtelijke condities

N07.02 Zandverstuiving – Ruimtelijke condities

Oppervlakte beheertype/Ruimtelijke samenhang >100 ha 50 – 100 ha 10 – 50 ha < 10 ha
Verbonden met (afstand max. 30 meter) ondersteunende beheertypen* Hoog Hoog Hoog Midden
In nabijheid (binnen 1 km) van ondersteunende beheertypen* Hoog Hoog Midden Laag
Geïsoleerd Hoog Midden Laag Laag

* Dit betreffen, naast zandverstuiving: N06.06 Zuur ven of hoogveenven, N07.01 Droge heide, N11.01 Droog schraalland

Monitoring

N07.02 Zandverstuiving – Monitoring

Parameter Methode Frequentie
Structuurelementen Bepaling bedekking 6 jaar
Planten inventarisatie kwalificerende soorten 6 jaar
Broedvogels Inventarisatie kwalificerende soorten 6 jaar
Dagvlinders en Sprinkhanen inventarisatie kwalificerende soorten 6 jaar
Bepaling abiotiek Diverse methoden 6 jaar
Stikstofdepositie Opvragen stikstofdepositie 6 jaar
Vegetatie Vegetatiekartering 12 jaar
Ruimtelijke condities GIS-analyse en veldwaarneming 6 jaar