N08.03 Vochtige duinvallei

Bijgewerkt op: 19 december 2023

In vochtige duinvallei komt zowel open water, lage pionierbegroeiingen, grote of kleine zeggenvegetaties als kruipwilgstruweel voor. Het gaat om valleien van de jonge duinen langs de kust. Deze valleien staan vaak onder invloed van zoet grondwater.

Algemene beschrijving

Duinvalleien kunnen op meerdere manieren ontstaan, ze ontstaan bijvoorbeeld bij aangroeikusten waar zandbanken aanhelen. De overstroming met zeewater wordt op groene stranden en slufters geleidelijk steeds minder. De aangroeiende embryonale en witte duinen sluiten uiteindelijk de vallei af van de zee. Door uitstuiving van de oudere duinen achter de zeereep, kan ook een laagte ontstaan, die nat wordt wanneer duinen uitstuiven tot op het niveau van het grondwater. Door zeeinbraken, of door natuurlijke verdroging van het duinmassief bij een afslagkust, kan de ontwikkeling van een natte duinvallei afgebroken worden.

Vochtige duinvallei is vaak rijk aan overgangen; van open water tot droge duinranden, waardoor veel variatie in begroeiing kan ontstaan. De lage en open vegetaties van biezen, russen en mossen, kunnen lang voorkomen dankzij de zandige, vochtige tot zeer natte, vaak kalkrijke bodems en door de invloed van voedselarm grond- en oppervlaktewater. De begroeiingen zijn zeer soortenrijk, enerzijds door de vele pioniers als dwergrus, stijve moerasweegbree, teer guichelheil, dwergbloem, bitterling, knopbies en parnassia maar ook de soorten van open water (kranswieren, weegbreefonteinkruid) en door soorten van iets meer gesloten begroeiingen zoals veldgentiaan, gelobde maanvaren, vleeskleurige orchis, groenknolorchis, honingorchis en moeraswespenorchis. In de wat oudere kalkarme duinvalleien komen meer vegetaties van vochtige heiden voor, ze gaan dan over naar duinheide of duinbos en verliest daarmee een groot deel van de pioniersoorten. Ontkalking en humusvorming zijn belangrijke processen die zorgen voor veranderingen in de vegetatie.

Behalve voor planten is vochtige duinvallei van belang voor paddenstoelen, vogels, dagvlinders, amfibieën en zoogdieren. Zowel de nationaal als internationaal betekenis is groot; Nederland kent wegens het beperkte voorkomen van duinvalleien in Europa en door de hoge biodiversiteit een grote (inter)nationale verantwoordelijkheid. Verjonging van de duinen door erosie en sedimentatieprocessen is van groot belang voor het behoud van de pionierstadia. Ontginning voor grasland of akker; bebossing en verdroging door waterwinning hebben in het verleden tot het verdwijnen van veel duinvalleien geleid.

Voorbeeldgebieden

Oosterkwelder en Westduinen (Schiermonnikoog), Noordvaarder en Boschplaat (Terschelling), Kroonspolder (Vlieland), Zuid Kennemerland, Mokslootvallei en Voornes duin.

Afbakening

  • Vochtige duinvallei bestaat uit in het duin- en kustgebied gelegen vochtige tot natte laagten, al dan niet met open, voedselarm water, of vochtige delen van drooggevallen zandplaten.
  • Vochtige duinvallei wordt niet of incidenteel door zeewater geïnundeerd, en is gekenmerkt door een lage vegetatie.
  • Tot 20% van het beheertype kan bestaan uit struweel.
  • Tot 30% van het beheertype kan bestaan uit heideachtigen.

Standaardkostprijs

De standaardkostprijsbladen gaan uit van de beheermaatregelen die gemiddeld over heel Nederland gezien nodig zijn om dit beheertype in stand te houden. Afhankelijk van regionale omstandigheden kan het noodzakelijk zijn om het beheer aan te passen voor de instandhouding van het beheertype.

Bekijk de meeste actuele standaardkostprijzen voor een overzicht van alle standaardkostprijzen per natuurtype.

Subsidie

Subsidieverplichtingen

De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.

Subsidietarief

Bekijk de meest actuele subsidietarieven voor de jaarvergoeding voor het Natuurbeheertype N08.03 Vochtige duinvallei.

De vergoeding kan jaarlijks wijzigen en bedraagt 84% van de standaardkostprijs.

Monitoring en natuurkwaliteit

Over de aquatische typen is overleg gaande met de waterbeheerders. Mogelijk wordt dit type hier nog op aangepast. Voor 2014 kan dit type WEL gemonitord worden.

Structuur

Een vochtige duinvallei is vaak rijk aan verschillende structuurelementen. Bij ontwikkeling van een nieuwe duinvallei kunnen verschillende structuurelementen in de tijd sterk wisselen in mate van voorkomen, zoals open water, kale bodem en lage en open pioniervegetatie. Duinvalleien worden meestal gemaaid hetgeen gunstig is voor de korte zeggen- en kruidenvegetatie die zeer soortenrijk kan zijn. Begraasde of niet gemaaide duinvalleien of delen daarvan hebben een groter aandeel aan overjarige vegetatie van zeggen, grassen, kruipwilg en kruiden. Aan de randen van duinvalleien kunnen overgangen naar struweel optreden.

Vochtige duinvallei wordt gekenmerkt door een lage vegetatie en bestaat voor maximaal 20% uit struweel en voor maximaal 30% uit dwergstruiken. De volgende kwalificerende structuurelementen worden onderscheiden:

N08.03 Vochtige duinvallei – Structuur

Structuurelement Min. % Max. %
Water 5 30
Kale bodem en/of open pioniervegetaties 5 30
Gesloten lage vegetaties, grassen, zeggen en kruiden 5 80
Hoge grassen, zeggen of natte strooiselruigte (>40 cm) 5 20
Heidevegetaties 1 30
Hoog struweel, incl. braam-, gagel- en bremstruwelen 5 20

Kwaliteitsbepaling

  • “Hoog”: indien 4 of meer kwalificerende structuurelementen aanwezig zijn, waarvan in ieder geval een lage pioniervegetatie of een korte gesloten zeggen- en kruidenvegetatie.
  • “Midden”: indien 2-3 kwalificerende structuurelementen aanwezig zijn of indien meer structuurelementen aanwezig zijn, maar niet voldaan wordt aan de criteria van klasse “Hoog”.
  • “Laag”: indien 0-1 kwalificerend structuurelement aanwezig is.

Flora en fauna

Biotische kwaliteit wordt uitgedrukt in het voorkomen van kwalificerende flora- en faunasoorten uit de volgende soortgroepen (mossen zijn met (m), kranswieren met (k) aangegeven):

N08.03 Vochtige duinvallei – Flora en fauna

Soortgroep Soorten
Planten: armbloemige waterbies, bitterling (zomer- en herfst-), bonte paardenstaart, brokkelig kransblad (k), draadfonteinkruid, draadgentiaan, drienervige zegge, duizendknoopfonteinkruid, dwergbloem, dwergrus, dwergvlas, fraai duizendguldenkruid, galigaan, gebogen kransblad (k), geelhartje, gevlekte orchis, groenknolorchis, grote boterbloem, grote muggenorchis, harlekijn, honingorchis, kleine knotszegge, knopbies, koprus, moerasgamander, moeraskartelblad, moeraswespenorchis, noordse rus, oeverkruid, ondergedoken moerasscherm, ongelijkbladig fonteinkruid, parnassia, rond wintergroen, ruw kransblad (k), slanke gentiaan, stekelharig kransblad (k), sterzegge, stijve moerasweegbree, teer guichelheil, teer vederkruid, veldgentiaan, verfbrem, vleeskleurige orchis, vlozegge, waterpunge, welriekende nachtorchis, wilde gagel, zilte rus, zilte waterranonkel
Broedvogels: blauwborst, blauwe kiekendief, dodaars, paapje, roerdomp, sprinkhaanzanger, tureluur, veldleeuwerik, wintertaling, wulp

Tot de kwalificerende soorten kunnen ook 2 extra soorten uit Bijlage 3 gerekend worden, indien deze voorkomen in het beheertype. Tot de karakteristieke en in Bijlage 3 opgenomen soorten behoort ook de Natura 2000-soort groenknolorchis.

Kwaliteitsbepaling

  • “Hoog”: indien minimaal 10 kwalificerende soorten voorkomen, waarvan minimaal 6 op >15% van de oppervlakte van het beheertype en beide soortgroepen vertegenwoordigd zijn.
  • “Midden”: indien 6-9 kwalificerende soorten voorkomen of indien meer soorten voorkomen, maar niet aan de eisen van klasse “Hoog” voldaan wordt.
  • “Laag”: indien niet aan de klasse “Midden” of “Hoog” voldaan is.

Milieu- en watercondities

De beoordeling van abiotische condities wordt gedaan op basis van de interne water- en milieuconditie (standplaatsfactoren). Wanneer externe beïnvloeding beter, respectievelijk slechter scoort, wordt het eindoordeel 1 punt/klasse naar boven of beneden bijgesteld.

a) Standplaatsfactoren

Vochtige duinvalleien maken deel uit van een hydrologisch systeem dat op een aantal punten afwijkt van binnenlandse situaties door de aanwezigheid van zout water in de ondergrond. Onder invloed van regenwater vormt zich een zoetwaterlens van vele tientallen tot meer dan honderd meter dik die op het brakke grondwater drijft. Door de dichtheidsverschillen tussen zout en zoet water, in combinatie met de aanwezigheid van slecht doorlatende mariene afzettingen in de ondergrond, is de opbolling van het grondwaterlichaam relatief groot. Vooral in brede duingebieden reageert de grondwaterstand vertraagd op fluctuaties in neerslag en verdamping. Dat betekent dat er bovenop de seizoensdynamiek, met hogere grondwaterstanden in de winter en lagere grondwaterstand in zomer, er ook sprake is van een langjarige dynamiek, met duinvalleien die in een periode met natte jaren vrijwel permanent onder water staan en in perioden met weinig neerslag vrijwel permanent droog staan. Tot hoe ver het grondwater in de zomer wegzakt hangt mede af van de ligging binnen het duinsysteem: in het midden van het duinmassief, waar de zoetwaterbel op zijn dikst is, is het verschil tussen de zomer- en wintergrondwaterstand groot, dicht bij zee en is de grondwaterstandsfluctuatie beperkt.

De sleutelfactoren zijn het waterregime, het voedselarme karakter en de basenrijkdom. De meest kenmerkende vochtige duinvalleivegetaties komen voor op plekken die in de winter ten minste plas-dras staan. Structurele verlaging van de grondwaterstanden door bosaanplant (verdamping), waterwinning en peilverlaging in aangrenzende poldergebieden vormt de belangrijkste bedreiging voor dit beheertype.

De zuurgraad varieert van licht zuur tot basisch. De meeste duinvalleien zijn goed gebufferd door de aanwezigheid van kalk in de bodem en/of de aanvoer van basenrijk grondwater. Zeer zwak gebufferde omstandigheden kunnen ontstaan in gebieden met kalkloos duinzand, zoals op Terschelling en bij Schoorl.
De voedselrijkdom is zeer variabel en alleen zeer voedselrijke omstandigheden komen niet voor. Door de hoge basenrijkdom en droogval in de zomer verloopt de afbraak van organisch materiaal relatief snel. De hoogste voedselrijkdom wordt gevonden in en aan de rand van duinmeren, waar ook van nature hoogproductieve moerasvegetaties kunnen voorkomen. In jonge, ’s zomers droogvallende kalkrijke duinvalleien zorgen fosfaatbinding en een geringe hoeveelheid organisch materiaal voor een veel beperkter aanbod aan nutriënten.

Figuur 10. Ranges waarbij voor vochtige duinvallei kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen voor gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG).

Kwaliteitsbepaling

  • “Hoog”: indien (gemiddeld) minstens 35% van het oppervlakte in de winter en vroege voorjaar plas-dras of onder water staat (GVG minder dan ca. 25 cm onder maaiveld) en op dezelfde locatie de voedselrijkdom voedselarm of licht voedselrijk is.
  • “Midden”: indien niet voldaan wordt aan “Hoog”, en minimaal 60% van het oppervlak minimaal matig voedselrijk is en (gemiddeld) GVG, op dezelfde locatie, ondieper is dan 50 cm.
  • “Laag”: Indien aan bovenstaande criteria niet wordt voldaan

b) Externe beïnvloeding

N08.03 Vochtige duinvallei – Stikstofdepositie *

Hoog Midden Laag
Stikstofdepositie* < 14 kg N ha-1 y-1 <995 mol N ha-1 y-1 14-20 kg N ha-1 y-1

995-1420 mol N ha-1 y-1

> 20 kg N ha-1 y-1

>1420 mol N ha-1 y-1

* Waarde voor Vochtige duinvalleien (open water, kalkrijk en ontkalkt) (14 – 19,5 kg) (Van Dobben & Van Hinsberg, 2008).

Ruimtelijke condities

Voor dit beheertype worden geen ruimtelijke condities gemonitord.

Monitoring

N08.03 Vochtige duinvallei – Monitoring

Parameter Methode Frequentie
Structuurelementen Bepaling bedekking 6 jaar
Planten inventarisatie kwalificerende soorten 6 jaar
Broedvogels inventarisatie kwalificerende soorten 6 jaar
Bepaling abiotiek Diverse methoden 6 jaar
Stikstofdepositie Opvragen stikstofdepositie 6 jaar
Vegetatie Vegetatiekartering 12 jaar