N10.02 Vochtig hooiland

Bijgewerkt op: 15 juli 2026

Vochtig hooiland is ontstaan door de ontginning van moerassen of natte bossen en door langdurig gebruik als hooiland. Vochtig hooiland komt voor op natte veen- en kleibodems met een redelijke draagkracht.

Algemene beschrijving

Het gaat om bloemrijke graslanden, vaak geel van soorten als ratelaar, gewone rolklaver, moerasrolklaver, geel walstro, scherpe boterbloem, kruipende boterbloem of dotterbloem. Vochtig hooiland is minder zeggenrijk dan nat schraalland. Ze zijn nu niet meer interessant voor boeren door hun lage productie en eiwitarm gewas, maar ze behoorden ooit tot de betere graslanden.

Net als bij natte schraallanden zijn microgradiënten in het vochtgehalte belangrijk. De hooilanden langs de rivieren bijvoorbeeld zijn zeer gradiëntrijk met overgangen naar oeverwallen, rivierduintjes of kommen. In zeekleigebieden wordt het reliëf gevormd door de oorspronkelijke platen en kreken. In vochtig hooiland komen overgangen naar grote zeggenvegetaties en ruigten met moerasspirea voor. Lokaal kan opslag plaatsvinden van wilgenstruwelen. Deze elementen zijn van belang voor vlinders of struweelvogels. Open landschappen kunnen van belang zijn voor weidevogels. Belangrijke gebieden met vochtig hooiland zijn te vinden in beekdalen, op hoge in cultuur gebrachte kwelders, langs (kleine) rivieren en in het veenweidegebied.

Vochtig hooiland langs de rivieren is internationaal belangrijk. Van bijzondere betekenis is wilde kievitsbloem. Een groot deel van de Europese populatie van deze soort komt in Nederland voor in de oeverlanden van Zwarte water en Overijsselse vecht. Vochtige hooilanden zijn nationaal van belang als leefgebied van o.a. kemphaan, watersnip, zomertaling, paapje, donker pimpernelblauwtje, rode vuurvlinder, moerassprinkhaan, zompsprinkhaan, harlekijn, weidekervel, trosdravik, wilde kievitsbloem, brede orchis, fijnstengelige, kale, geplooid, slanke en spitslobbige vrouwenmantel, waterkruiskruid, zwartblauwe rapunzel, bosbies en adderwortel. Bovenveengraslanden zijn de laatste voorbeelden van in cultuur gebrachte hoogvenen.

Vochtige hooilanden zijn door ontginning, ontwatering en bemesting zeldzaam geworden. Deze graslanden worden jaarlijks gehooid, soms tweemaal al dan niet met nabeweiding. De graslanden worden niet bemest. Alleen als het herstel van een geschikte waterhuishouding (nog) niet mogelijk is, kan bekalking worden toegepast.

Voorbeeldgebieden

Leekstermeer, Lieverense diep, Drentse Aa, Westerwoldse a, Bargerveen, Tsjongerdellen, Rottige Meenthe, Meppeler diep, Zwarte water, Overijsselse vecht bij Zwolle, Scherenwelle, Dinkel, Springendal, Regge, Hackfort, Hagenbeek, De Nederlanden, de Bol, Waal en Burg, Ilperveld, Jipserveld, Oostelijke vechtplassen, Bieschbos, Dijkwater, Zoute haard, Dommelbeemden, De Gement en Moerputten.

Afbakening

Vochtig hooiland omvat hooilanden, al dan niet met nabeweiding. Het gaat om bloemrijke hooilanden, vaak geel van soorten als ratelaar, gewone rolklaver, moerasrolklaver, geel walstro, scherpe boterbloem, kruipende boterbloem of dotterbloem.

  • Vochtig hooiland omvat dotterbloem-, kievitsbloem- of pimpernelhooilanden, weidekervelgraslanden, veldrusschraallanden of de wat schralere bovenveengraslanden. Dotterbloemhooilanden en veldrusschraallanden met blauwgrasland, kleine zeggen- of kalkmoeras worden tot N10.01 Nat schraalland gerekend. Komen dotterbloemhooiland en veldrusschraalland zonder blauwgrasland, kleine zeggen- of kalkmoeras voor, dan is de draagkracht van de bodem wat minder slecht en worden ze tot N10.02 Vochtig hooiland gerekend.
  • Vochtig hooiland wordt ofwel vrijwel jaarlijks overstroomd door oppervlaktewater (o.a. langs de rivieren); staat onder invloed van uitredend kwelwater (beekdalen) of is gelegen op een veenbodem met een gemiddeld waterpeil van 20-30 cm. onder maaiveld, waarbij het peil in de zomer alleen gedurende korte tijd dieper kan wegzakken.
  • Het beheertype wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd.
  • Het beheertype wordt niet bemest

Standaardkostprijs

De standaardkostprijsbladen gaan uit van de beheermaatregelen die gemiddeld over heel Nederland gezien nodig zijn om dit beheertype in stand te houden. Afhankelijk van regionale omstandigheden kan het noodzakelijk zijn om het beheer aan te passen voor de instandhouding van het beheertype.

Bekijk het meest recente standaardkostprijsblad N10.02 Standaardkostprijzen NL, beheerjaar 2027Deze link opent in een nieuw tabblad(bijgewerkt op 13-07-2026) voor dit natuurtype.

Bekijk de meeste actuele standaardkostprijzen voor een overzicht van alle standaardkostprijzen per natuurtype.

Subsidie

Subsidieverplichtingen

De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.

Subsidietarief

Bekijk de meest actuele subsidietarieven voor de jaarvergoeding voor het Natuurbeheertype N10.02 Vochtig schraalland.

De vergoeding kan jaarlijks wijzigen en bedraagt 84% van de standaardkostprijs.

Beheeradvies

Download de pdf voor een toelichting op de beheermaatregelen, herstelmaatregelen en overige aandachtspunten.

Monitoring en natuurkwaliteit

Structuur

Variatie in structuur is belangrijk voor faunasoorten die in het vochtig hooiland voorkomen. Zo is een korte gesloten graslandvegetatie van belang als broedgebied voor weidevogels. Naast korte vegetatie is aanwezigheid van andere structuurelementen zoals hoge overjarige vegetatie en struweel van belang voor dagvlinders, sprinkhanen en kleine zoogdieren.

Het vochtig hooiland bestaat voor minimaal 60% uit een korte gesloten graslandvegetatie.

Flora en fauna

Biotische kwaliteit wordt uitgedrukt in het voorkomen van kwalificerende flora- en faunasoorten uit de volgende soortgroepen:

N10.02 Vochtig hooiland – Flora en fauna

SoortgroepSoorten
Planten:addertong, adderwortel, beemdooievaarsbek, bevertjes, bleke zegge, bosbies, brede orchis, draadrus, gevlekte orchis, gevleugeld hertshooi, gewone dotterbloem, grote pimpernel, gulden boterbloem, harlekijn, herfsttijloos, karwijselie, kleine valeriaan, klimopwaterranonkel, melkviooltje, moeraskartelblad, moerasstreepzaad, moesdistel, noords walstro, noordse zegge, platte bies, polei, rietorchis, rode ogentroost, trosdravik, verfbrem, vleeskleurige orchis, waterkruiskruid, herfsttijloos, weidekervel, weide-vergeet-mij-nietje, welriekende nachtorchis, wilde kievitsbloem, zilte rus, zwartblauwe rapunzel
Dagvlinder & Sprinkhanen:aardbeivlinder, bont dikkopje, bruine vuurvlinder, donker pimpernelblauwtje, moerassprinkhaan, pimpernelblauwtje, zilveren maan, zompsprinkhaan
Broedvogels:gele kwikstaart, grutto, kemphaan, kwartelkoning, tureluur, watersnip

Tot de kwalificerende soorten kunnen ook 2 extra (bedreigd, ernstig bedreigde of verdwenen uit Nederland) Rode lijst soorten gerekend worden. Enkel van de volgende soortgroepen: vissen, reptielen, amfibieën, mossen, kranswieren, vaatplanten, dagvlinders, libellen, sprinkhanen, krekels en vogels. Deze soorten tellen alleen mee voor het aantal soorten, maar niet voor het criterium van verspreiding en soortgroepen.

Kwaliteitsbepaling

  • “Hoog”: indien minimaal 8 kwalificerende soorten voorkomen, waarvan ten minste 5 op >15% van de oppervlakte van het beheertype en twee soortgroepen vertegenwoordigd zijn of indien kievitsbloem of harlekijn massaal (>1000 ex. /ha) voorkomen.
  • “Midden”: indien 5-8 kwalificerende soorten voorkomen of indien meer soorten voorkomen, maar niet aan de eisen van klasse “Hoog” voldaan wordt.
  • “Laag”: indien niet aan de klasse “Midden” of “Hoog” voldaan is.

Milieu- en watercondities

De beoordeling van abiotische condities wordt gedaan op basis van de interne water- en milieuconditie (standplaatsfactoren). Wanneer externe beïnvloeding beter, respectievelijk slechter scoort, wordt het eindoordeel 1 punt/klasse naar boven of beneden bijgesteld.

a) Standplaatsfactoren

De vochtig hooilanden worden allen gekenmerkt door vochtige, matig voedselrijke en gebufferde condities. De achterliggende factoren die de vocht-, nutriënten- en basentoestand regelen zijn echter per gebied verschillend. Een deel van de vochtige hooilanden komt voor op klei-op-veen, klei- en zavelgronden die regelmatig (kort) overstromen, of waar in het verleden overstroming heeft plaatsgevonden. De grondwaterstanden zijn hier minder kritisch omdat de vochthuishouding vooral wordt gereguleerd door bodemtextuur (vochtberging en capillaire opstijging) en overstroming.

Een deel van de vochtige hooilanden komt voor op natte veengronden. Hier speelt de grondwaterstand wel een belangrijke rol. De voor vochtige hooilanden kenmerkende vegetaties komen hier voor op plekken die in de winter plas-dras staan en waar de grondwaterstand in de zomer slechts ondiep wegzakt. De in onderstaande figuur opgenomen ranges gaan uit van de minder kritische klei- en zavelgronden.

Anders dan de natte schraalgraslanden zijn de vochtige hooilanden weinig gevoelig voor overstroming met nutriëntenrijk en slibrijk oppervlaktewater, mits slibafzetting beperkt blijft (maximaal enkele millimeters per winter). In het rivierengebied is droogtestress in de zomer waarschijnlijk van belang. Hierdoor gaan grasachtigen niet domineren, blijft de vegetatie open en is er ruimte voor veel kortlevende soorten.

Veel dotterbloemhooilanden hebben overgangen naar kleine zeggenvegetaties, als gevolg van stagnatie van regenwater. Dit komt veel voor in het laagveengebied en vormt daar een typisch onderdeel van het landschap.

N10.02 Vochtig hooiland. Ranges waarbij voor vochtig hooiland kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen voor gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) zuurgraad (pH) en voedselrijkdom.

N10.02 Vochtig hooiland. gvg (cm - maaiveld). -50 tot -10: rood. -10 tot 5: verloopt van oranje naar geel. 5 tot 50: groen. 50 tot 70: verloopt van geel naar oranje. 70 tot 150: verloopt van oranje naar rood. 150 tot 250: rood. Zuurgraad (pH). 3 tot 5: verloopt van rood naar oranje. 5 tot 5.5: verloopt van oranje naar geel. 5.5 tot 7: groen. 7 tot 9: verloopt van groen naar lichtgroen. Voedselrijkdom. Zeer voedselarm: rood. Matig voedselarm: verloopt van rood naar oranje. Licht voedselrijk: verloopt van oranje naar geel. Matig voedsel rijk a en b: groen. Zeer voedselrijk: verloopt van geel naar oranje. Uiterst voedselrijk: verloopt van oranje naar rood.

Ranges waarbij voor vochtig hooiland kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen voor gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) zuurgraad (pH) en voedselrijkdom. Rood is laag, oranje/geel is midden en groen is hoog.

Kwaliteitsbepaling

  • “Hoog”: indien minstens 50% van de oppervlakte zich voor GVG, zuurgraad en voedselrijkdom, op dezelfde locatie, binnen het bereik voor “Hoog” ontwikkeld bevindt.
  • “Midden”: indien niet voldaan wordt aan “Hoog” en minstens 50% van de oppervlakte voor GVG, zuurgraad en voedselrijkdom zich, op dezelfde locatie, minimaal binnen het bereik voor “Midden” ontwikkeld bevindt.
  • “Laag”: indien aan bovenstaande criteria niet wordt voldaan

N10.02 Vochtig hooiland – Stikstofdepositie

HoogMiddenLaag
Stikstofdepositie*< 11 kg N ha-1 y-1

<780 mol N ha-1 y-1
11-23 kg N ha-1 y-1

780-1630 mol N ha-1y-1
> 23 kg N ha-1 y-1

>1630 mol N ha-1 y-1

* Waarde voor dotterbloemgrasland (11,1-23,7 kg) en nat, matig voedselrijk grasland (21,4-22,4 kg) (Kros, et al, 2008).

Ruimtelijke condities

N10.02 Vochtig hooiland – Ruimtelijke condities

Oppervlakte beheertype/Ruimtelijke samenhang>50 ha3 – 30 ha1 – 3 ha< 1 ha
Verbonden met (afstand max. 30 meter) ondersteunende beheertypen*HoogHoogHoogMidden
In nabijheid (binnen 1 km) van ondersteunende beheertypen*HoogHoogMiddenLaag
GeïsoleerdHoogMiddenLaagLaag

*. Naast vochtig hooiland betreft dit: N10.01 Nat schraalland en N12.03 Glanshaverhooiland

Monitoring

N10.02 Vochtig hooiland – Monitoring

ParameterMethodeFrequentie
Planteninventarisatie kwalificerende soorten6 jaar
Dagvlinder & SprinkhanenInventarisatie kwalificerende soorten6 jaar
BroedvogelsInventarisatie kwalificerende soorten6 jaar
Bepaling abiotiekDiverse methoden6 jaar
StikstofdepositieOpvragen stikstofdepositie6 jaar
VegetatieVegetatiekartering12 jaar
Ruimtelijke conditiesGIS-analyse en veldwaarneming6 jaar