N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland
Dit type bestaat uit allerlei soorten (kruidenrijke) graslandvegetaties.
Dit type bestaat uit allerlei soorten (kruidenrijke) graslandvegetaties.
Een goede kwaliteit wordt gekenmerkt door variatie in structuur (ruigte en plaatselijk struweel, hogere en lage vegetatie) en een kruidenrijke graslandbegroeiing die rijk is aan kleine fauna. Gradiënten binnen (grond)waterpeil en voedselrijkdom zorgen voor diverse vegetatietypen.
Kenmerkende of bijzondere soorten van schralere beheertypen ontbreken grotendeels binnen dit type, maar graslanden zijn vaak wel rijk aan wat minder zeldzame plantensoorten. Het type is o.a. van belang voor vlinders en andere insecten, vogels en kleine zoogdieren.
De minimale ambitie voor dit beheertype komt het best overeen met de beschrijving van Gras-kruidenmix (type 3) uit de veldgids ‘Ontwikkelen van kruidenrijk grasland’ (Schippers 2023). In dit type grasland komen zo’n 15-25 soorten per 25 m2 voor en de productie van gras is beperkt (5 tot 7 ton droge stof per ha per jaar). Kenmerkende soorten zijn bijvoorbeeld gewoon reukgras, rode klaver en:
Diverse soorten ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Het grasland wordt meestal extensief beweid of gehooid. Ook komen erin echt goed ontwikkeld Kruiden- en faunarijkgrasland elementen (en overgangen) voor van de nog soortenrijkere variant bloemrijk grasland (type 4).
Het beheertype Kruiden- en faunarijk grasland kan voorkomen op diverse bodems van vochtig tot droog en heeft doorgaans een (matig) voedselrijk karakter. Kruiden- en faunarijk grasland komt in vrijwel alle landschapstypen voor. Toch is het areaal de laatste vijftig jaar enorm afgenomen door de gangbare landbouwpraktijk: sterke bemesting gecombineerd met periodiek doodspuiten van de grasmat en opnieuw inzaaien met hoogproductieve grasvariëteiten. De meeste overgebleven kruidenrijke graslanden liggen in overhoekjes van het agrarische gebied of komen voor in natuurgebieden. Daar kan kruidenrijk grasland ook een tijdelijke fase zijn als de benodigde abiotische omstandigheden voor schraallanden niet of nog niet gerealiseerd kunnen worden.
Broek en Blokland, Komgrondenreservaat Waardenburg, Dommeldal, Margarethapolder, Oldematen, Hoge Berg, Duivenvoordse en Veenzijdse Polder, Bethunepolder-oost
De standaardkostprijsbladen gaan uit van de beheermaatregelen die gemiddeld over heel Nederland gezien nodig zijn om dit beheertype in stand te houden. Afhankelijk van regionale omstandigheden kan het noodzakelijk zijn om het beheer aan te passen voor de instandhouding van het beheertype.
Bekijk het meest recente standaardkostprijsblad N12.02 Standaardkostprijzen NL, beheerjaar 2027Deze link opent in een nieuw tabblad(bijgewerkt op 13-07-2026) voor dit natuurtype.
Bekijk de meeste actuele standaardkostprijzen voor een overzicht van alle standaardkostprijzen per natuurtype.
De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.
Bekijk de meest actuele subsidietarieven voor de jaarvergoeding voor het Natuurbeheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland.
De vergoeding kan jaarlijks wijzigen en bedraagt 84% van de standaardkostprijs.
Download de pdf voor een toelichting op de beheermaatregelen, herstelmaatregelen en overige aandachtspunten.
Dit beheertype omvat droge tot vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke graslanden. Ze omvat een scala aan bloemrijke vegetaties van vrij schrale typen kamgrasweiden tot tamelijk voedselrijke witbolgraslanden. Vochtige hooilanden met grondwaterinvloed, overstromingsgraslanden, natte en droge schraallanden en glanshaverhooilanden vallen buiten dit type, maar worden als zelfstandige beheertypen onderscheiden. De planten die in dit beheertype voorkomen zijn merendeels algemenere soorten die weinig specifieke eisen aan de abiotische omgeving stellen. Flora en vegetatie zijn daarom niet bepalend voor de kwaliteit van dit beheertype, en de milieu- en watercondities slechts in beperkte mate. Wel is het belangrijk om te streven naar een zo groot mogelijke variatie in voedselrijkdom en vochtigheid.
Variatie in structuur is belangrijk voor faunasoorten die in dit grasland voorkomen. Zo zorgt een afwisseling tussen korte en hoge vegetatie met plaatselijk ruigte en struweel voor verschil in microklimaat, hetgeen van belang is voor dagvlinders, andere insecten, reptielen, vogels en kleine zoogdieren.
Binnen het kruiden- en faunarijk grasland zijn grasachtigen dominant, maar kruiden en mossen hebben een oppervlakteaandeel van tenminste 20%. De volgende kwalificerende structuurelementen worden onderscheiden:
| Structuurelement | Min. % | Max. % |
|---|---|---|
| Hoog struweel, incl. braam-, gagel- en bremstruweel | 5 | 20 |
| Solitaire bomen en kleine bosjes (>5 m) | 1 | 5 |
| Meter slootlengte / hectare* | 100 | – |
* Slootlengte is in meter/ha, geen percentage
Biotische kwaliteit wordt uitgedrukt in het voorkomen van kwalificerende flora- en faunasoorten uit de volgende soortgroepen:
| Soortgroep | Soorten |
|---|---|
| Planten: | bochtige klaver, echte koekoeksbloem, gewone brunel, gewone margriet, grote ratelaar, kamgras, karwijvarkenskervel, klavervreter, klein vogelpootje, knolvossenstaart, knoopkruid, moerasstruisgras, muizenoor, polei, spits havikskruid, waterkruiskruid, witte munt, zwarte zegge |
| Dagvlinders: | argusvlinder, bruin blauwtje, bruine vuurvlinder, bruin zandoogje, geelsprietdikkopje, groot dikkopje, hooibeestje, kleine parelmoervlinder, zwartsprietdikkopje |
Tot de kwalificerende soorten kunnen ook 2 extra (bedreigd, ernstig bedreigde of verdwenen uit Nederland) Rode lijst soorten gerekend worden. Enkel van de volgende soortgroepen: vissen, reptielen, amfibieën, mossen, kranswieren, vaatplanten, dagvlinders, libellen, sprinkhanen, krekels en vogels. Deze soorten tellen alleen mee voor het aantal soorten, maar niet voor het criterium van verspreiding en soortgroepen.
Voor dit type worden geen milieu- en watercondities gemonitord.
| Oppervlakte beheertype/Ruimtelijke samenhang | >75 ha | 5 – 75 ha | 1-5 ha | < 1 ha |
|---|---|---|---|---|
| Verbonden (afstand max. 30 meter) met andere graslandbeheertypen (N10 t/m N12) | Hoog | Hoog | Hoog | Midden |
| In nabijheid (binnen 1 km) van andere graslandbeheertypen (N10 t/m N12) | Hoog | Hoog | Midden | Laag |
| Geïsoleerd | Hoog | Midden | Laag | Laag |
| Parameter | Methode | Frequentie |
|---|---|---|
| Structuurelementen | Bepaling bedekking | 6 jaar |
| Planten | Inventarisatie kwalificerende soorten | 6 jaar |
| Dagvlinders | Inventarisatie kwalificerende soorten | 6 jaar |
| Ruimtelijke condities | GIS-analyse en veldwaarneming | 6 jaar |