N13.01 Vochtig weidevogelgrasland

Bijgewerkt op: 19 december 2023

Vochtig weidevogelgrasland omvat natte en vochtige graslanden met primair een weidevogeldoelstelling; beiden zijn belang voor een diversiteit in soorten. De zuurgraad dient matig zuur tot neutraal te zijn, de voedselrijkdom is minimaal licht voedselrijk.

Algemene beschrijving

Het kan zowel kruidenrijke als door bemesting voedselrijke (raaigras)graslanden bevatten. Goede weidevogelgraslanden worden gekenmerkt door een open karakter, een mozaïek van diverse vormen van graslandbeheer en soorten als grutto, kievit, scholekster en tureluur. Ook eenden als zomertaling en slobeend zijn kenmerkend. Vochtig weidevogelgrasland komt op diverse bodems en in diverse landschapstypen voor. Het zwaartepunt ligt in het landschapstype Laagveen en zeeklei: hier komt het voor op zowel klei- als veengrond. Ook in het Rivierengebied (voornamelijk uiterwaarden) komt Vochtig weidevogelgrasland voor.

Weidevogels kwamen in het verleden in (veel) grotere aantallen voor dan tegenwoordig. Door ondermeer intensivering van landbouw en veeteelt zijn de aantallen weidevogels afgenomen. Daarom is speciaal op weidevogels afgestemd beheer nodig om ze te behouden. Internationaal gezien zijn onze weidevogels heel bijzonder en heeft ons land een grote verantwoordelijkheid voor de populaties.

Een goede kwaliteit kenmerkt zich door een mozaïek van verschillende beheersvormen van grasland (diversiteit in maaidata, beweiding, plasdras etc.), een rijke en bereikbare bodemfauna, insectenrijkdom (‘kuikengrasland’), een open landschap met weinig dekking voor predatoren en brede, rijkbegroeide slootkanten. Heel laat gemaaide delen (na 1 augustus) zijn van belang voor de kwartelkoning, andere vogelsoorten en insecten. Het maai- en graasbeheer wordt zodanig gevoerd dat zo min mogelijk jongen slachtoffer worden van beheeringrepen. De graslanden worden bemest met organische mest om het aanbod van voedsel te verzorgen voor weidevogels.

Voorbeeldgebieden

Hempense meer, Wynse polder, Haenmeer, de Dulf, Westerhornerpolder, Wormer- en Jisperveld, de Wilck, Donkse laagten, Westeinde en  Oude land van Strijen.

Afbakening

  • Het beheertype omvat grasland met per 100 ha minimaal 35 broedparen van Grutto, Tureluur, Watersnip, Kemphaan, Slobeend, Zomertaling, Veldleeuwerik, Wulp, Kluut, Krakeend, Kuifeend, Wintertaling, Graspieper en/of Gele kwikstaart.

Standaardkostprijs

De standaardkostprijsbladen gaan uit van de beheermaatregelen die gemiddeld over heel Nederland gezien nodig zijn om dit beheertype in stand te houden. Afhankelijk van regionale omstandigheden kan het noodzakelijk zijn om het beheer aan te passen voor de instandhouding van het beheertype.

Bekijk de meeste actuele standaardkostprijzen voor een overzicht van alle standaardkostprijzen per natuurtype.

Subsidie

Subsidieverplichtingen

De beheerder dient het beheertype in stand te houden. De wijze waarop hij deze instandhoudingsverplichting invult, is aan de beheerder zelf.

Subsidietarief

Bekijk de meest actuele subsidietarieven voor de jaarvergoeding voor het Natuurbeheertype N13.01 Vochtig weidevogelgrasland.

De vergoeding kan jaarlijks wijzigen en bedraagt 84% van de standaardkostprijs.

Beheeradvies

Door VBNE en Stichting Part-ner is er voor natuurbeheertype N13.01 Vochtige weidevogelgrasland een beheeradvies opgesteld.

Bekijk het beheeradvies

BIJ12 is niet betrokken en/of verantwoordelijk voor de inhoud van dit beheeradvies.

Monitoring en natuurkwaliteit

Structuur

Vochtig weidevogelgrasland van goede kwaliteit heeft een open karakter zonder opgaande structuurelementen, waardoor de dekking voor predatoren beperkt is. Naast de overwegende korte grazige vegetaties is ook enig mozaïek gewenst van hoge en lage gras- en kruidenvegetatie en een rijk begroeide slootkant voor voedsel en dekking van de kuikens. Dit mozaïek wordt verkregen door een afwisseling van tijdstip en vorm van beheer (maaien, begrazen).

Flora en fauna

Biotische kwaliteit wordt uitgedrukt in het voorkomen van kwalificerende broedvogels:

N13.01 Vochtig weidevogelgrasland – Flora en fauna

Soortgroep Soorten
Broedvogels: gele kwikstaart, graspieper, grutto, kemphaan, krakeend, kuifeend, slobeend, tureluur, veldleeuwerik, watersnip, wintertaling, wulp, zomertaling

Tot de kwalificerende soorten kunnen ook 2 extra (bedreigd, ernstig bedreigde of verdwenen uit Nederland) Rode lijst soorten gerekend worden. Enkel van de volgende soortgroepen: vissen, reptielen, amfibieën, mossen, kranswieren, vaatplanten, dagvlinders, libellen, sprinkhanen, krekels en vogels. Deze soorten tellen alleen mee voor het aantal soorten, maar niet voor het criterium van verspreiding en soortgroepen. Daarbij valt bijv. te denken aan kemphaan en watersnip.

Kwaliteitsbepaling

  • “Hoog”: indien meer dan 60 broedparen per 100 ha van de kwalificerende soorten voorkomen
  • “Midden”: indien 45 – 60 broedparen per 100 ha van de kwalificerende soorten voorkomen
  • “Laag”: indien 35 – 45 broedparen per 100 ha van de kwalificerende soorten voorkomen

Als er minder dan 35 broedparen per 100 ha van de kwalificerende weidevogels voorkomen dan wordt het betreffende grasland niet tot het beheertype vochtig weidevogelgrasland gerekend (beheertype-afbakening). In weidevogelgebieden wordt minimaal één keer per drie jaar een broedvogelkartering uitgevoerd. Er zijn geen vaste afspraken gemaakt welk jaar meetelt in de beoordeling (het gemiddelde of hoogste of laagste aantallen). Omdat er van veel gebieden al een lange meetreeks beschikbaar is, is het meest wenselijk om bij de beoordeling een trend vanaf de eerste telling te laten zien.

Milieu- en watercondities

Standplaatsfactoren

Voor weidevogelgrasland zijn hoge grondwaterstanden optimaal, omdat daarbij de gewasproductie pas later op gang komt en door de betere vochtvoorziening de bodem goed permeabel is, waardoor regenwormen dichter aan de oppervlakte blijven. Goed weidevogelgrasland wordt daarom doorgaans gekenmerkt door hoge grondwaterstanden. In de winter liggen de waterstanden dichtbij of net boven het maaiveld.

Voor de instandhouding van dit type is bemesting met ruwe stalmest onmisbaar. De bemestingsdruk mag echter niet te hoog zijn, aanbevolen wordt een bemesting elke 3 jaar met 20 ton ruige stalmest per hectare, waarbij de natste delen niet bemest worden.

Kwaliteitsbepaling

  • “Hoog”: indien in minstens 80% van de oppervlakte de grondwaterstand in de periode maart-juni minder dan 45 cm onder maaiveld ligt.
  • “Midden”: indien niet voldaan wordt aan “Hoog” en in minstens 40% van de oppervlakte de grondwaterstand in de periode maart-juni minder dan 45 cm onder maaiveld ligt.
  • “Laag”: Indien aan bovenstaande criteria niet wordt voldaan.

Ruimtelijke condities

N13.01 Vochtig weidevogelgrasland – Ruimtelijke condities

Oppervlakte beheertype/Ruimtelijke samenhang >100 ha 50 – 100 ha 25-50 ha < 25 ha
Verbonden(binnen 30 meter) met andere graslandbeheertypen* Hoog Hoog Hoog Midden
In nabijheid (binnen 1 km) van andere graslandbeheertypen* Hoog Hoog Midden Laag
Geïsoleerd Hoog Midden Laag Laag

*. Naast N10.01 t/m N13.02 mogen hierbij ook de weidevogelgraslanden (A01.01) uit het agrarisch natuurbeheer gerekend worden. In dit GIS-rekentool is dit op dit moment nog niet gedaan. Dit kan als expertoordeel toegevoegd worden, zie ook toelichting paragraaf 3.10

Monitoring

N13.01 Vochtig weidevogelgrasland – Monitoring

Parameter Methode Frequentie
Broedvogels Inventarisatie kwalificerende soorten 3 jaar
Bepaling abiotiek Diverse methoden 6 jaar
Ruimtelijke condities GIS-analyse en veldwaarneming 6 jaar