Het RIVM meet al sinds 1993 de hoeveelheid ammoniak in de buitenlucht. Ook meet men hoeveel ammoniak er in de natuur terecht komt. Deze metingen worden door het Programma Aanpak Stikstof (PAS) gebruikt om te monitoren hoe het gesteld is met de ontwikkeling in de stikstofdepositie. De betrouwbaarheid van de metingen wordt soms echter ter discussie gesteld. We vroegen Addo van Pul, projectleider van het monitoringsprogramma bij het RIVM, naar het belang van de metingen en wat hij vindt van de kritiek.

Wat is het probleem van ammoniak?

‘De neerslag van stikstof op de bodem of vegetatie – ook wel depositie genoemd – zorgt voor een grote druk op de biodiversiteit van de Nederlandse natuur. Van alle stikstof die neerslaat in onze natuur, bestaat twee derde uit ammoniak. De stikstof zorgt als het ware voor bemesting en verzuring van de bodem. Vooral in natuurgebieden die gevoelig zijn voor stikstof, kan dit leiden tot een verlies aan biodiversiteit. Door ammoniak groeien grassen bijvoorbeeld heel hard en verdrukken daarmee andere, meer kwetsbare plantensoorten. Met weer andere gevolgen voor insecten en andere dieren.’

Hoe wordt ammoniak gemeten?

‘Ammoniak is voor ongeveer 85% afkomstig van de agrarische sector. In mest van landbouwdieren, met name koeien en varkens, zit een grote hoeveelheid stikstof. Een deel daarvan wordt omgezet in ammoniak. De ammoniak komt via de lucht en het regenwater in de natuur terecht. Het RIVM meet de hoeveelheid ammoniak in de lucht (ammoniakconcentratie) en hoeveel ammoniak in de natuur terecht komt (ammoniakdepositie). De metingen in de lucht gebeuren binnen het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) op zes locaties in Nederland. In natuurgebieden meet het RIVM sinds 2005 via het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN). Dit meetnet bestaat uit een kleine 300 meetlocaties, verspreid over 80 natuurgebieden.’

Wat wordt met deze metingen gedaan?

‘De metingen worden onder andere gebruikt om onze modelberekeningen te valideren. Deze modelberekeningen voeren we uit om de ammoniakdepositie op natuur in kaart te brengen. Ook gebruiken we de metingen om het verloop van ammoniakconcentratie te volgen in de tijd. Zo kunnen we zien of het beleid om ammoniak-emissie te verminderen, effect heeft. Het meten van de ammoniakconcentraties in de lucht in Natura-2000 gebieden helpt om de problemen nog beter in kaart te brengen. Ook kunnen beter voorspellingen gedaan worden over toekomstige knelpunten.’

Hoe wordt de uitstoot van ammoniak-emissie berekend?

‘In Nederland wordt de ammoniakemissie berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA). Dit model gaat onder andere uit van de Landbouwtelling die elk jaar in mei wordt gehouden door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De berekening wordt uitgevoerd door het CBS in samenwerking met de Wageningen University & Research (WUR) en RIVM. Boeren geven elk jaar in mei op hoe groot hun bedrijf is, hoeveel dieren ze hebben, hoeveel dieren er in de stal en in de wei staan en wat er gevoerd wordt. Op basis daarvan wordt een berekening gemaakt van de ammoniakemissie in Nederland. Elk jaar wordt dus opnieuw duidelijk of er meer of minder emissie is.’

Welke kritiek is er op de metingen van het RIVM?

‘Er is al enige jaren kritiek op het werk van het RIVM. Onlangs verscheen nog het rapport ‘Ammoniak in Nederland: een noordoostelijke spelbreker’. Daarin wordt geschreven dat metingen van de ammoniakconcentratie bij het meetstation Vredepeel niet betrouwbaar zijn omdat het station te dicht bij een stal staat. In de eerste plaats vind ik het jammer dat de auteurs niet eerst met ons een wetenschappelijke discussie hebben gevoerd. Nu vindt iemand wat, roept het in de pers en het wordt klakkeloos overgenomen. Er worden zelfs Kamervragen over gesteld. Als het gesprek wel had plaatsgevonden, hadden wij uit kunnen leggen hoe wij deze metingen gebruiken. Dat we daarbij zeker rekening houden met feiten en omstandigheden die van invloed zijn op de metingen. Dat had wat commotie gescheeld. Bovendien is het in Nederland bijna onhaalbaar om een meetplek te vinden waar je niet in de buurt bent van een boerenbedrijf. Ik zou juist zeggen: je meet gewoon de realiteit in Nederland.’

Hoe gaan jullie om met deze kritiek?

‘Wij zijn een onafhankelijk, wetenschappelijk instituut. We hebben er helemaal geen baat bij om de feiten anders voor te stellen dan ze zijn. In 2013 en 2015 zijn twee internationale reviews uitgevoerd naar het monitorings- en onderzoekswerk van RIVM op het vlak van ammoniak. We zijn als RIVM door deskundigen helemaal doorgelicht en is er een oordeel over ons werk geveld. De conclusie was dat het werk van RIVM wetenschappelijk ‘sound’ was. Iedereen kan deze rapporten inzien. Het baart mij weleens zorgen dat iemand zo makkelijk kritiek kan uiten en dat dit dan zoveel impact heeft. Het helpt als we betrokkenen laten zien wat we doen en hoe we dat doen. Zo hebben we dit voorjaar Kamerleden via een technische briefing verteld over de monitoring van stikstofdepositie. In mei heb ik meegewerkt aan het programma ‘De Monitor’ met als onderwerp ‘De Nederlandse mesthoop’. Misschien moeten we dit soort dingen nog vaker doen. En aan de andere kant accepteren dat sommige groepen zich nooit zullen laten overtuigen.’

Lees hier wat het RIVM doet op het gebied van ammoniakmetingen

Gerelateerd nieuws